Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Het oog

Door Heleen Hamberg

Zijn vingers glijden langs het klamme papier. De geur van mottenballen dringt zijn neusgaten binnen. Daar is het verrekte exemplaar. Hij pakt het dunne boek met de slappe kaft tussen duim en wijsvinger en kijkt naar de gekrulde letters die het grootse meesterstuk aankondigen. Geen spat veranderd. Met bonzend hart loopt hij naar de piano en slaat de partituur open. Het openingsakkoord. De noten galmen in zijn hoofd. De bas, de snelle loopjes. Hij ziet zijn handen op het klavier, de zich steeds verder versnellende bewegingen van zijn rechterhand. Vijf vingers handelen vanuit volledige gelijkwaardigheid. Dansend over de toetsen, als balletdansers die met hun spitzen vederlicht, vrijwel geluidloos, over de zachte vloer gaan. Links vult de glijdende bas met gepaste afstand de melodielijn aan tot een volmaakte harmonie. En dan die toenemende spanning, het eindelijk mogen toelaten, na het tergend lange uitstel. En juist dan, nog heel even wachten, nóg een fractie, tot het bijna onverantwoord is. De opluchting van weer adem kunnen halen. Het zich steeds verder uitbouwende crescendo, tot daar eindelijk in het perfecte fortissimo de klanken onder zijn hersenpan resoneren.

Hij slikt. Zouden zijn vingers het nog kunnen? De gruwelijke snelheid, de buitengewoon grote sprongen waar hij zich op doodgeoefend had. Ineens dringt de belachelijkheid van de hele situatie in zijn volle glorie tot hem door. Waarom heeft hij zich in hemelsnaam laten verleiden tot het zoeken naar de voor altijd afgezworen partituur? Hoe heeft hij het in zijn hoofd kunnen halen de vliering op te klimmen na de nietszeggende advertentie in de krant?

Hij plaatst zijn vingers in de stand van het openingsakkoord. Zijn colbert spant om zijn schouders. In de zaal zitten zijn medestudenten. Moeder op de derde rij van achter, zoals ze hem net met haar ene oog priemend aankeek. Zijn docent. De juryleden met hun rechte ruggen naast elkaar. Zijn hart bonst in zijn keel. Hij weet dat, zodra hij de eerste noten heeft gespeeld, zijn podiumvrees als sneeuw voor de zon verdwijnt. Zijn vingers vliegen over de toetsen. Als vanzelf slaat zijn linkerhand de bladzijde om. Voor het geval dat, want hij kent het van begin tot eind uit zijn hoofd. Hij houdt een fractie van een seconde in, versnelt daarna weer. Aan alles voelt hij dat dit zijn beste uitvoering ooit is. Alsof iemand hem leidt. Het stuk is van hém. Niet Rachmaninov, maar André. J. ter Berg heeft het gecomponeerd. Het is zíjn toets die dit meesterwerk compleet maakt. Zijn stem die in alles voelbaar is. Virtuoos, subliem. Na het slotakkoord laat hij zijn vingers secondenlang op de toetsen rusten. Hij kan niet loslaten, wil in dit moment blijven, voor altijd. Zijn hoofd is gebogen. Dit is waarvoor hij op de wereld is gezet. Dan kijkt hij de zaal in. Moeders mond staat strak. Hij voelt het zweet op zijn voorhoofd. En dan het verlossende applaus. De jury trekt zich terug. Het wachten duurt een eeuwigheid. Het oordeel is unaniem. Cum laude, hij kan het amper bevatten.

En nu, ruim tien jaar later, voelen zijn vingers stroef. Onwennig in onmogelijke posities gedwongen. Hij heeft het niet meer, waar is het gebleven? Hoe heeft hij dit ooit kunnen spelen?

Moeder was achter hem gaan staan. Haar knokige hand op zijn schouder. ‘Goed gedaan, jongen,’ had ze gesproken. ‘Ga je mee naar huis?’ Het wachten was begonnen. Ze zouden komen. Glansrijk afstuderen op dit bovenmenselijke werk, ze zouden in de rij gaan staan. ‘Je moet je niet aanbieden. Ze moeten je willen,’ had ze gezegd, ‘om wat je kunt.’ Klusjes kwamen langs. Het concertje in de kerk, de Russische thema-avond in het dorp. ‘Wacht maar, ze komen echt,’ kraste ze zwaaiend met haar vinger in de lucht. ‘De mensen in de zaal, daar zit vanzelf een keer iemand tussen die je ware talent ziet.’ Hij kon zich nauwelijks meer herinneren hoe ze eruit had gezien met twee ogen. Hoe kon hij zijn blik in godsnaam op dat ene oog richten zonder de dichtgeplakte enveloppe te zien?

Nog geen half jaar later werd ze ziek. Kuchend, dwingend. Wekenlang had hij alleen maar aan haar bed gezeten. ’s Nachts nam hij plaats achter de piano. Hij was gaan drinken. Godzijdank had hij zijn leerlingen. Tot ze op er op een ochtend ineens niet meer was. Haar gezicht lag stil en symmetrisch op het kussen.

De concertjes waren een zeldzaamheid geworden. Een enkele keer de kleine zaal, de sporadische koorbegeleiding, hij slikte het. Eens zouden ze zijn talent oppikken. Toen de vraag kwam of hij wilde spelen bij het bruiloftsfeest, was er iets geknapt in zijn hoofd. Als zijn spel was teruggebracht tot achtergrondruis, hoe kon hij zichzelf dan ooit nog in de spiegel aankijken? Hij had zijn oude contacten weer opgepakt. Het ensemble met hobo en viool in de steigers gezet. En zowaar mochten ze zich behoorlijk succesvol noemen met minstens maandelijks een goedbezocht concert. In combinatie met zijn leerlingen, het was een tijd genoeg geweest. Toch begon die jongensdroom weer de kop op te steken. Het beeld van zichzelf in jacquet achter de vleugel, strak gekamde haren, met achter hem het orkest. Het liet hem niet los. Als hij zich na zijn eindexamen meteen verkocht had, was hij nu een wereldberoemd pianist geweest. De grote zalen, New York, Sydney, het Concertgebouw, het had allemaal in zijn bereik gelegen.

Voorzichtig zet hij zijn handen op de toetsen en begint de spelen. Langzaam voelt hij het terugkomen. Hij oefent en oefent, dagenlang. Zijn stuk, hij heeft het weer. Het is niet beter dan toen, maar anders, volwassener, doorleefder. En dan typen zijn vingers de brief. Dat hij auditie wil komen doen. Dat dit het pianostuk is waarop hij cum laude is afgestudeerd.

Hoe had hij het kunnen weten dat ze juist die dag snipverkouden vervroegd naar huis zou komen van haar werk? Nooit was het goed genoeg wat hij deed. De onvoldoendes, zijn slungelige benen die maakten dat ze hem als laatste kozen bij gymnastiek. Pianospelen, dat was waar hij in uitblonk. Hij moest gewoon harder werken. Tijd vinden om nog meer te oefenen. Het was zo simpel. Hij hoefde alleen maar zijn stem te verdraaien aan de telefoon. ‘Ja, met de moeder van André. Hij kan niet naar school komen vandaag. Ligt met hoge koorts in bed.’ Hij was het steeds vaker gaan doen. De zalige rust alleen in huis. Alleen met zijn piano. Ze had geschreeuwd toen ze thuiskwam. ‘Wat moet jij hier op dit uur?’ Ze had geroepen dat ze hem het huis uit zou zetten. ‘En neem die vervloekte piano mee!’ Het mes in zijn hand. Hij had er alleen mee willen dreigen. Maar ze was naar hem toegelopen. Klampte zich aan hem vast. Trok aan zijn arm, steeds harder. In hun val had hij nog geprobeerd zijn hand van haar gezicht af te wenden. Maar haar kracht was te sterk. Uiteindelijk heeft ze het allemaal over zichzelf afgeroepen. Hij proefde het warme bloed toen ze met haar gezicht op hem kwam.

Hij zit op de fiets. Wil terug. Terug naar zijn veilige eenvoudige leventje als pianoleraar. Waarom moet hij zo nodig zijn vergane roem inhalen? Na tien lange jaren vechten komt hier eindelijk de revanche. Maar waarom dan die trillende handen? Die eeuwige strijd het podium op te klimmen. Die verstikkende hartkloppingen.
Het inspelen gaat goed. De vleugel heeft een vertrouwd prettig timbre.

En dan zijn de beslissende laatste tien minuten ingegaan. Hij zit op de wc en sluit zijn ogen, probeert zich te concentreren op zijn buikademhaling. Plots staat ze voor hem. Levensgroot. Een geluidloze gil ontsnapt uit zijn keel. Ze houdt haar hand achter haar oor, als een oesterschelp. Ze wiegt haar hoofd heen en weer. Een deinen zonder ritme. Haar ene oog is samengeknepen. Daarnaast zuigt het gapend grote gat, zwart als gal.

Hij wordt geroepen en stapt de zaal binnen.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch