Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Het plantenmeisje

Door Koen Caris

Het meisje heeft zo lang in het bos gelegen, dat ze min of meer een plant is geworden. Zo zegt de rechercheur dat, als hij met ons komt praten: zo lang daar gelegen, dat ze min of meer een plant is geworden. Wij zitten in de open achterbak van het politiebusje, met lauwe oploskoffie in onze handen en dekens om onze schouders die we niet af mogen doen, ook al hebben we het bloedheet. Toen de rechercheur met ons kwam praten zette hij één voet op de achterbumper en leunde vertrouwelijk voorover, waardoor de stof van zijn strakke broek nu heel raar opgehoopt zit in zijn kruis en ik hard mijn best moet doen om naar iets anders te kijken.

Min of meer een plant geworden. Terwijl we wachten tot Nikki’s moeder ons op kan komen halen legt een forensisch team het meisje heel voorzichtig op een brancard en draagt haar een ambulance in. Van wat ik ervan kan zien, ziet ze er niet blij uit als mens. Eerlijk gezegd ziet ze eruit alsof ze liever een plant was gebleven.

Nikki praat honderduit tegen de rechercheur, terwijl ik naar haar luister alsof ik er niet ook gewoon bij was. Dat gebeurt vaak bij Nikki, dat je opeens ademloos luistert naar dingen die je zelf hebt meegemaakt. De rechercheur houdt zijn ogen strak op haar gezicht gericht, maar ik zie dat hij geen idee heeft wat ze aan het zeggen is. Ook dat gebeurt vaak bij Nikki. Misschien praat ze daarom wel zo veel, omdat ze weet dat de meeste woorden toch blijven kleven aan haar glanzende lippen. Of anders zoek raken in haar prachtig volle haar. De rechercheur perst zijn duimen tussen zijn riemlussen door en knikt op alle foute momenten.

De forensisch onderzoekers gokken dat het plantenmeisje een maand in het bos heeft gelegen. Ze vertellen ons niet wat haar is gebeurd, dus leuk zal het niet geweest zijn. Iedereen vraagt zich af hoe het meisje zo lang in dat bos heeft kunnen liggen, zonder dat iemand dat gezien heeft. Maar het is eigenlijk nauwelijks een bos te noemen: er zijn geen paden, geen bloemen. Het is één groot doornendoolhof, vies en nat en schemerig. Daarom kwamen wij er graag.

Wekenlang houdt Nikki er niet over op, ook niet als iedereen is opgehouden ernaar te vragen. Ook niet als we gewoon met zijn tweeën zijn. Ze had paddenstoeltjes op haar benen, had ik dat wel gezien? “En schimmels op haar armen, of ja, of ja, wat daar nog van over was!” roept Nikki, “eigenlijk, eigenlijk…!, zag ze eruit als dat potje aarde dat we voor biologie een maand op onze vensterbank moesten laten staan. Vruchtbare grond, dat was ze.” Nikki laat zichzelf een beetje kokhalzen als ze dat zegt, maar ik denk eigenlijk dat het meisje daar wel blij mee was geweest, dat ze vruchtbare grond was. Niet dat ze per se blij was dat ze dood was gegaan, op een niet leuke manier, maar als ze dan tóch dood was, ja. Ik denk soms, we zijn hier allemaal toch maar op bezoek, als we niet iets moois achterlaten dan hadden we er net zo goed niet kunnen zijn. Maar als ik dát denk, dan denk ik daarna, ja, maar dat moois dat wij achterlaten, dat moet zelf ook wel weer iets moois achterlaten. En dát moois moet dan óók weer iets moois achterlaten. En zo door, anders heeft het alsnog geen zin gehad. En als ik dát denk, dan denk ik aan al mijn voorouders, die allemaal hebben bestaan om uiteindelijk mij te worden, die alleen zin hebben gehad als ik zin heb. En als ik dat denk, dan word ik misselijk. Nikki vraagt of ik wel naar haar luister.

’s Nachts doe ik alsof ik ook in dat bos lig. Doodstil lig te wachten terwijl het vocht uit de grond langzaam bij me naar binnen kruipt en mijn gedachten steeds stiller worden, steeds groener. Terwijl het bos zich met mij voedt. Terwijl er leven uit mij voortkomt.

Eigenlijk wil ik terug naar de plek waar we het plantenmeisje gevonden hebben, maar Nikki durft het bos niet meer in. Ze zegt dat als je één lijk in een bos vindt, de kans wiskundig gezien heel groot is dat je er nog één zult vinden. Terwijl, hoe weet zij dat nou? Maar wat Nikki niet wil, dat gebeurt niet, hoewel ík het eigenlijk was die het plantenmeisje had gevonden, of eigenlijk was ik een beetje met mijn voet op haar gaan staan, op haar enkel, en eigenlijk ook niet echt op, want mijn voet was dwars door haar heen gezakt, en toen was ik uitgegleden omdat het heel erg nat was daar. Maar dat had ik verder niet aan de rechercheur verteld, want dan leek het net alsof ik er wat mee te maken had of zo, hoe dan ook: Nikki durft het bos niet meer in. Nikki durft nog weinig dingen eigenlijk. Ze ligt hele dagen thuis op de bank, staart naar de muur en schrikt als de bel gaat. Ik moet dan kijken wie er voor de deur staat, verder merkt ze nauwelijks dat ik er ben.

Daarom ga ik op een zaterdagochtend niet naar Nikki toe, maar ga ik in mijn eentje terug het bos in. Zonder moeite vind ik de plek terug. De politie heeft er een slap lint omheen gehangen, maar er is niemand. Ik kruip onder het lint door en ga op de natte grond zitten. Laat mijn vingers sporen trekken door de aarde. Het valt me op dat er hier meer plantjes staan dan in de rest van het bos. Er piepen zelfs wat bloemetjes door de aarde heen. Het is eigenlijk best een mooie plek, zo. Ik blijf zitten tot de kou van de grond in mijn botten trekt. Mijn schouders beginnen te zakken, wat volgens mijn mentor betekent dat ik rustig word. Dit is wat er over is van het meisje, en van alle generaties voor haar: twee vierkante meter natuurschoon in een lelijke bosstrook. Een flardje leven dat zich met haar heeft gevoed, dat kan bestaan omdat zij ophield. Als dit verdwijnt, bedenk ik, dan had zij er net zo goed helemaal nooit kunnen zijn. De volgende ochtend fiets ik naar het tuincentrum. Ik koop een schepje, handschoenen en een grote zak potgrond. Dan ga ik naar de bibliotheek en haal een boek over tuinieren. Ik lees het in één ruk uit, en fiets terug naar het bos.

Vanaf dan kom ik hier elke vrije dag die ik heb. Nikki en ik zien elkaar steeds minder: terwijl ik hier ben, ligt zij thuis voor de tv langzaam te verdrinken in de kussens van de bank. De enige keren dat ze nog buiten komt is als de rechercheur haar weer eens op het politiebureau ontbiedt. Dan moet ze nog een keer hetzelfde verhaal vertellen, opnieuw en opnieuw, tot ze elke seconde heeft omschreven van die dag dat wij het meisje vonden. En als ze is uitgepraat knikt de rechercheur, hij dept het zweet van zijn voorhoofd met een zakdoekje dat hij vlak voor haar neus op tafel laat liggen en vraagt haar het nog eens te vertellen. En zij vertelt het nog eens, in de hoop dat hij dit keer wel zal luisteren. Ze is erg mager geworden. In haar hoofd is zíj het geworden die het plantenmeisje gevonden heeft. Is zij het geworden die door dat lichaam heen is gezakt, die is uitgegleden in de natte prut. En dat is een druk die ze eigenlijk niet aankan.

Mijn stukje bos floreert. Ik plant bloemen, wied onkruid. Elk weekend is er wel iets tot bloei gekomen. De meeste planten redden het, en degenen die het niet halen til ik heel voorzichtig uit de grond en begraaf ik, elke bloem en elke plant apart.

Maanden gaan voorbij. Iedereen weet dat ik hier mijn weekenden doorbreng. Soms komen jochies steentjes naar me gooien maar verder laat iedereen me met rust. Niemand is graag op plekken waar iets ergs is gebeurd; mensen houden niet zo van implicaties. ’s Avonds struin ik urenlang het internet af, op zoek naar de beste bloemen en planten voor ons klimaat, de beste kunstmest met de meeste mineralen. Nikki en ik zien elkaar niet meer. Op school zeggen ze dat de rechercheur haar nog steeds af en toe naar het bureau laat komen. Ze zeggen dat hij haar uren daar houdt. Ze zeggen dat Nikki moet huilen, steeds als ze herinnerd wordt aan de verschrikkelijke beproeving die ze zichzelf heeft aangepraat. Ik vind het zielig, maar echt missen doe ik haar niet. Ik heb nu het plantenmeisje om mee te praten. Niet dat we veel zeggen hoor, we zwijgen vooral. Luisteren samen naar het groeien van ons bos. Maar eigenlijk vind ik dat wel fijn. Stilte is niet altijd niets. Stilte is meer dan alleen een uitnodiging voor lawaai. Nikki begreep dat niet. Het plantenmeisje en ik, wij begrijpen dat.

1 reactie

Lot Hoijinck

zaterdag, 17:38

Erg mooi, betoverend en sereen.

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch