Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Het Simpele Leven

Door Anna Vink

Toen Mera bij het huis van de Dutras aankwam, was het op een warme middag in 1930. Ze kwam de net geborduurde lakens voor de Dutras brengen. Samen met haar nichtje Lia van 8 jaar. De tuinman van de familie Dutra, een man van weinig woorden, deed de ijzeren poort voor hen open. Naast haar tante liep Lia de goed verzorgde tuin in: met veel schaduw door onder andere de in bloei staande blauwe jacaranda met haar prachtige blauwe bloemen. Bij de stenen trap van het overdekte terras bloeiden roze struikrozen. Het landhuis, of sobrado, stond veel hoger dan de tuin. Om naar binnen te gaan, moest iedereen eerst de brede stenen trap oplopen. Het terras omringde de sobrado met een lage stenen muur met ijzeren leuning.

In de keuken stond een mollige vrouw achter een aanrecht. De huishoudster. Zij draaide zich om toen Mera en Lia de keuken in kwamen. De huishoudster was klein. Ze had een ongelofelijk mannelijk gezicht. “Dona Sofia vroeg net of je er al was” zei ze. Ze was net klaar met de afwas. Haastig, zonder naar Mera en Lia te kijken, droogde ze haar handen met een theedoek en liep naar de deur die haar binnenshuis bracht. Ze draaide zich nog even om en zei “Ik zeg tegen Dona Sofia dat jij er bent”. En toen was ze weg.

Mera keek niet verbaasd op van het koele ontvangst van de huishoudster. De huishoudster had het gewoon druk. Zodra ze in het deurgat verdween, vroeg Mera’s nichtje om water. Mera keek naar Lia’s gezicht. Lia had het warm. Haar krullende bruine haren plakten op haar voorhoofd.

Mera wilde wel graag water aan haar nichtje geven maar durfde niets in het huis aan te raken zonder het eerst te vragen. Ze beloofde dat haar nichtje water zou krijgen, zodra er iemand in de keuken zou komen.

Lia keek naar een porseleinen waterkan die op de zware donkere eettafel stond, naast een stapel boeken. De boeken, een stuk of vijf, roken sterk naar de liquor van jabuticaba. Mera legde het pakket dat ze bij zich had en haar kleine handtas op de tafel.

Mera ging op haar knieën voor Lia zitten.

“Ga even buiten in de schaduw zitten, Lia. Ik roep je gauw”.

Lia keek haar aan en keek daarna naar de waterkan. En liep gehoorzaam naar buiten.

Mera keek naar de waterkan en vervolgens naar de deur waar de huishoudster in was verdwenen. De geur van jabuticaba deed haar naar de stapel boeken kijken. De boeken stonden precies waar de zon, door twee brede glazen ramen, naar binnen scheen.

Mera liep naar de keukendeur die naar de tuin open stond. De lucht was een mengsel van blauw en wit. Zware witte wolken breidden zich in de lucht uit. Door die wolken nam de vochtigheid verder toe in de stad. Recife werd langzamerhand benauwder.

Mera zag via de open deur dat Lia op een stenen bank onder een boom zat. In haar mooie blauwe zondagse jurk. Door Mera zelf gemaakt. In haar eigen naaiatelier. Mera zorgde voor Lia sinds haar geboorte, nadat haar moeder er niet meer was.

Naast Lia lag een boek. De pagina’s sloegen af en toe om door de bescheide wind die er waaide. Wat zou het heerlijk zijn om op een bank te zitten lezen, dacht Mera even. In al haar 38 jaar, had ze nog nooit een boek gelezen. Ze kon niet lezen.

Zij keek weer naar de deur waar de huishoudster was verdwenen. Het was doodstil in dat huis.

Binnen keek ze even naar de keuken. Blauwwitte Portugese tegels. Zware donkere meubels. Blauwe en dure porseleinsets in zware en dure glazenkasten. Ze liep even naar het stapel boeken en boog zich om de boeken beter te bekijken. Druppels liquor hadden vlekken gemaakt op de roodachtige rug van de kaft.

Ze wilde net rechtop komen staan toen ze muziek hoorde. Iemand binnenhuis speelde piano. Een prachtige melodie vond ze. Prelude op 28 nr.4 van Chopin. Niet dat ze dat wist.

Chopin in een huis in een tropisch land. Ver weg van het Poolse Zelazowa Wola.

Nadat de pianiste was gestopt, na een weldadige, rustige afsluiting, bleef Mera nog aan de melodie denken.

Een aangename wind kroop binnen. Buiten was het ietsjes donkerder geworden. De zon verstopte zich tussen de wolken die niet meer helemaal wit waren. Het grijs begon te domineren. Het zou misschien kunnen gaan regenen.

Binnen verdween de benauwdheid niet met het zuchtje wind. Met een van haar handen, veegde Mera het zweet van haar getinte gezicht weg. Druppels zweet gleden ook vanonder haar korte krullende zwarte haren over haar nek en maakten de kraag van haar lichte jurk een beetje nat. Haar roze jurk, gemaakt van lichte stof, plakte bijna aan haar slanke lichaam.

Ze hoorde voetstappen in de gang achter de gesloten deur en voelde een opluchting. Ze fronste haar voorhoofd, toen ze merkte dat die voetstappen nooit van een vrouw zouden kunnen zijn. De voetstappen waren zwaar. De deur werd geopend door de schrijver Dutra. Eens binnen deed hij de deur langzaam achter zich dicht. Hij was heel lang. Mager. Hij was in de zestig. Met zijn rug tegen de deur, mompelde hij iets zonder naar haar te kijken. Zijn lichte bruine haren waren een beetje door de war. Na al die jaren dat ze voor de familie lakens maakte, was ze hem een paar keer in de tuin tegengekomen. Hij begroette haar altijd met zijn hoed. Hij was toen nog niet ziek. Ze wist sinds kort dat hij al een tijd aan een zeldzame vorm van dementie leed.

Mera keek naar hem. Ze wist niet wat ze op dat moment moest doen of zeggen. Hij rommelde met een hand in de binnenzak van zijn dure zwart pak. Hij was ondanks zijn ziekte, nog een charmante man. Hij bewoog zich in haar richting. Tot Mera’s verbazing liep hij zoals een bejaarde, wat hij eigenlijk nog niet was. Hij was langzaam. Voorzichtig. Hij bleef zijn hand in de binnenzak van zijn pak rommelen. Ondanks de hete dag, droeg hij een pak. Zwart. Duur. Aan zijn pak hing een gouden horloge aan een ketting. Zou dat nog nuttig voor hem zijn?

Voor haar stond een van de grootste schrijvers van het land. Maar zou hij dat nog kunnen herinneren? Hij liep langs Mera. Tot heel dichtbij bij haar. Ze leunde naar achter om hem langs te kunnen laten lopen. Daardoor raakte ze met haar rug de stapel boeken. De boeken vielen op de grond. Luidruchtig. Hij schrok er niet van. Mera juist wel. Op haar knieën raapte ze de boeken snel op. Toen ze klaar was, ging ze weer staan. Hij stond voor haar. Stil. Eerst met gefronst voorhoofd, daarna met een lege blik in zijn ogen. Gebogen hoofd. Starend naar de Portugese vloertegels. Mera zette langzaam en voorzichtig de stapel boeken terug op de tafel. Waar ze eerder stonden. Wanneer was het moment gekomen dat hij niet meer wist wie hij was? Als mens. Als man. Als zoon. Als een mens met dromen. Als een mens met het besef van ideeën, verlangen en gevoelens. En hoeveel keer per dag vreesde hij voor dat moment, toen hij nog niet zover was. Mera voelde zich als een inbreker op zijn privacy. Ze wilde daar niet zijn. En tegelijkertijd wel. Ze vermeed hem even. Ze keek opzij. Hij stond daar nog steeds naar de grond te kijken. Zo dichtbij haar. Ze wilde haar hand op zijn schouders leggen en zeggen dat ze het zo erg voor hem vond dat hij ziek was. Maar dat deed ze niet. Hij leek zo kwetsbaar. -Senhor Dutra.

Ze hoorde plotseling de stem van Dona Sofia die zijn naam riep. Ze stond bij de open deur. Haar stem klonk als een verre donderslag voor Mera. Ze had haar niet horen aankomen.

Dona Sofia liep langzaam naar Mera en haar baas toe. Ze begroette Mera met een glimlach.

“Loopt u mee?” Vroeg Dona Sofia vriendelijk en gaf hem haar arm.

Hij deed zijn arm om haar arm heen, zoals een kind.

“Een fijne dag, Mejuffrouw”. zei hij onverwachts.

“Dank u. U ook” zei Mera. Dona Sofia keek Mera even aan. Door Meras ogen zag Dona Sofia dat ze was geëmotioneerd. Dona Sofia raakte Mera met haar vrije arm aan als een teken van troost. Ze beloofde haar zo snel mogelijk terug te komen. Hij liep langzaam weer terug naar het binnenhuis, terwijl Mera naar hem keek. Mera heeft hem daarna nooit meer gezien.

Later liepen Mera en Lia buiten, nadat Lia water van Dona Sofia had gekregen. Het was niet meer zo warm.

Lia stopte even en keek naar het boek op de bank.

“Moet dat boek niet naar binnen? Het wordt nat”. Binnen, heel ver, klonk weer de piano. Deze keer Nocturne 9 nr. 1. Mera keek naar het boek – “Nee, Lia. Het moet blijven liggen”.

De regen begon langzaam te druppelen. Ook op het boek op de bank.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch