Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Het uur van de aardbei

Door Annemarie Wisse

In een raamloze witte ruimte staan ziekenhuisbedden.
Een vrouw, niet oud en niet jong, heeft een doos aardbeien in haar hand.
De vrouw was schoon vanochtend. Maar de dag is lang geweest. Misschien zijn de dagen wel
lang geweest.
Maar ze wás schoon.

(Enige voorinformatie: in het volgende fragment is ze nog niet bij het bed waar haar zwaargewonde zoon ligt. Ze praat tegen een andere soldaat: hoe ze probeerde haar zoon te redden, maar hij wilde niet vluchten voor dienstplicht.
De jongens hebben geen tong meer. In een aardbei zouden ze stikken.)

____________________________Pak je koffer, zoonspersoon.
Neem een zwembroek mee.
We gaan een weekendje weg en kijk me niet zo aan we gaan samen een weekendje
weg want ik wil ook nog een paar dagen gewoon gezellig met je hebben voor je
moet gaan ik wil al niet dat je gaat ik heb al gezegd je krijgt mijn kind niet mijn kind
is aan mij ik was het er niet mee eens en ik ben het er niet mee eens en een goede
generaal hoeft nooit aan een gevecht te beginnen die heeft ze al lam voor ze hun
kanonnen durven om te draaien en we gaan gewoon een weekend aan zee zitten
alsof een weekend een weekend is en dat doen we en we gaan dus pak je
zwembroek en een handdoek en trek toch een paar slippers aan waarom moet je
met die warme dagen steeds met die grote schoenen en die dikke sokken aan lopen
en je hele kamer stinkt er naar en ja je gaat mee je bent over twee weken pas
achttien en tot die tijd doe je maar wat ik zeg.

__________________________Draai je oog naar me
Als ik jou had laten vliegen naar een warme uithoek van de wereld. Was je gegaan?
Ja.
Hij was gegaan.
Waarom niet de lichtheid kiezen?
Je rug laten wennen aan het hete zand en de beige benen die boven je uitsteken tot
aan de sterren en je weet wat er tussen zit voor jou. En dat ze voorover buigt met
lange haren en je trekt er aan tot ze over je heen valt.

Nu zijn we allemaal hetzelfde geworden.
Dus kan ik ook eerst met jou praten.

Jij was wel gegaan.
Er is een lege stoel naar de andere kant van de wereld gevlogen.
Een stoel met alleen maar lucht er op, zonder zoon er op.
Ik had geen tijd om een nieuwe uit te zoeken.
En te zeggen: hier ticket, hier geld, ga pak je gitaar, je kan mooi spelen, speel wat
voor me-

Ik denk wel eens dat ik een beetje te weinig zijn publiek ben geweest.

Eén van de laatste stoelen die nog door de lucht ging.
Ik had zijn bagage al weggestuurd.
Naar een adresje.
Voor alles is ineens een adresje gekomen.
Ik heb een adresje voor aardbeien.
Adresje voor dollar.
Adresje voor ticket.
Ik kon me wel voor de kop slaan.
Ik had alle liefste foto’s naar adresje aan warme kant van de wereld gestuurd.
Als ik jou een ticket had gegeven. Zo in je handje.
En cash.
Jij was door het douanepoortje gegaan, toch?
Niet huilen, ik huil ook niet.

_____________________________Je moet gaan
Ik ga niet
Je moet gaan
Waarom ga je niet
Omdat ik niet ga
Ik zie dat hij niet gaat gaan
Zijn ogen draaien weg

_______________________________Men neme een aardbei en stoppe hem in de oogkas
En dan met die groene kransjes middenvoor
De frisss-ste blik op de wereld is geen blik op de wereld
Maar
Je kan toch geen aardbei in een oogkas duwen
Natuurlijk kan je een aardbei in een oogkas duwen
Je moet alleen niet een te rijpe gebruiken want dan knijp je ‘m fijn
Daarom zijn dit ook zulke goeie
Met nog witte stukjes om het kransje
En er zijn best heel veel mensen die het zonder heel veel dingen moeten doen
En die wonen bijvoorbeeld in een tentje
Met een aardbei in hun oog

Olek had ook geen oog
Hij had een knikker
Geen aardbei
Hij loopt langs ons huis als hij naar school gaat
Zo, daar hebben we Olek, zegt vader
Worden we rood?
Als hij ‘we’ gaat zeggen weet ik dat ik niet weg kan
‘We zien dat meisjes die rood worden over het algemeen minder boterhammen
gaan eten.’
Ik moet aan tafel blijven zitten

_______________________U ontkent dus niet dat u deze brief heeft geschreven?
‘U heeft strepen en rangen en bent baas over mannen
Maar ik ben baas over mijn kind
Waarom is mijn kind ineens uw kind geworden?
Ik heb uw oproep opgegeten
Ik kom in de nacht en werk uw hersenen met een breinaald naar buiten en punnik er
een paar sokken van.’
Wij begrijpen natuurlijk dat u uw zoon een uitzending wilt besparen

Ik ben niet gek

In het vak noemen we waar u aan lijdt een stresssyndroom.
Een waan wordt getriggerd door de druk

Ik ben wel gek

We willen uw lijden verlichten, want wij vinden dat wij als instituut, wat wij uiteindelijk
natuurlijk zijn, toch ook wel een zekere verantwoordelijkheid hebben jegens uw
welbevinden. U zult alleen begrijpen, zeker ook met uw achtergrond, dat dit geen
tijd is waarin uitzonderingen gemaakt worden. Uw zoon gaat. En daarmee is de kous
af.
U wilt echt niet zitten?

Ik geloof dat ik het ben die gilt.

Ik heb u vast
Ik heb u vast
Ik wou dat u mijn moeder was
Uw lichaam is warm en hard
Ik wou dat u mij vastgehouden had en laat mij dit niet doen
Laat me u niet hier houden
Als u mij nu bijvoorbeeld-
Bind in, moedertje-
U wilt uw kind toch door de haren strijken
Een nacht in bed nemen
Of mag u hem al niet meer knuffelen?
Ik zou het wel weten met zo’n moedertje dat ook nog eens kan schieten.

Generaal, u hangt zo over mij heen gebogen straks gaat u nog lekken uit
uw oren op mijn zijden bloes

Mij helpen moet vermoeiend zijn.
Hij moet helemaal over mij heen liggen om uit te rusten.

Laat ze niet zeggen zonde van je talent
Dat je in je matras gedrukt ligt.
Talent is flauwekul.
Er groeit vanzelf wel ergens een tak uit één van die pinnen die ze in je benen hebben
gestoken en dan blijk je ineens weer wat te kunnen.

Ik had ook geen talent.
Maar ik kon schieten.

Rust even uit
Doe uw ogen dicht
En zie een meisje, generaal…
U mag haar zo mooi maken als u wil
Met dikke golvende haren tot aan de kuiltjes boven haar billen.
Haar warme billen kunnen glimlachen
Natuurlijk zijn haar billen warm
Je hebt ze in je handen
Je kan ze iets uit elkaar trekken als je wil want dit is een sprookje. Maak haar mooi.
Kleed haar aan in je gedachten, want ik weet dat ze nu nog naakt is. Kleed haar maar
aan. Misschien zijn jullie wezen zwemmen en gaan jullie nu naar de stad en knoop je
haar jurkje dicht, iets met een sluiting aan de voorkant en je voelt de warmte van de
zon uit haar huid stralen.
Heb je haar?
Jullie gaan de stad in en jij drinkt bier op een terras en zij gaat langs
de markt eten halen. En ze vindt onder de aardappelkraam een hondje. Een klein
hondje. Zo’n bolletje met nat neusje en ze buigt ernaar toe om het te aaien en
het hondje springt op en bijt in haar gezicht met scherpe tandjes in haar hele
neus en het hondje scheurt haar wang tot haar oor kapot. Het meisje ligt op de straatstenen tussen marktkramen maar het lijkt of niemand haar ziet.
Want mensen zijn gaan rennen en rennen tussen de kramen en pakken eten dat ze in
grote gekleurde tassen stoppen en als die vol zijn stoppen ze eten onder hun oksels
en worsten hebben ze tussen de tanden en lopen over de benen van je vriendin en
die breken. Het hondje is blijven zitten en is aan het bloed op haar gezicht gaan
likken. De tong gaat over het open vlees. Je vriendin trekt samen. Dan kruipt het
hondje tussen haar borsten en valt in slaap. Het is warm tegen haar. Ze sleept zich
onder de kraam, zodat niemand meer op haar kapotte benen staat. Ze schuift haar
tas onder haar hoofd. Terwijl de leeggeroofde markt ligt als een asvlakte zijn je
vriendin en het hondje een soort gelukkig.
Waarom springt een hondje in het gezicht van een meisje en scheurt haar open?
Waarom slaat een raket in een kerk waar mensen zitten te bidden om wat dan ook.
Als je wist dat dát ging gebeuren; had je je vriendin naar de markt laten gaan?
Nee.
Of denk je och dat hondje? Nee toch?
Fuck het hondje.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch