Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Het verduisterde licht

Door Veronique Mooi

Alles verandert

Niets blijft hetzelfde

Niets blijft bestaan

De moed om los te laten

Om te laten gaan

De moed om verdrietig te zijn

En om verder te gaan

De pijn te verdragen

En er morgen

Weer minder is om te dragen

Nadat ik nog een glas wijn voor mezelf heb ingeschonken staar ik weer naar buiten. Sinds twee weken is er weer leven waarneembaar in het vervallen huis aan de overkant. Volgens de buurvrouw spookt het daar. Geen hond die het huis daarom wilde hebben. Behalve mijn nieuwe overbuurman. Hij lijkt nog niet zo oud. Ergens eind 20 schat ik. Het is een slungelige jongen met een blonde onverzorgde coupe. Ik heb hem tot nu toe twee keer naar buiten zien komen, waarschijnlijk om boodschappen te doen. Twee keer lijkt me weinig in twee weken. Hij intrigeert me. Ik neem een grote slok en sta op om de lege fles weg te zetten. Misschien moet ik er gewoon eens langsgaan om een praatje te maken. Mijn telefoon gaat over. Ik zie dat het Pim is en voel me betrapt. Snel neem ik op.

‘Hé schatje, hoe is het daar? Heb je het leuk?’

‘Ja, ja, het is hier geweldig baby.’ Er volgt een vluchtige stilte. ‘Ik belde alleen om te vertellen dat ik hier nog twee weken langer moet blijven. Voor werk, weet je wel. Vind je niet erg toch? Je vermaakt je vast prima daar.’ Op de achtergrond hoor ik een vrouwenstem roepen dat hij op moet schieten omdat ze nu echt richting het restaurant moeten en de taxi voor de deur staat.

‘Ik moet gaan, maar jij vermaakt je wel zonder mij toch. Doei baby, kusje.’

Ik blijf verbaasd naar mijn telefoon kijken en weet niet wat ik ervan moet denken. Ik merkte al langere tijd een afstand, maar had dit afgedaan als stress omdat hij het spannend vond om naar New York te gaan. Zoals ik voor alles een excuus heb bedacht de afgelopen tijd bedenk ik me nu. Mijn leven voelde de laatste maanden als een te krappe jas, die je toch steeds weer aantrekt omdat je er geen afscheid van kunt nemen. En niet meer zeker weet of je hem nu te krap gekocht hebt omdat je hem zo graag wilde of dat hij ineens krapper is geworden.

Ik loop naar het raam om de gordijnen dicht te doen. Het is gaan regenen. Zo hard dat zich al kleine plasjes hebben gevormd. Aan de overkant zie ik ineens beweging. Het lijkt wel… Door de verwilderde tuin heen zie ik achter het raam een mooie vrouw staan met lange donkere krullen die over haar prachtige naakte borsten vallen. Ze leunt tegen de tafel. Hij komt tegen haar aan staan en duwt haar een stukje naar achteren zodat ze op tafel komt te liggen. Dan kijkt hij plotseling op en loopt naar het raam om de luxaflex verder dicht te draaien. Shit, zou hij gezien hebben dat ik naar ze stond te kijken. Snel trek ik de gordijnen dicht.

Wat moet zo’n beeldschoon meisje nou bij deze onverzorgde man in dat vervallen krot. Ik kijk rond in mijn eigen huis. De hoge ramen, de strakke meubels die Pim heeft uitgekozen. Het lijkt zo uit een Woonmagazine in ons huis geplakt. Spullen brengen herinneringen met zich mee zeggen ze altijd. De enige herinnering die ik erbij heb is dat ik met Pim heb meegekeken online wat hij wilde hebben en dat het daarna bezorgd werd door twee ongelofelijk knappe mannen die ook uit een of ander tijdschrift leken te komen. Pim probeerde ze zo snel mogelijk weer de deur uit te werken. Ik vond het lief dat hij zo jaloers was.

Ineens rollen de tranen over mijn wangen. Ik word overvallen door een intens verdriet. Is dit nu het leven waar ik altijd zo van droomde? En wie is eigenlijk die vrouw die ik op de achtergrond hoorde? Hij heeft me helemaal niet verteld dat er ook een vrouwelijke collega mee zou gaan.

Ik schrik op uit mijn gedachten doordat er aangebeld wordt. Ik veeg mijn tranen weg. Het is al na tienen. Wie kan er nou voor de deur staan op dit tijdstip. Ik schuif het gordijn een stukje opzij om te kijken. Ik kan het niet goed zien. Er staat iemand die vluchtig om zich heen kijkt en heen en weer staat te wiebelen op zijn benen, alsof hij in paniek is. Ineens kijkt hij me recht aan. Ik sluit snel het gordijn. De bel gaat nog een keer. Ik adem een keer diep in en uit. Ok, rustig aan. Ik loop naar de deur en doe open.

‘Ze is overleden.’ Zijn ogen zijn groot en hij maakt drukke gebaren.

‘Waar heb je het over?’ vraag ik. Ik knip snel het licht aan. Zijn gezicht is rood en bezweet.

‘Ze is overleden’ zegt hij nogmaals om zich heen kijkend. ‘Ze leeft niet meer. Ineens was ze weg. Geen hartslag, niks.’ Ik staar hem aan. Hij veegt wat zweet van zijn voorhoofd. ‘Ik zag hier licht branden. Wat moet ik doen, wat moet ik nu doen.’ Ik blijf verstijfd naar hem kijken. Waarom staat hij hier en heeft hij niet direct 112 gebeld. Jezus, zou hij haar vermoord hebben. Nee natuurlijk niet, dan kwam hij dat niet hier melden. Of juist wel om het te doen lijken alsof het niet zo is.

‘Bel 112 en laat mij erbuiten.’ Ik doe zo snel mogelijk de deur dicht en haast me naar de woonkamer. Ik sta te trillen op mijn benen. Mijn hart bonst in mijn keel. Alsof ik een toespraak moet houden voor een zaal vol directieleden die me bij voorbaat al afkeurend aankijken. Gek genoeg vraag ik me toch af of ik hem niet moet gaan helpen. Terwijl mijn onderbuik aangeeft dat hier iets helemaal mis is. Ik moet weer rustig worden, voordat ik mezelf gek denk van angst. Ik drink mijn glas wijn leeg en loop naar de keuken om de whisky van Pim te pakken. Ik schenk mijn glas vol tot de helft en neem een paar grote slokken. Daarna schenk ik nog wat bij. Een diepe zucht ontsnapt uit mijn keel. Ik doe het licht uit en loop naar het raam om het gordijn een stukje opzij te schuiven. Ik zie niets. Alles is donker aan de overkant. De buurvrouw lijkt gelijk te hebben met haar spookverhaal. Of misschien wil ik dit graag geloven zodat ik er niet over na hoef te denken wat er echt gebeurd kan zijn.

Mijn hart blijft in mijn keel kloppen. Ik probeer Pim te bellen. Hij gaat over op de voicemail. Ik spreek niet in. Hij zit nu natuurlijk allang aan de borrel met die ‘collega’. Hoe heb ik ook zo dom kunnen zijn om hem te blijven vertrouwen. Ik pak mijn telefoon weer op en toets een nummer in. Ik ken het uit mijn hoofd. Direct wordt er opgenomen.

‘Ha Luisa, dat is lang geleden.’

‘Ja, ja… Inderdaad, dat klopt’ stotter ik. Ineens weet ik niet meer waarom ik hem bel.

‘Gaat het wel met je?’ vraagt hij. Ik barst in tranen uit.

‘Moet ik naar je toe komen?’

Door mijn tranen heen mompel ik dat dat niet nodig is. Ik druk hem weg.

Hij belt weer. Ik laat hem overgaan. Daarna belt hij nog een keer. Ik schakel mijn telefoon uit.

Alles in mijn lichaam schreeuwt dat ik hier weg moet. Ik loop naar zolder om mijn koffer te zoeken. Ik leg hem op de boxspring, pak een paar kledingstukken uit mijn inloopkast en loop met de koffer naar beneden. In de keuken pak ik nog wat te eten. Ik hoor nu meerdere sirenes, maar wil niet kijken. Ik loop met mijn koffer naar buiten en draai de deur op slot. Dit huis. Dit leven. Ik kijk ernaar en draai me om en loop de tuin uit richting het station. Dit had ik al veel eerder moeten doen. Mijn hoofd voelt lichter. Licht in de duisternis. Morgen weer een nieuwe dag.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch