Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Hoe de hond heet

Door Marron Das

In de eerste instantie zijn ze bij een afhaalchinees. Een afhaalchinees is een fijne locatie voor een begin, omdat ze er vrijwel altijd een groot aquarium hebben waar mensen in staren als in een haardvuur. En ook omdat je weet: hier kan ieder moment een bezorger binnenkomen, zijn armen als een heftruck voor zich uit, en daarop een hond die hij net heeft aangereden met zijn bezorgscooter. Hij vraagt of iemand de hond kent of anders een dierenarts, en dan blijkt dat deze bezorger helemaal niet bij de chinees hoort maar bij een pizzeria aan de andere kant van de stad. Eentje die, in tegenstelling tot deze chinees, enkel bezorgt en waar hij snel naar terug moet, omdat hij nu eenmaal aan het werk is.
Hond of geen hond.
Hij heeft gedaan wat hij kon zegt hij. Soms is dat minder dan je zou willen, dat weet hij goed.

In dit begin kennen ze elkaar nog niet. Cootje houdt niet van Chinees eten en ook niet van Chinezen althans niet in hetbijzonder, maar vooral houdt ze niet van koken.Wel houdt ze van vissen en precies in het aquarium van deze Chinees zwemt een vis die de hele dag met zijn gezicht tegen het glas duwt. Hij heeft daardoor een bult op zijn mond ter grootte van een doperwt en in een kleur die lijkt op die van de restvan de vis, maar dan lichter; doorschijnend. Alsof er op de oranje neus een prop opgedroogde, transparante lijm zit.
Altijd als ze haar eten ophaalt kijkt ze naar de vis en vraagt ze zich af: is dit eelt van het zwemmen tegen het glas, of zwemt de vis tegen het glas omdat hij er zich door die bult toe genoodzaakt ziet, bijvoorbeeld omdat de bult jeukt of omdat de vis anders zijn evenwicht verliest, of is er geen enkel verband, of een verband dat zij niet kan bedenken?
Ze zit op haar hurken voor het aquarium, ze kijkt naar de vis, ze denkt na over de bult en dan is er een bezorger met een hond.

Ellen, die Cootje hier dus nog niet kent, komt niet voor eten. Ze komt iemand iets vertellen. Wat precies blijft onbekend, want degene waarvoor het bedoeld is blijkt er niet te zijn. Ellen is er nu feitelijk enkel om Cootje op te halen, al kunnen ze dat zelf op dit moment onmogelijk weten.
Het gaat zo:de bezorger komt binnen met zijn heftruckarmen voor zich uit. Hij zegt dat hij een hond gevonden heeft, die die nu op zijn armen ligt. Of eigenlijk: hij heeft de hond eerst aangereden en toen gevonden in de bosjes waarin hij was weggekropen, waarschijnlijk van de schrik.
Dat hij naar hier is gekomen, dat hij hulp nodig heeft omdat hij pizzabezorger is en geen dierenarts, dat hij wel dierenarts had willen worden maar dat hij, zoals iedereen kan zien, nu toch pizzabezorger is. Dat hij gedaan heeft wat hij kon.
En dan legt hij de hond voor Cootje op de grond. Zij begint meteen te huilen. Geen stille tranen gevolgd door een snik die uiteindelijk (helaas) niet meer te onderdrukken is: nee.Tranen met uithalen vanaf het eerste moment.

Omdat Cootje de hond kreeg toegeworpen en meteen hard is gaan huilen, vindt ze dat ze niet zomaar kan weg lopen. Dat had gekund als ze bijvoorbeeld haar neus had opgehaald omdat de hond stonk, of als ze had gedaan alsof ze niet tegen bloed kon. Nu ze huilt, dat doet ze nog altijd, moet ze blijven omdat ze anders de indruk zal wekken dat er geen verband is tussen het huilen en de hond. De mensen (de andere wachtenden, de koks, het meisje dat alle bakjes inpakt in grijze vellen papier en daarna in plastic tasjes) zullen zich afvragen waarom dán dat huilen.
Met die kwestie wil ze niemand opzadelen. Ze is daarvoor te beleefd. Ze doet alsof de hond van haar is.
Omdat degene die ze iets wilde vertellen er niet is, heeft Ellen hier verder niets te zoeken. Ze staat in de deuropening als Cootje met de hond over haar schouder naar buiten loopt.

Nu kennen ze elkaar. Ellen heeft gezien dat Cootje van plan was de hond op haar fiets mee te
nemen. Ze heeft gezien dat het een Duitse herder is. Ze weet dat het onmogelijk is een Duitse herder met een fiets te vervoeren, tenzij hij er naast kan lopen. Ze heeft aangeboden Cootje en de hond, die kennelijk bij haar hoort, met de auto naar een dierenarts te brengen.
Daarbij moet gezegd dat geen van hen een dierenarts kent. Dat weten ze nog niet van elkaar, zoals

ze ook niet weten dat geen van hen geïnteresseerd is in de hond. Dat laatste zal zichzelf oplossen als ze straks een dierenarts vinden die hem laat inslapen met een overdosis ketamine.
Ellen vraagt of ze de hond voor de deur had laten wachten. Cootje haalt haar schouders op. Ellen vraagt of hij niet goed vastzat. Cootje haalt haar schouders op.
Ellen vraagt hoe de hond heet.
‘Cootje,’ zegt Cootje, nog altijd snikkend, ‘ik denk Cootje.’
‘En hoe heet je zelf?’ vraagt Ellen, waarop Cootje zegt dat zij ook Cootje heet, en Ellen vertelt dat ze Ellen heet.

Later is het zo dat Cootje en Ellen door het bos lopen. In de auto lag een bal. Die hebben ze meegenomen, net als de dode hond.
Zoals gezegd hebben ze een dierenarts gevonden die heeft geconstateerd dat de hond niet meer te redden was. Althans niet zonder een zeer hoge rekening. Voor veelgeld zou hij zijn uiterste best wel doen, maar zelfs dán… ‘Hoe dan ook,’ had hij gezegd, ‘er blijft een goede kans dat hij het niet redt.’
De andere mogelijkheid die hij genoemd had was dat de hond het zou overleven, maar dat hij een kasplantje zou worden. Dat wil zeggen, het dierlijke equivalent daarvan: een ongelukkige hond met misschien maar drie poten en waarschijnlijk zonder staart, sowieso met eindeloze pijn aan de ledematen die hij nog wel had. Hij zou niets anders meer willen dan in zijn mand liggen, voorspelde de dierenarts. ‘In dat geval kun je beter een visje in een aquarium stoppen,’ had hij gezegd, ‘een visje kwijlt niet, en het is veel en veel goedkoper.’

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch