Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Hoe was het op school vandaag?

Door Cornelie de Jong

Als de traumavrouw er eindelijk is, vraagt ze wat ik wil drinken, waarna ze zonder mijn antwoord af te wachten naar de gang stommelt. Weer ben ik alleen in het kamertje van mevrouw Teunissen. Ik pak het geeltje met het telefoonnummer van de ouders van Berend uit 2B van het prikbord en plak het op het rode schilderij dat zo vol verfklodders zit, dat je de halve school er mee had kunnen kleuren.
Vlak voor ze terug is, gooi ik mijn geodriehoek tegen het plafond en neem een slok van de vlierbloesemsiroop van mevrouw Bos, waarbij ik niet probeer te denken aan plas in een zwembad.
‘Heb je het koud?’ vraagt de traumavrouw als ze mij ziet rillen. Ze zet het bekertje voor mij neer en loopt naar de verwarming, die natuurlijk uit staat.
Eindelijk gaat ze zitten. Ze glimlacht langdurig en voor de zekerheid kijk ik of er iemand achter mij staat die ze wél kent.
‘Zoo’, begint ze op een toon die doet denken aan een zangoefening.
‘Dat is niet niks wat er zojuist is gebeurd’
Ik wacht, maar ze lijkt alweer uitgepraat.
‘Eigenlijk heb ik het verschrikkelijk warm’, zeg ik, want hoewel het kneiterheet is, heeft mevrouw Bos het raam dichtgedaan.
‘Wil je erover praten?’
‘Over het weer?’
‘Over wat er net is gebeurd’
‘Nee’
‘Zullen we anders een spelletje doen?’
‘Waarom?’
‘Dat lijkt mij leuk’, waarna ze een doosje uit haar tas haalt.
Verbaasd kijk ik haar aan. Wil ze nu echt gaan Pimpampetten?
Het dametje lijkt nog ouder dan mijn oma en ik vraag mij af in welke grot ze die idiote uilenbril en bloemetjesjurk heeft weten te vinden en belangrijker nog, waarom ze ze niet heeft laten liggen.
‘Was je alleen?’
‘Wanneer?’
‘Toen het gebeurde’
Hoewel het voor haar vast ook niet makkelijk is, zou ze best wat preciezere vragen kunnen stellen. Maar goed, mocht ze het echt willen weten: toen dat wat we nu blijkbaar het noemen, gebeurde, stond ik alleen in het lokaal voor de mineralenkast.
‘Wat deed je bij die kast?’
‘Staan’
‘Waarom?’
Mijn benen plakken aan mijn stoel en mijn oksels vormen een waterballet. Ik pak het bekertje van tafel, maar zet het weer terug. Heeft die verschrompelde rozijn nu serieus warme chocolademelk meegenomen?
‘Ik keek naar een stuk pyriet’, zeg ik zo verveeld mogelijk, waar ik om onduidelijkheid tegen te gaan, aan toe voeg dat dat ook wel klatergoud wordt genoemd.
‘Hou je van stenen?’
Dat is dus weer zo’n vraag waar ik niets mee kan. Ik weet inderdaad het een en ander van mineralen en fossielen, maar het is niet zo dat je mij blij kunt maken met een baksteen, mocht ze dat soms denken.
‘Moet ik niet naar de les?’
‘Er zijn vandaag geen lessen meer’
Verbaasd zoek ik een klok, want ik kan mij niet voorstellen dat het achtste uur al voorbij is.
‘Zal ik je ouders bellen?’
Dat vroeg Bos ook al, maar dat ligt best ingewikkeld, want ik weet niet zo goed bij wie de maandagochtend hoort. In eerste instantie zou ik zeggen: mijn vader, want hij heeft mij gebracht, maar meestal moet hij naar klanten en die zitten allemaal ver weg. Aan de andere kant werkt mijn moeder hier in de buurt en daar kan ik altijd naar toe, maar dat is natuurlijk weer niet leuk voor mijn vader. Het is waarschijnlijk het simpelst om gewoon tot studiebegeleiding te wachten en daarna naar mijn moeder te gaan.
‘Blijf je lang bij je moeder?’ vraagt de traumavrouw, wat best weer een lastige vraag is. Op dinsdag hebben we normaal tot het zevende, maar deze maand heb ik spoedcursus rekenen en omdat dat dichter bij mijn vaders huis is, ga ik daar dan heen, maar morgen valt de cursus uit, dus dan blijf ik bij mijn moeder, al zei mijn vader vanmorgen dat hij daar nog over zou bellen.
De traumavrouw kijkt mij afwachtend aan en om verdere vragen voor te zijn, besluit ik het hele weekschema maar door te geven. De woensdag is wat wisselend, maar dat komt door project. Als we een gewoon project hebben, ga ik naar mijn moeder, maar laatst moesten we bijvoorbeeld naar een waterzuiveringsfabriek en omdat dat een uur fietsen was, bleef ik bij mijn vader, zodat ik niet zo veel heen en weer hoefde te fietsen. Dat geldt ook voor als project uitvalt, want dan heb ik meer tijd om te reizen, waardoor het makkelijker is om naar mijn vader te gaan.
Op donderdag ga ik om de week naar opa en oma en de andere week is mama thuis en op vrijdag heb ik weer huiswerkbegeleiding. Als ik in het weekend bij mijn moeder ben, ga ik met de bus naar huis en als ik naar mijn vader ga, komt hij mij halen.
Het vrouwtje kijkt mij lang aan, waarbij haar ogen doen denken aan een Golden retriever die ziet dat je weggaat. Hoewel ik niet van plan was iets los te laten, hoor ik mijzelf zeggen dat mijn ouders er trots op zijn dat er altijd iemand voor mij is.
‘En wat vind jij daarvan?’
‘Fokking irritant!’
Het floept eruit als een scheet in de kerk, maar als het traumavrouwtje de twee woorden herhaalt klinken ze kernachtig en precies goed. Want laten we eerlijk zijn: ik ben bijna zestien en nooit eens alleen thuis. Ik woon in drie huizen en iedereen is zo mega geïnteresseerd in mij dat mijn vrije tijd vooral bestaat uit verslaglegging over hoe de schooldag was.
De mevrouw van de trauma’s knikt begripvol, maar als ze zegt dat ze anders allebei mijn ouders wel belt, schrik ik, want dat is echt out of everything. Voor je het weet staan ze hier allebei, terwijl ze niet met elkaar praten en dan wordt het echt awkward.
De mevrouw maakt een aantekening en vraagt of ik nog wat wil drinken, wat ik voor de zekerheid drie keer af sla.
‘Kun je mij vertellen wat er is gebeurd?’
Ik dacht dat ik dat al had gedaan, maar misschien is dit wel een soort verhoor, dus probeer ik zo normaal mogelijk te praten. Ik leg mijn hand op het stuk pyriet in mijn broekzak en scrol door wat de laatste les van Kwakje blijk te zijn geweest. Ik slik, waarbij het lijkt alsof ik mijn mond met koffie heb gespoeld.
Het erge is dat mij niets is opgevallen. Als je het mij vraagt, was het een gewone les, waarbij we niet meer liepen te zieken dan anders. Kwakje had het over de verstening van het landschap en hoewel dat mindfucking saai is, was zijn verhaal over de mega tuintegels van zijn buren best grappig, vooral als je bedenkt dat hij in dezelfde flat woont als Eliza. We hadden het halverwege op de app nog even over de weddenschap wanneer hij eindelijk zijn haar gaat kammen, maar dat was gewoon grappig bedoeld, net als die opmerking dat hij op een vogelverschrikker lijkt.
‘En wat heb je precies gezien?’
Nu ik erover nadenk is er vooral veel dat ik niet heb gezien. Ik heb niet gezien of Kwakje net als anders het bord met Wc-papier heeft schoongemaakt. Ik heb niet gezien of hij de snoeppapiertjes achterin het lokaal heeft verzameld en de tafels heeft teruggeschoven. Ik heb niet gezien of hij onze atlassen heeft opgeruimd en ik heb niet gezien of hij zijn pen uit zijn broekzak heeft gehaald en zijn kopje Cup-a-soup heeft opgedronken. Ik heb niet gezien dat hij in de vensterbank is geklommen, ik heb niet gezien dat hij sprong en ik heb niet gezien hoe hij keek voordat hij te pletter viel.
Ik weet alleen dat ik met dat fokking stuk pyriet stond te staan en dat ik een plof hoorde alsof er een weekendtas viel. Toen pas merkte ik dat ik alleen in het lokaal was en het eerste wat ik zag was de poster van de arctische ijsschots boven het bord en gek genoeg krijg ik dat beeld niet uit mijn hoofd.
Natuurlijk heb ik naar beneden gekeken, maar echt fijn ziet er niet uit als iemand van vijfhoog op het graniet knalt. Roerloos lag Kwakje op het plein. Zijn hoofd was gedraaid en zijn been geknakt. Even leek ik naar een foto te staren. Toen kwam Fred aangerend, maar vlak voordat hij bij Kwakje was, hield hij stil. Verbijsterd keek hij omhoog en toen hij zijn blik in de mijne boorde leek het alsof iemand een ijsblok in mijn nek duwde. Het enige dat ik wist te doen was het volgen van de vliegtuigstrepen in de helderblauwe lucht boven mij. Zodra ik weer naar beneden durfde te kijken lag Kwakje helemaal alleen op het plein onder een stuk folie. Vanaf de fietsenstalling stonden een paar brugklassers te filmen, waarbij ze hun mobiel richtten op de bovenste verdieping van het gebouw waar ik versteend uit het raam stond te staren.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch