Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Hoog Octaan

Door Erwin Rond

Goedkoper tanken, juist over de grens, Hollandser kan het niet. Maar het brandstoflampje prikt nu feller in mijn ogen dan ooit. GPS geeft goede raad; een tankstation op een paar kilometer. Twee stel samengeknepen billen ontspannen gedeeltelijk, want het is de vraag of er nog iemand is, tegen achten. Misschien heeft de ijzige harde wind ze vast gehouden, fantaseren we het geluk wat onze kant op. Ik durf niet sneller, het smalle weggetje gaat steeds steiler omhoog en de meter zit al lang tegen de aanslag. Opeens doemt onze verlossing op in het koplamplicht. “Crush Orange; as if angels pee over your tongue!” prijkt in vette oranje letters op een reclamebord. We hebben nooit eerder van dat drankje gehoord en vinden de slogan op zijn minst… dubieus. In de wetenschap dat op woeste hoogten men eigen jargon bezigt, geloven we de boodschap van harte. Zolang die andere vloeistof, voor die andere tank, daar ook verkrijgbaar is. Onze ogen zoeken snel verder in het duister. Twee oude pompen onderscheiden zich van een donkere gammele keet. Er blijkt niemand aanwezig op de plek waar we een vriendelijke gedienstige hulp, met in de ene hand de slang en in de andere hand desnoods een blikje van die Crush, hoopten aan te treffen.

Plots neemt die hoop toe; het schaarse licht kaatst terug op een Pinautomaat. Een Pinautomaat? Hier, waar de tijd generaties lang heeft stilgestaan? Het zal me ook wat, snel tanken en als de donder wegwezen. Met bevende hand steek ik mijn pas in de gleuf en volg gehoorzaam de instructies. Het verlossende “U kunt tanken aan pomp 1” verschijnt. De slang zit vast aan een roestige plaatstalen pomp met een vervaagd, bijna onleesbaar telwerk. Geen streep verlichting voor de klant, ze hebben kennelijk heel andere dingen aan hun kop, zoals de onderonsjes in de kleine gemeenschap, generatie na generatie. Verder antropologisch analyseren zit er niet in want er komt geen druppel benzine. Ik loop terug naar de Pinautomaat steek nogmaals mijn pas in de gleuf en zie hem met een rotgang in het apparaat verdwijnen. Verbijstering maakt snel plaats voor blinde woede. Dit is helemaal geen Pinautomaat! Het is niets meer dan een opening om me die kaart te ontfutselen! Ik ben gefopt! Mijn hart bonkt nu tot in de bovenkant van mijn hersenpan. Geen brandstof. Erger, mijn pas is weg en zonder pas geen peut. Nergens meer.

Dit is onraad, het is hier niet pluis, dit kan niets anders zijn dan duivelse opzet. Ze hebben nu mijn pas in bezit en vast en zeker ook de Pincode opgenomen. Het zal me niets verbazen als er iemand nu al bezig is mijn rekening te plunderen. Ik moet ons vege lijf redden, als de donder wegwezen! Wacht… bergaf kost geen benzine, we zijn dan weer in de veilige bewoonde wereld. Ik spring terug in de auto, start en stuif met slippende banden in opspuitende modder weg. Maar dat duurt niet lang, want de snelheid neemt meteen weer af, alsof een elastiek ons terug trekt. Ik trap snel op de rem, om niet met een rotgang tussen die akelige pompen te belanden. Mijn voet trilt als een gek op het rempedaal. De slang! Ik ben vergeten de slang uit de tank te halen. Ik haal de handrem aan en stap snel uit om mijn kapitale fout te herstellen. Maar wat ik ook doe, trekken of draaien, dat kreng zit muurvast. Het is ook helemaal geen slang, het lijkt meer op een streng, zoals voor bungeejumpers.

Opeens gaat de schakelaar in mijn pan helemaal om. Ik laat me verdomme niet kisten door een stelletje doorgefokte Hillbillies. Ik zie ze al voor me, terwijl ik mijn klauwhamer uit de kofferbak haal; haveloze kleding, een uur in de wind stinkend, rotte tanden, pokdalige smoelen… Dit feestje gaat niet gebeuren. Als ze verschijnen… ik ram ze helemaal in elkaar. Voordat de goegemeente arriveert, zet ik de klauw van de hamer tussen de planken in de gevel. Dit is even wat anders dan een binnenwandje in elkaar timmeren. Dit is een buitenwandje uit elkaar rammen! Ik wil mijn pas terug en als er iemand in die keet zit of durft te verschijnen, zal ik me eens vriendelijk voorstellen en hem de klauw…hamer reiken. Krakend laten de planken één voor één los van de spanten. Er komt een nare stank op me af, een mengsel van brandstoffen, vetten en spochtige oude zooi. Diep van binnen voel ik me geweldig. Het liefst zou ik het hele pand tot de grond toe slopen, zodat die ellendelingen nooit meer argeloze toeristen een oor aan kunnen naaien. Straks, om mijn standpunt nog eens te onderstrepen, ga ik me uitgebreid wijden aan die pomp. Tevreden sta ik opeens met mijn bloedeigen pas weer in handen. Zelfs al hebben ze mijn code, ze kunnen daar mooi niks mee. Geen pas, geen poen. Mooi niks.

Het zaagje uit mijn gereedschapstas reduceert de snode plannen van die basterds tot gehakt. Ik vraag me af waar die Hillbillies blijven. Ongetwijfeld zijn zij naar mij op weg zijn om op hun manier kennis te komen maken. Mijn voeten beginnen toch wat natter te voelen en dat is maar ten dele aan de regen te wijten. Ik wil instappen maar voel opeens een ferme greep op mijn schouder. Mijn brein gaat op topsnelheid alle mogelijke soorten van inbeelding af. Ontkenning is de vader van de hoop, want als ik niet anders meer kan dan omkijken, blijkt er een enorme gestalte aan te zitten. Dreigend, in een zwarte zuidwester, waar het regenwater in stralen vanaf loopt, met een dikke knuppel in zijn andere hand. Mijn ogen zijn gefixeerd in de zijne. Ze staan uit elkaar en de blik is op geen manier te vatten. Zijn neus is raar krom en doet denken aan de buis van de pomp. Ook al vrees ik nu voor mijn leven; de stelling dat bazen en hun dieren qua uiterlijk naar elkaar toe groeien, lijkt op een of andere manier ook op te gaan voor pompbediendes en hun spullen. Een soort fysieke beroepsdeformatie. Veel gelegenheid is er niet om dat nu, hier, verder uit te zoeken, laat staan onderbouwen. Hij laat me geen moment uit zijn greep, ik voel zijn klauw steeds vaster om mijn schouderblad. Er heerst een bloedstollend abnormale stilte, er komt geen enkel geluid uit hem. Uit mij evenmin, want ik sta aan de glibberige grond vastgeplakt en laat mijn brein de gekste ingevingen aandragen om hier als de donder weg te komen.

Het lijkt alsof er uren voorbij gaan in de patstelling. Ik weet, dat als hij de eigenaar van het station is, hij niet blij zal zijn met mijn slooppartij. Toen had ik nog dolle pret, met die klauwhamer in mijn tengels. Nu liggen de kaarten wel anders, want als hij de schade vergoed wil zien, heeft het er alles van weg dat hij in natura gaat incasseren. Hillbillies hebben zo hun eigen opvattingen over het begrip “in natura”, zowel voor het creëren van nageslacht in beperkte kring, als voor het vereffenen van lastig te innen vorderingen. Het lijkt alsof hij mijn gedachten leest, ik zie hoe zijn ogen nog leper staan, zijn dunne lippen nog fanatieker samenknijpen. Zijn rug lijkt zich te krommen, te spannen. Opeens haalt hij uit, ik buk, de knuppel landt met een doffe klap op mijn portier. Ik ruk me los uit zijn ijzeren greep maar glij uit over de modder. Opstaan lukt niet, mijn voeten krijgen geen grip in de spekgladde smurrie. Ik spartel wanhopig, als een idioot, ik weet dat ik verloren ben. Mijn hand reikt naar een laatste kans, een los stuk beton van het podium, waar de pompen onbeweeglijk staan te staren. Een handvol harde massa, precies genoeg om met een snelle uithaal zijn kop te crushen. Ik leg aan, om hem in één enkele klap een enkele reis naar zijn meer dan naaste verwanten te bezorgen. Dan opeens, doemt een jonge vrouw op uit het duister. Ze schreeuwt. Naar mij? Naar hem? Ik weet het niet. Is zij zo’n crushing angel? Als ze maar niet van plan is om over mijn tong te pissen! Ze heeft flessen in haar handen. Die lepe Hillbillie houdt mij in zijn greep en laat haar, met twee flessen tegelijk, mij de genadeklap toedienen. Moet ik op deze manier aan mijn einde komen? Is mijn tijd uitgetikt, zoals de telwerken van die rotpompen? Maar… bedient de hemel zich van dit soort snoeshanen? Waar zijn die lieftallige engeltjes, die ons met hun gazen vleugeltjes opheffen naar fraaier oorden? Is die hemel dan wel een plek om naar uit te zi.. “Ze hadden dat drankje, die Crush niet meer, engeltje van me. Uitverkocht. Bunnyjumpers in geile pakken, die, dáár, hebben de laatste blikjes uit het schap getrokken. Ik heb dan maar een Spaatje prik voor je meegenomen.” Ze lacht uitbundig, terwijl ze wijst naar een groep sportfreaks, die ook moesten tanken en shoppen. Ik weet even niet… hoe gauw ik niks moet zeggen.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch