Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Huis

Door Florent de Keizer

I.
Volgens de Gids `Nationale Parken in Nederland` van Peter van der Lingen (4e druk, maart 2014) kenmerkt Nationaal Park Veluwezoom zich door heidevelden, stuifzand, bos en statige landgoederen. In de beschrijving van de verschillende bezoekwaardige buitenplaatsen wordt door Van der Lingen bijzondere aandacht gegeven aan “Huize Zonneleen“. Zo schrijft hij in de inleiding van zijn beschrijving:

“Dit excentriek ogende maar prachtige buitenhuis zult u in mijn vorige twee gidsen niet tegen zijn gekomen. Nadat de vorige bewoners om onbekende reden nogal plotseling het huis hadden verlaten, is het zeker 13 jaar onbewoond geweest en pas recentelijk door een nieuwe eigenaar in haar oude luister hersteld. De lange historie van dit buiten (de funderingen en een deel van het centrale huis stammen naar alle waarschijnlijkheid uit 1282) is sowieso doorspekt van vreemde, tragische en soms erg bloedige gebeurtenissen die niet zelden tot haar langdurige leegstand hebben geleid. Het moet de toekomstige lezer van deze gids dan ook niet verbazen indien “Huize Zonneleen” ten tijde van zijn bezoek inmiddels weer tot een vervallen staat is teruggekeerd”

Dat de laatste opmerking van Van der Lingen niet slechts in de gids is opgenomen om meer sensatiebeluste toeristen tot een bezoekje aan dit markante huis te bewegen, blijkt als men er nu -slechts enkele jaren na het uitkomen van de 4e druk- langsrijdt. Een dik kettingslot verbindt de zware deuren van de ijzeren poort waarmee het domein is afgeschermd van de buitenwereld. Echter, ook vanaf de weg kan men zien dat de oprijlaan, die met een lichte bocht naar rechts het bos in verdwijnt, is overwoekerd met onkruid en vlak voor de oprijlaan uit het zicht verdwijnt, ligt er een grote tak die daar tijdens de stormen van afgelopen herfst terecht is gekomen.
Zou men zich -het afgesloten hek negerend- over de oprijlaan en tussen het woekerende onkruid en de losse takken door een weg banen tot men voor het huis staat dan wordt men nog steeds vergast op een imposant gezicht:

Een uit donkerrode baksteen opgetrokken, rechthoekige kolos van waaruit men vanaf de bovenverdieping vanuit één van de 7 ramen een blik op de tuin en de oprijlaan kan werpen terwijl de begane grond het – door de grote dubbele voordeur in het midden van de gevel- met 6 ramen moet doen.

De aandacht wordt meteen getrokken door de overkapping die van de dakrand boven de drie ramen in het midden van de gevel vier meter uitsteekt en eindigt in een enorm timpaan, gedragen door een rij van vier gigantische, gotische pilaren. Twee dakkapellen aan weerszijden van de overkapping en vier schoorstenen aan de uiteinden van het leisteen dak completeren het geheel.
Hoewel het geheel er op het eerste gezicht nog redelijk bij ligt, valt toch de staat van de tuin op. Net als op de oprijlaan heeft het onkruid hier vrij spel gekregen en heeft het de met buxushaagjes afgezette bloemperken overwoekerd. Ook is het duidelijk dat de rozen die aan weerszijden van de ingang tegen de gevel groeien al lang niet zijn gesnoeid. Daarna ziet de wat meer oplettende kijker dat de vensters er wel erg smoezelig uitzien voor een huis in bewoonde staat en valt het op dat onder de dakgoot aan de linkerzijde zich een groot wespennest heeft gevestigd.

Zou deze oplettende kijker de moeite nemen om helemaal naar het huis te lopen en daar naar binnen te kijken; wellicht door de ruitjes in de voordeur of door op het enigszins verweerde bankje tegen de rechterzijde van de gevel te klimmen en door het raam te gluren; dan lijkt ook daar nauwelijks iets opmerkelijks te zien. De hal en kamers zijn nog volledig gemeubileerd en men verwacht dat elk moment de heer des huizes de zitkamer in komt lopen, de open haard aanmaakt om daar – onder het genot van een glas calvados- de NRC te lezen. Als snel valt echter op dat ook binnen het hele tafereel is bedekt met een laagje stof en dat hier en daar een oud spinnenweb valt te ontdekken.

En als ik de rechterzijde van de dubbele voordeur voor u -de lezer- zou openen om u binnen te noden en u de euvele moed zou hebben deze uitnodiging aan te nemen dan zouden wij samen in de ruime hal staan. Verwonderd kijkend naar de rijk geornamenteerde trap die vanuit het midden van de ruimte naar boven loopt om zich halverwege te splitsen in een linksom en een rechtsom lopend gedeelte. Ook nu zijn er duidelijke aanwijzingen van verval; hier en daar komt het weelderige behang los en in de rechterhoek tegen de gevel zit een donkere vlek die wijst op een flinke lekkage.

Voor het eerst zal ons hier een vaag gevoel van onbehagen bekruipen. Een grote vaas ligt in gruzelementen verspreid over en naast de grote ronde tafel in de midden van de hal alsof hij met een luide knal is geëxplodeerd. Zelfs in hun uitgedroogde vorm is aan de bloemen die op de grond terecht zijn gekomen duidelijk te zien dat ze zijn platgetrapt.

Als wij ons gezamenlijk langs de ruïne van de vaas naar de trap begeven, en -nu enigszins schoorvoetend- de trap beklimmen om via de rechter zijde naar de bovenverdieping te komen dan vallen op een gegeven moment drie grote deuken op in het stucwerk waar iemand met grote kracht tegen de muur moet hebben geslagen. Als we dan even verder de bovenste helft van een ouderwetse wandelstok met een massief ogende zilveren bol tegenkomen waarvan het versplinterde eind een onheilspellende roestbruine kleur vertoont, is het wel genoeg geweest en haasten wij ons naar beneden om nog ruim voor zonsondergang het grote hek aan het begin van de oprijlaan goed afgesloten achter ons te laten.

II
Geduldig wacht het huis op nieuwe bewoners. Zo nu en dan ontwaakt zij kortstondig uit de sluimer waarin zij zich heeft laten wegzinken en is er door het hele huis zacht gekraak te horen. Ergens in de periferie van het bewustzijn neemt het huis iets waar, een nieuwe kans dient zich aan. Hoewel het huis door eeuwenlange ervaring heeft geleerd dat een kans meestal slechts een kleine kans betekent, staat zij zich toe verder uit de haar sluimertoestand naar boven te komen en zendt zij een eerste mentaal tentakel richting haar beoogde slachtoffer. Een licht gevoel van opwinding maakt zich van haar meester. De kans lijkt beloftevoller dan het huis in eerste instantie had gehoopt. Een tweede tentakel strekt zich langzaam uit naar het onderbewustzijn van haar argeloze slachtoffer. Als een spin die haar prooi injecteert met een langzaam werkend gif, vult zij de gedachten van de argeloze reiziger met een idee, een gevoel en een verlangen. Nu is het wachten tot de parasiet die zij samen met het idee heeft geplant zich deelt en doorwoekert naar de meer bewuste gedachten waar het uiteindelijk ook de bewegingen zal beïnvloeden als de Nematomorpha die voor haar eigen genoegen sprinkhanen tot zelfmoord drijft.

III
Klik!
Ergens in een verre uithoek van het huis slaat een lichtschakelaar om; een kaal peertje verlicht het binnenste van een kast.

Klak!
De duisternis neemt weer -voor even- bezit van de ruimte.

Klik!
In het heldere licht van het peertje wordt een touw zichtbaar, geknoopt om een kastroede waaraan ooit jasjes aan een knaapje hebben gehangen. Even trilt de lucht en een fractie van een seconde verschijnt het beeld van een kleine jongen met een verwrongen opgeblazen gezicht dat aan het uiteinde van het touw bungelt, een nieuwe trilling het touw is weer leeg.

Klak!
Ook in de duisternis is er beweging, een grote rat perst zich door een gat in de muur dat op ongeveer manshoogte in de muur is geslagen. Even likt zij gretig aan de roodbruine ingedroogde smurrie die het gat omgeeft en dan laat zij zich met een zachte plof behendig op de vloer vallen.

Klik!
Het licht vangt de rat die als versteend in het midden van de kastvloer blijft zitten, zijn kleine hersentjes wachtend op de terugkeer van de duisternis met een vorm van hoop die nog het meest op bidden lijkt.

Klak!
In de bevrijding van het donker klinkt een schril gepiep dat plotseling eindigt in een zacht gekraak van knappende twijgjes.

Klik!
In het harde licht van het peertje is de rat veranderd in een uitgedroogd zandbeeld dat al langzaam afbrokkelt en zich mengt met de laag stof die de bodem van de kast bedekt. Even is een korte weerspiegeling zichtbaar van de levende rat, haar zwarte kraaloogjes wijd open gesperd in doodsangst. Een korte trilling maakt een eind aan het beeld.

Klak!
Ergens in een verre uithoek van het huis slaat een schakelaar om. Als een snelle beweging achter het gesloten ooglid van een dier dat op het punt staat te ontwaken. Hongerig en klaar voor de jacht.

IV
Klik!
Het slot van de voordeur wordt voor het eerst in jaren opengedraaid. De parasiet heeft de prooi en zijn gezin naar het huis gebracht, het wachten is voorbij en als ontelbare keren eerder komt het huis tot leven.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch