Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Huize Theresia

Door Steven van Galen

Huize Theresia

`Woont Mathilde daar nog?`
Dirk kijkt omhoog langs de gevel van het statige pand waar ze voorbij lopen. Karel schrikt op uit zijn gedachten, kijkt zijn broer strak aan. Hun wandeling door de Heegderweg in hun geboortedorp is tot nu toe vrijwel zwijgend verlopen. Karel is niet zo`n prater. Nooit geweest ook. Hij zwijgt liefst en denkt overal het zijne van. Of niet, ook daar kom je niet achter. Ze hebben elkaar nooit veel te vertellen gehad, Karel en Dirk. Ze dulden elkaar.
`Zal wel,` mompelt Karel.
Het enige vrijstaande pand aan de Heegderweg, de voormalige buitenwoning van een rijke veenboer, verheft zich hooghartig boven het lint van arbeidershuisjes eromheen. Een groene poort rechts van het huis geeft toegang tot de tuin maar niemand heeft de poort ooit open zien staan.
Dirk staat stil en bestudeert de rijk versierde gevel en de ramen alsof hij zint op een manier om er binnen te komen. Acht ramen telt hij, twee aan weerszijde van de voordeur, vier op de eerste verdieping. Alles zit dicht, geen levensteken te bekennen. Onder de dakgoot prijkt in gouden krulletters de naam van het huis: Huize Theresia. Karel is doorgelopen.
`Wat sta je daar nou,` roept Karel zijn broer toe, terwijl hij zich omdraait, `schiet op.` Een ogenblik lang komt de straat van hun jeugd Dirk voor als vijandelijk gebied, bewaakt door zijn broer; buik vooruit, armen voor de borst, onverzettelijk.
Wat zou er gebeuren als ik aan zou bellen, denkt Dirk, als ik haar een zou hand geven en zou zeggen: `Hallo Mathilde, we liepen toevallig langs en dachten: kom, laten we eens een praatje maken.` Waarom zou ze nee zeggen? Vrouw van de wereld ten slotte, niet bang, heel anders dan de Heegdenaren. Zo`n vrouw hoort in Parijs of New York. Waarom zou ze niet over willen praten over wat haar destijds bewoog?
In zijn herinnering ziet Dirk haar weer aanbellen, zijn moeder die de deur opent, dan hun immer uitbundige begroeting. Mathilde rook lekker, droeg altijd een hoed met bijpassende sjaaltjes en leek op haar hakken te zweven. Allure had ze, de boezemvriendin van zijn moeder, maar de bewoners van de Heegderweg noemden haar neerbuigend Til met de hakken. Meer dan dat ze uit Duitsland kwam en ‘van goede komaf` was, wist men niet over haar.
Hoe zou ze er nu uit zien, vraagt Dirk zich af, wat zou er over zijn van haar fiere houding, de glans in de knipoog, die ze hem – en hem alleen- wel eens gunde. Hoe zou haar verzameling hoeden en sjaaltjes het maken?
`Kom op, man’ onderbreekt Karel Dirks gemijmer, `we hebben hier niets te zoeken.`

`Zullen we even langs ons huis lopen?` had Karel een half uur eerder aan Dirk gevraagd. Aan de tafel in Karels atelier, aan het begin van de straat, hadden ze zojuist de formaliteiten rond hun vaders overlijden afgerond.
‘Moet ik voor die paar krabbels helemaal uit Amsterdam afreizen?’ had Dirk gereageerd op Karel`s verzoek om naar Heegden te komen.
‘Je mag toch wel iets overhebben voor vader?` had Karel geantwoord. Het telefoongesprek was bijna op ruzie uitgelopen, uiteindelijk gaf Dirk zich gewonnen. Heegden weer eens terugzien kon weinig kwaad.

Zwijgend lopen ze verder de weg af. Het is er stil zoals altijd. Heegden bestaat slechts uit één straat, van de driehonderd bewoners zie je bijna nooit iemand. Het is alsof hier nooit iemand thuis is, nooit iemand boodschappen hoeft te doen of zijn auto hoeft wassen. Mijn dorp, denkt Dirk gemelijk, de straat van mijn jeugd, was een rijtje benepen huisjes met zwijgzame bewoners die elkaars geschiedenis alleen kennen van horen zeggen. Je bent wat de buren over je vertellen plus wat ze van je zien: je auto, je jas en je schoenen, de voortuin. Hier praat men over elkaar, niet met elkaar. De laatste roddel gaat over Lietje Hendrix van nummer 67, die drie dagen dood op zolder zou hebben gelegen voordat haar man haar vond. Jarenlang zou hij haar hebben gekoeioneerd, jarenlang had ze haar mond gehouden, uit schaamte, net als haar zus, bij wie Lietje wel eens scheen uit te huilen. Nog vóór de begrafenis werd er gezegd dat Lietje zich had verhangen, anderen zeiden dat het rattengif was geweest.
Roddels waren er altijd: over de ruzie van de twee veearts-assistentes, schoonzussen die elkaars bloed wel konden drinken, die elkaar te lijf zouden zijn gegaan toen ze bij boer Geurts een kalf ter wereld moesten helpen. Over de aannemer die een week na zijn faillissement alweer in een goudkleurige Mercedes rondreed. En over Fien Knoops die elke middag, zwaar opgemaakt en in een veel te nauwe jurk geperst, de bus van kwart over drie nam naar de stad.

`Vies vies vadertje, wat doe je in haar hof? Je maakt er alle lakens vuil en doet het veel te grof.` Bij de aanblik van het huis van Josje Jansen, de eeuwige pestkop van vroeger, drenst het deuntje door Dirk`s hoofd. Zou Josje er nog wonen? Dirk ziet de scène weer voor zich: Karel in zijn eentje op een schommel in de speeltuin, handen stijf tegen de oren, omringd door het troepje pestkoppen en hun valse gezang. Machteloos stond Dirk erbij, totdat ze hun gején op hem richtten en Karel huilend op de vlucht sloeg. Het was begonnen toen moeder naar de kliniek moest; het getreiter in de klas, de spreekkoren, het najouwen op straat, de lek gestoken fietsbanden. Toen ze daar anderhalf jaar later stierf – Karel was tien en Dirk zestien – stopte het van de ene dag op de andere.
`Heeft vader nooit met jou over Mathilde gepraat?` vraagt Dirk.
Karel loopt door, handen in de zakken, blik op de grond. Typische Heegedenaar, denkt Dirk: zwijgzaam, naar binnen gericht. Ze naderen het einde van de straat. Nog goed vijfhonderd meter en ze zijn bij hun ouderlijk huis.
`We praatten nooit, vader en ik` zegt Karel, bij het huis aangekomen, ‘thuis was het altijd stil. Jij was net het huis uit, moeder was dood en vader ging elke dag naar zijn werk. Een of andere hulp in de huishouding pootte om half zes een pan met eten op tafel en trok een minuut later de voordeur achter zich dicht. Waar moesten we over praten? Om zes uur waren we klaar met eten, ik ging op mijn kamertje tekenen en schilderen.
`En Mathilde?`
`Hou toch eens op over die Mathilde,` antwoordt Karel geërgerd. `Die heb ik na moeders dood nooit meer gezien. Wat had ze ook moeten komen doen? Moeder was er toch niet meer?`
Dirk knikt, zwijgend staren ze naar hun geboortehuis. Het is er leeg en donker.
`Kom, help me even,` hervat Karel het gesprek, en hij loopt het voortuintje in. Het bordje `te koop` is half losgewaaid en fladdert bij elke windvlaag als een lamme vogel tegen het raam. Karel haalt een rol tape uit zijn zak, samen drukken ze de lijmranden van het bord tegen het raam, Karel zet het weer vast. Een ogenblik bekijken ze het resultaat van hun werk.
`Ziet er toch wat netter uit,` zegt Karel.
Langs de schaduwkant van de straat lopen ze terug. Zou hij echt niet weten, vraagt Dirk zich af, wat er tussen vader en Mathilde is gebeurd terwijl moeder in de kliniek verbleef? Zou hij werkelijk niets meegekregen hebben van de roddels? Hij kijkt naar zijn broer die verdiept in gedachten naast hem loopt. Karel was nog te jong toen. Voor sommige dingen kun je misschien beter altijd te jong blijven.

Even later bekijkt Dirk in Karels atelier de schilderijen.
`Landschapjes,` zegt Karel half verontschuldigend, `dat verkoopt toch beter dan die wilde dingen van vroeger. Iedereen in de straat heeft er wel een aan de muur hangen. Zo zijn we hier ook wel weer,` voegt hij eraan toe en kijkt zijn broer aan. `We weten wat we aan elkaar hebben.`
Dirk pakt een aquarel van de Heegderweg van de schildersezel.
‘Wat moet die kosten?`
`Je mag hem hebben,` antwoordt Karel.
`Zeker?`
`Zeker.`
`Kom eens langs in Amsterdam,` zegt Dirk als de stilte te lang dreigt te duren, `is goed voor je, af en toe wat stadslucht.`
`Eerst het huis verkopen,` antwoord Dirk, `zal ik met je meelopen naar de bus?`
Misschien zit Fien Knoops wel in de bus, schiet het door Dirk`s hoofd, misschien weet zij wel of Mathilde…
`Dank je,` antwoordt Dirk, `ik loop liefst alleen.`
Hij kijkt zijn broer aan, trekt de deur achter zich dicht, schilderijtje onder de arm. Rechts van hem verdwijnt de zon achter Huize Theresia, de schaduwen bestrijken de hele straat. Dirk slaat linksaf, terug naar huis.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch