Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Ibis in Toulouse 2012

Door Bart Schoonaert

Het was een bar koude ochtend aan het eind van november. De vorige avond was er wat fijne sneeuw gevallen en ‘s nachts had het hard gevroren, maar onder de warme deken merkte het slapende jongetje niets van deze eerste winterprik.
Opeens was hij klaarwakker. Had hij daarnet iets gehoord? Luister, daar klonk het wéér. Een aanzwellend geluid, als van metaal op metaal, dat zijn haren te berge deed rijzen. Het kwam van buiten en hij wist niet wat het was – niets menselijks, dat stond vast. Het jongetje opende zijn ogen en staarde in de duisternis naar de plek waar elke ochtend het eerste daglicht als een zilveren streep door een kier van het rolluik viel. Daar was geen lichtstraal te zien, dus buiten moest het nog donker zijn, en al gloeide de wandradiator zo hard dat hij hem niet kon aanraken zonder zijn vingers te branden, in de kamer was het nog stervenskoud. Ergens tegen de wand boven hem hing het touwtje van de kroonluchter, maar hij aarzelde een poosje voor hij er zijn arm naar strekte. Soms, zoals nu, was hij bang dat hij, reikend naar het touwtje, ineens iets anders beet zou pakken, iets vreselijk engs als de harige romp van een monster. ‘Monsters bestaan niet,’ had zijn vader al minstens honderd keer gezegd, ‘zeker niet op jouw kamer.’ Toch wist je maar nooit… Dus telde hij stilletjes tot drie, rukte aan het touwtje en verdween ijlings onder de lakens. Na enkele tellen verschenen zijn ogen weer boven de rand van het dekbed. Er was niets te zien. Enigszins gerustgesteld ging hij rechtop zitten, geeuwde zonder een hand voor zijn mond te houden en wreef de slaap uit zijn ogen. Ergens boven hem tikte de buis van de centrale verwarming. Er mochten dan misschien wel geen monsters zijn, dit huis was nooit zonder akelige geluiden. Het jongetje ging op zijn buik liggen, dacht even aan de arme dieren die het daarbuiten vreselijk koud moesten hebben en viel in een oppervlakkige slaap.
‘Ieurrrrwwwu!’
Het jongetje werd wakker. Wat zou het kunnen zijn, dacht hij. Meteen weerklonk de kreet opnieuw. Het leek wat op het gekrijs van een meeuw, maar was krachtiger en bezat meer autoriteit.
‘Ieurrrrwwwu!’
Nu drong het buitenlicht wél lichtjes door de kier. Nieuwsgierig gooide hij het dekbed van zich af, liet zijn blote voeten op het koude linoleum zakken en liep op zijn tenen naar het raam. Het lint van het rolluik zat muurvast, maar met een forse haal kreeg hij het in beweging en trok het voorzichtig naar beneden. Aan de horizon, onder een purperblauwe hemel, verscheen de gloed van een nieuwe zon. De wereld was goud, adembenemend mooi, en het hart van het jongetje raakte vervuld van begeerte naar een onbestemd geluk.
‘Ieurrrrwwwu!’
De kreet leek van dichtbij te komen, maar hoe goed hij de omgeving ook afspeurde, hij kon de bron ervan niet vinden. Zo te horen is het een roofvogel, dacht hij, maar is het een buizerd, een valk of een uil? Zijn opa had hem verteld dat heel lang geleden, toen de plek waar ze woonden nog een zee was en de grassen nog niet bestonden, een dinosaurussoort langzaam in een vogel was veranderd. Dat had het jongetje eerst nauwelijks kunnen geloven. Hij was geen domoor, maar hoe was het te bevatten dat de schuwe mussen en goedige kippen uit die verschrikkelijke draken waren voortgekomen? Het was een kwestie van vele, honderdduizenden jaren, had zijn grootvader geduldig uitgelegd, waarin die hagedissen iets hadden gekregen dat op veren leek en waarmee ze van boom naar boom hadden leren zweven. Zo waren de vogelsoorten ontstaan. Als je goed naar hun lichaamsbouw keek, zag je dat grootvader gelijk had. In diens boekenkast stond ‘Het Grote Vogelboek In Kleur’, waarin het jongetje met potlood een kruisje plaatste bij elke soort die hij tot dusver met eigen ogen had gezien. Mussen kende hij natuurlijk, en merels, koolmezen, lijsters en eksters, maar hij wist ook futen, snippen en smienten aan te wijzen. Hij had veel ontzag voor de uil, maar die had hij nog nooit in het echt gezien. Nieuwe vogelsoorten ontdekken was zijn lust en zijn leven.
Het jongetje wachtte ademloos op de volgende kreet, maar het dier – wat het ook was – liet niets meer van zich horen. In het grasveld onder de appelboom hopten een zestal merels door het dunne laagje sneeuw. Ze pikten in de bevroren appels en vlogen af en aan terwijl ze scherpe, bijna angstaanjagende geluiden maakten. Hij wilde weer naar bed gaan toen hij hem zag zitten, onbeweeglijk en majestueus, op een dikke tak van de fluweelboom van de buren die over de schutting hing. Hij keek het jongetje met zijn zwarte ogen recht in de ziel, verhief toen zijn vleugels, werd gewichtloos en steeg op. Schaduwen en wolken sneeuwstof warrelden van de takken. Toen hoorde het jongetje een oorverdovende knal.
#
Na een val in een oneindig niets werd hij met een schok wakker. Hij lag op zijn rug en voelde een helse pijnsteek in zijn borst. Een onbarmhartige hitte nam bezit van hem. De nieuwe werkelijkheid ontvouwde zich langzaam en onverbiddelijk, als lag hij machteloos als een stervend dier op de waterlijn naar een stuwende zee te staren. Hij wilde de pijnlijke plek betasten. Zijn ledematen voelden vreemd aan en bewogen anders dan hij gewend was. Maar dat was niet het enige: op de plek waar zijn armen en handen moesten zitten, had hij brede vleugels met gele veren en okerkleurige slagpennen, en hij was niet in staat om zijn onderlichaam te bekijken. Eén ding stond vast: hij moest daar zo snel mogelijk wegkomen. Hij spartelde hulpeloos in het rond, krabde met zijn vleugels op de ijzige grond, zette zich schrap om zich op te hijsen, maar wat hij ook probeerde, hij kreeg zijn lichaam niet overeind. Zijn krachten vloeiden vlug uit hem weg en ademen ging steeds moeilijker. ‘Help me!’ kraste hij. Hij gaf zijn vluchtpogingen op. Links van hem naderde een donkere vlek die steeds groter werd.
Het was een in het zwart geklede man met een rode baard, atletisch gebouwd en met een vastberaden stap. Krrrr… krrrr… krrrr… het laagje bevroren sneeuw knerpte onder zijn legerlaarzen. De man in het zwart hield naast hem stil en keek hem geringschattend aan. De ogen van de man werden gevoelloos en koud. Hij begon te bidden… la ilaha illa allah… In zijn rechterhand had hij een pistool. ‘Telkens als de uil huilt, moet er een ongelovige sterven,’ sprak hij, ‘zo staat het geschreven.’
De uil wendde zijn ogen af. Hij kende deze man niet. Hij hoorde hoe dan ook niet thuis in onze wereld. Wat wilde hij? Wie had hem binnengelaten? Toen zag hij dat een meisje kwam aangelopen. Ze was blondharig en heel mooi. Hij wilde haar waarschuwen, maar zijn stem weigerde dienst. Ze negeerde de in het zwart geklede man met het pistool, boog zich bezorgd over de stervende vogel en streelde zijn veren.
‘Shalom,’ zei ze met een zachte stem en begon een gebed op te zeggen. Het was nog een kind. Ze had lange, blonde lokken en donkerblauwe ogen, en droeg een wit jurkje met ruches waarop in roze en blauwe bloemetjes haar naam was geborduurd – Mirjam. In haar blik zag de uil ontzetting en tedere compassie. Zijn ziel opende zich voor de laatste herinnering.
De zwarte man richtte zich ondertussen tot de hemel en prevelde een kort gebed. Dan nam hij het meisje bij de haren, tilde haar op, zette de loop van zijn wapen tegen haar slaap en haalde de trekker over. Stukjes bot en bloedend weefsel dreven door de lucht en kleurden de sneeuw rozerood. Boven dit ijzingwekkend tafereel zag de uil een jongetje achter een vensterraam krijsen en wanhopig met zijn vuisten op de kozijnen bonken. Toen draaide de man met de baard zich om en richtte zijn pistool op hem.
Alles werd zwart.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam