Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Ik vertel je alles

Door Karlijn de Hek

Ik vertel je alles

Daar stond ik op de bruiloft van Emma. Jij wilde niet mee en dat begreep ik heus wel. Mijn pak kon nog prima. Het was oud. Maar om nu een nieuw pak te kopen voor een trouwerij van een ex, dat vond ik ook zo wat. Dit bruine pak waarvan jij had gezegd dat het iedereen anders stoffig zou staan, maar dat ik het kon hebben vanwege mijn jonge hondengezicht. Misschien had juist dit pak haar weer doen denken aan de keren dat zij en ik hand in hand bruiloften binnen of buiten waren gelopen. Ja, misschien was het dit pak. En misschien waren het haar tranen, die maakten dat de dag zo anders liep dan gepland.
Het plan was om meteen na het ja-woord op de fiets te springen. Naar jou. Op het terras te gaan zitten, waar jij had afgesproken met twee goede vrienden. Dan had ik met mijn ene hand een witbiertje vastgehouden en mijn andere hand had met jouw blonde haren gespeeld. Je haar is altijd zo steil dat ik er met al mijn vingers tegelijkertijd wel drie keer door heen kan gaan, zonder dat ik ergens achter blijf haken.
Het waren niet zozeer de tranen. Het was meer dat de tranen haar gezicht een beetje hadden doen opzwellen, haar lippen deden opzwellen, zodat ze nog wat voller leken. En dat haar ogen met water erin van kleur veranderden, feller groen. Na de huwelijksvoltrekking was Emma door het gangpad van de kerk teruggelopen. Haar sluier had grotere mazen in de stof dan gewoon was, waardoor het eerlijk gezegd een soort visnet leek, waarin ze verstrikt was geraakt. Er werden veel handen geschud, in een zijzaaltje. Ik stond achterin een lange rij mensen. Emma zag dat mijn bruine pak inmiddels wat hoogwater vertoonde en moest lachen. Ik had geen nette herenschoenen aan, die heb ik nooit gehad. In plaats daarvan mijn oude leren wandelschoenen. Toen ik voor haar stond, vroeg ze “Je blijft toch wel tot het feest? Ik wil nog wel een dansje maken”.
De grauwe bruidegom had gewoon meegelachen, met zijn corpsballenhoofd. Hij wist dat hij Emma niet zomaar iets kon verbieden. Ik zei nog dat ik het druk had, dat ik belangrijke afspraken had. Ik zei van alles, behalve dat ik naar jou toe wilde. Terwijl Emma ook gewoon op facebook zit. Ze had die foto wel gezien van ons tweeën op die rots in Zweden. Allebei in van die te sportieve kleding, een belofte die we de hele reis niet hadden kunnen waarmaken. Ik keek recht in de camera. Jij staat er van de zijkant op, met je tikje scheve neus tegen mijn slaap. En je wilde mijn wang zoenen, maar daar was je neus te groot voor, denk ik.
Ik werd meegetrokken naar een kamertje, een zijzaaltje van het zijzaaltje. Het deed me kort nadenken over waarom het nodig is dat kerken zoveel zijzaaltjes hebben. “Even gedag zeggen, even frisse lucht”, had Emma naar grauwe bruidegom geroepen. In de muffe kamer zat Emma op een stoel, voorovergebogen. Ze had haar lange rok op zo’n manier omhooggetrokken, dat ik net het randje van haar witte kousen niet kon zien, misschien om het ‘frisse lucht’-gedeelte van haar excuus wat waarheidsgehalte te geven. Door haar kousen zag ik gebruinde huid. Ik weet niet of ze haar woorden zorgvuldig koos, maar dit is wat ze zei: “Weet je, Teuntje, misschien als jouw moeder niet was overleden dat jaar, misschien waren we dan nog wel bij elkaar”. En ze keek naar boven, tranen en lippen naar mij toekerend.
Toen had ik moeten gaan. Maar ik stond buiten in het gras. Ik had haar tranen nog één drankje beloofd en een dansje geweigerd. En jij zat op het terras, misschien wel alleen. Nee, zeker niet. Je was naar huis gegaan. Waarschijnlijk overdreven vrolijk. Op de fiets, in die felgele jurk die zo rond je benen wappert. Ik heb altijd gedacht dat als je zo’n wapperende jurk hebt, dat je dan zelf niet zoveel hoeft te doen om vrolijk te lijken.
Het was inmiddels bewolkt. Emma klom op een podium, samen met haar grauwe bruidegom. Ze hield haar bruidsboeket in de lucht. Rode rozen, weinig conventioneel, zoals haar past. Zenuwachtige vrouwen in polkadot-jurken stonden voor het podium klaar met de handen omhoog. Maar Emma gooide niet. Ze keek eerst naar de bloemen, toen strak naar mij en bracht de bos met nogal wat vaart naar haar mond. Ze begon bij de bloemblaadjes, at ze haastig. Schrokte, bijna. Ik keek om me heen of iemand zou ingrijpen. Grijze bruidegom stond loom naast haar met zijn mond half open. Eventjes maakte haar vader aanstalten om het podium op te klimmen. Emma’s moeder stopte hem met de kleuterjuffen-blik die haar zo eigen was.
Alle andere gasten bleven staan, alsof we in een theatertent op de parade terecht waren gekomen. Er kuchten wat ooms en tantes. De zwangere vriendin van wie ik de naam altijd vergeet, had haar ene hand voor haar mond en hield met de andere haar man vast, zo van: gelukkig hadden wij dit soort commotie niet op onze bruiloft. Ik keek naar beneden en wreef met mijn grove zolen over het gras. Ik wist dat er mensen op ditzelfde gras stonden, die dachten: ze is natuurlijk een kunstenares. Ik wist beter. We waren beide nooit goed geweest in woorden geven aan ons verdriet. Toen ik opkeek was een aantal van de bloemknoppen al in haar maag verdwenen. De vingers van haar rechterhand had ze in een vuist, ferm om de stelen. Haar linkerarm hing ergens langs haar zij.
Voor het eerst in mijn leven vroeg ik me af hoe rode rozen zouden smaken. Dat lukte niet goed, want mijn mond was droog. Door de graspollen en de twee glazen champagne. En omdat ik was afgeleid. Ik moest denken aan die avond zes weken geleden. De borrel van Johan. Ik kwam thuis bij jou om vier uur ’s nachts. Ik wilde alleen tegen je aanliggen. Jij wilde van alles weten, hoe het was geweest. Ik riep iets over privacy, zo deed ik dat. Emma was er ook op de borrel. Dat vertel ik je nu. Zij zei weer dingen zoals over mijn moeder en ik deed uitspraken als dat zij een wilde rode zee was en ik meer op zoek was naar een veld vol blauwe bloemen. Ik was aangeschoten en je weet wat voor vage dingen ik dan kan zeggen.
Emma was aangekomen bij de stelen. Het leek even alsof ze aarzelde, maar bij zo’n daadkrachtig gebaar- het opeten van je bruidsboeket- kan je niet halverwege stoppen. Ze bleef kijken naar haar nog altijd bevroren publiek, naar mij. Het knakken en knagen van tanden op stelen was luid. Het moest nog harder klinken in de klankkast van haar mond. De grauwe bruidegom, die net nog met zijn maten had gelachen om die ene dikke vriendin, legde zijn hand op haar rug. Een minimale handeling gezien de omstandigheden, vond ik.
Ik keek naar de rode walsende lippen van Emma. En terwijl ik naar haar lippen keek, dacht ik aan jou, aan de ontbijttafel. Hoe ik je soms ineens zo vies vind eten. En aan hoe dat niet geeft. Hele plakken ham verdwijnen in je mond, met klodders boter, op een half broodje. Toen ik me vanochtend aan het scheren was, keek ik je even in de ogen via de badkamerspiegel. Ik had je willen zoenen, maar jij ging net tandenpoetsen.
Emma wist dat niemand het zou wagen om hun ogen af te wenden. Ze wist dat niemand weg zou lopen. En ze at achteloos inmiddels. Alsof ze op die bruine borrelstokjes kauwde, met van die grote zoutkorrels er op. Ze keek niet langer naar mij, maar naar een punt in de verte. De bruidegom wreef over haar rug. Het geluid van het knagen en het wrijven vormden een eigenzinnig muziekstuk. Ik schuifelde met mijn voeten heen en weer op het ritme. Eerst voorzichtig, toen wilder. Het geluid van mijn schuifelen vermengde zich met het knagen en het wrijven. Hebben we toch nog gedanst, dacht ik.
Emma was klaar met eten. Ze hield het elastiekje, waarmee de stelen vast hadden gezeten, in haar handen. Ze staarde ernaar, bond het tenslotte om haar loshangende haar. Alsof dat al die tijd al het doel was geweest.
Ik was de eerste die naar buiten liep. Ik zocht mijn fiets. Ik ging naar jou. Door dit alles ben ik te laat. Maar ik ben hier, met blauwe bloemen, je weet wel. En ik vertel je dit, Julia. Ik vertel je alles.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch