Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Ik zie je staan

Door Anne van der Geest

Het schemert. De lucht betrekt. Ik zie je. Grote voeten. Grote passen. Hink stap sprong, ietsje sneller dan daarvoor. Hink stap sprong, ietsje dichterbij dan daarnet.
Jouw woorden waaien langs mijn oren: ‘We zijn niet verdwaald!’
Half hinkend. Half hijgend, vraag ik: ‘Waar zijn we dan?’
Hing stap sprong. Plots sta je stil. Mijn koude neus in jouw kriebelige jas.
Ik kijk op. Zoekend naar mijn balans en jouw ogen. Je loopt door.
‘In de polder natuurlijk’: zeg je.
Mijn ogen dwalen af. De polder is leeg en vlak. Was het hier maar druk, klein, vol of dat alles tegelijk. Dan moest de lucht tussen onze passen wel wijken om elkaar niet kwijt te raken. Mijn ogen branden in jouw rug. Waarom kijk je niet achterom?
‘Waar in de polder!’ zeg ik luid.
Mijn woorden vechten tegen de wind. Je hoort me en wijst opzij.
‘Dicht bij de stad
En die ligt dáár’
Ik zie je. Lange armen. Lange vingers. Ze wijzen in de leegte. Er is hier niks.
‘het kan ook dáár zijn’ mompel ik.
Je hoort me niet. Grondig scan ik de horizon: drassige weilanden, smerige sloten, kale bomen. Je bent omgekeerd en kijkt me aan. Er komen witte wolkjes uit je mond van de kou. Met je hoofd in wolken. Je kijkt me lachend aan en zegt: ‘Jij hebt helemaal geen richtingsgevoel, je verdwaalt altijd’.
Hink stap sprong, land ik precies voor je neus. Ik voel je warme adem, er verschijnt een grote grijns op jouw gezicht als ik zeg: ‘Ik? Wie was er laatst ook alweer de weg naar zijn eigen oma kwijtgeraakt?’
Even staan we stil. Zeggen we niets. Je ogen kijken me nog steeds doordringend aan. Zeg wat! Doe iets! Denk ik bij mezelf. Eén flinke windvlaag zou genoeg moeten zijn om het laatste beetje ruimte tussen ons te doen verdwijnen. Te laat. Je draait je om, trekt je muts verder over je oren en begint weer te lopen: ‘Laten we nou doen wat ik zeg. We komen er vanzelf’.
Ik probeer je aandacht terug te krijgen en schreeuw overdreven: ‘Vanzelf. Vanzelf. We komen er helemaal vanzelf.’
Geen reactie.

Nou dan toch lekker niet, denk ik terwijl ik me omdraai. Ik staar in het lege landschap van de polder en scan opnieuw de horizon: drassige weilanden, smerige sloten en kale bomen. Ineens voel ik een hand op mijn schouder. Ik verstijf. Je fluistert in mijn oor: ‘misschien ben je banger dan ik omdat je jonger bent’.
‘Drie weken maar. En wie zegt dat ik bang ben?’
Ik wil mezelf verstoppen in jouw kriebelige jas en nooit meer gevonden worden. Zorgvuldig sla je een arm om mijn middel en zeg je: ‘ik’.
En jij denk ik. Dat is pas fijn. Maar ik zeg niets.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch