Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

In het land der blinden

Door Mike van Holsteijn

Ik noem mezelf éénoog.

Voor mij is de wereld altijd zwart. Ik kan me dus heel goed voorstellen hoe het is om dood te zijn, als ik tenminste een goed beeld bij de dood heb. Ik zie nooit iets, maar dan ook echt helemaal niets, niet eens mijn eigen oogleden. Al vanaf de geboorte kan ik me niets dan zwart voorstellen. Door de tijd heen hebben mensen mij geleerd dat de kleur die blinden zien, zwart is. Verder weet ik dat gras groen is en dat bladeren van de bomen in verschillende seizoenen van kleur veranderen. De vorm van bladeren verschilt dan weer per boom.

Sneeuw is wit, alleen heb ik geen idee wat ik me moet voorstellen bij wit. Ik weet alleen dat sneeuw kraakt onder mijn schoenen en dat ik beter moet uitkijken met lopen. Wit kraakt. Rood is liefde. Maar verder heb ik er letterlijk en figuurlijk geen beeld bij.

Nu klinkt het misschien alsof ik mezelf medelijden aan probeer te praten. Dat is niet zo. Kleuren heb ik nooit gekend, ik wist alleen dat ze bestonden, ik heb ze dus ook nooit gemist. Soms, al klinkt het gek, heb ik zelfs medelijden met mensen die niet blind zijn. Die zien alles zoals het is, kijken objectief naar objecten. Ze leven in afgesloten cellen, waar een afstandsbediening een afstandsbediening is, een boek een boek en een kleur blijft een kleur. Bij mij is alles steeds weer anders. Ik maak er altijd een spel van om mijn fantasie te gebruiken wanneer er iets aan me wordt beschreven. Dan vraag ik ze geen kleuren te gebruiken, maar vraag ik naar vormen, geuren, structuren. Dan sluit ik mijn ogen en haal ik wonder boven wonder een beeld voor mijn ogen, dat ik schilder in gedachten.

Dan zie ik hoe het licht valt op de bergen, waar krakend sneeuw langzaam smelt; en hoe dat licht door wolken – die volgens beschrijving zouden moeten voelen als watjes – straalt. Het heeft iets romantisch. Nee, medelijden is het laatste gevoel dat ik probeer op te roepen.

Er was eens een dag – zo’n vijf jaar geleden – dat ik besloot dat ik op reis wilde. Familie en vrienden reageerden verbaasd, vroegen of dat wel zo’n goed idee was. Misschien dat zelfs u, wanneer u dit leest, denkt: die man is gek; hij is blind en dan wilt hij reizen! Ik zou immers toch niets kunnen zien en niet kunnen genieten van de natuur. Ik werd niet boos, toen mijn familie het zei, ik ging niet huilen, voelde me op geen enkele manier aangevallen. Nee, ik lachte ze uit en ben toch op reis gegaan. Ik voelde medelijden met hun blik op mijn blindheid.

Nu is het natuurlijk wel zo dat er iemand van de familie mee moest, voor mijn eigen veiligheid. Dat vonden mijn ouders, die onderhand allebei met pensioen waren, geen probleem; ze waren het dan misschien niet met mijn beslissing eens, ze vonden niet dat ze het mij konden onthouden.

Zo was het dus dat ik binnen enkele weken, met goede moed en een beetje hulp van mijn ouders, het vliegtuig instapte en de Atlantische Oceaan overvloog, op weg naar de westkust van de Verenigde Staten, waar de natuur divers was, net zo divers als de inwoners en hun steden. Natuurlijk is dit me tijdens de reis verteld, ik kon het zelf niet zien.

We reden langs de kust. Met het raam open hoorde ik door de gierende wind de golven tegen de rotsen slaan en meeuwen krijsen. De kleine kiezeltjes die waren afgesleten van de rosten waarlangs we reden knarsten onder de autobanden, ik voelde de hitte van de zon door het open raam op mijn wangen schijnen. Voor mijn dichte ogen zag ik een natte zee, met golven van misschien wel vijf meter hoog, met een surfer die uiteindelijk verdween onder het water en even later proestend weer opdook. Ik glimlachte, genoot.

De vallei der doden: Death Valley. Het was er warm, warmer dan ik ooit had meegemaakt. Vooral Badwater was voor mij indrukwekkend. Mijn ouders begeleidden mij, ik wilde per se naar het middelpunt van Badwater, midden in de grote vlakte die ik niet zag, maar op de een of andere manier perfect kon voelen. Ik kon me voorstellen hoe mijn ouders omhoog hadden gekeken naar het bordje waarmee het zeeniveau wordt aangegeven. In mijn hoofd zag ik ze ernaar kijken, het in zich opnemen, dan hun schouders ophalen en verdergaan. Wanneer dat beeld vervaagde, zag ik mezelf van een afstandje, in een diep gat, met honderden meters boven ons, boven op de klif, een enorm meer dat dreigde over te stromen. Ik voelde me overrompeld door het schoon van deze natuur, ik rilde, ik glimlachte.

Alles was hier anders dan in ons land. Het rook anders, de lucht voelde anders, de geluiden waren voller, rijker dan in ons land. Elke ervaring was een verademing, ondanks dat ik niets zien kon. Van mijn ouders hoorde ik bijna niets. Zij keken, zagen de wereld precies zoals ze was. Soms lachten we om grappen, hadden we goede gesprekken, maar ik kan mij niet voorstellen dat zij het beter hebben gehad dan ik.

Ook toen we eenmaal weer thuis waren kreeg ik dat gevoel. Wanneer ik bij mijn ouders was en er vrienden op visite waren, wilde zij alles weten van de reis die we hadden gemaakt. Mijn ouders hadden alles gezien, zij hadden foto’s gemaakt, zij hadden een beeld bij de uitzichten, konden de kleuren voor zich halen en aan de anderen beschrijven.

Maar de visite vroeg niet naar de foto’s, ze vroegen niet naar mijn ouders, die de verhalen misschien hadden kunnen vertellen zoals ze echt waren. Nee, ze wilden allemaal mijn verhalen horen. Nu was ik zo eigenwijs het niet te vertellen, ik liet ze liever spartelen, ik liet ze liever spijt hebben van hun eigen vooroordelen. Mijn zwijgen deed hen des te meer snakken naar mijn beschrijving. Dan legde ik mijn handen achter mijn hoofd en glimlachte. Ik genoot.

U ziet: in het land der blinden, is éénoog koning.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam