Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

In het vel van een kameleon

Door Pauline Kastelijn

De zon zakt langzaam achter de horizon weg en laat, waar de hemel het water raakt, een rode gloed achter. De zee is rustig, de knecht staat aan het roer en schipper Hendrik Arents Gold, hij is ook boer en vervener, zit in het vooronder. Van een turfvaart naar Amsterdam vaart hij terug naar Kolderveen. De Amsterdamsche Courant van 8 mei 1789 ligt voor hem en hij leest dat grote groepen patriotten die eerder naar Sint Omer in Frans Vlaanderen zijn uitgeweken, naar Brabant zijn teruggekeerd: ” (…) vermits hun van wegens het Fransch Miniftery geen onderhoud meer gegeven wordt, dan zij met arbeid konden verdienen”. Hendrik gaapt, strijkt eens door zijn blonde haar en denkt: Ja, wat willen jullie, een beetje niets doen en meer geld krijgen dan mensen die ervoor moeten werken? Terwijl Hendrik zijn gedachten laat dwalen, doopt er net over de grens met de Zuidelijke Nederlanden, een jonge advocaat zijn veer in de inktpot en schrijft een oproep aan het provinciebestuur. Hij schrijft dat de problemen van de arme bevolking opgelost worden, als ook armen het stemrecht krijgen en zo hun belangen door eigen vertegenwoordigers in het bestuur van de provincie kunnen behartigen.
Na langdurige droogte en misoogsten, gevolgd door extreme kou in de afgelopen winter hebben arme mensen het slecht. De prijs van het graan stijgt elke dag en de aardappel heeft in Frankrijk haar weg als voedsel nog niet gevonden. Brood is haast onbetaalbaar voor arbeiders die in steden bij de fabrieken wonen, landloos zijn en niet op zelfvoorziening kunnen terugvallen. Ook boeren, die voor een groot deel aangewezen zijn op inkomsten uit hun thuisweef- en spinnerijen, verkeren in bittere armoede. Dit thuiswerk wordt hen ontnomen door met waterkracht aangedreven fabrieken waarin de productie van spinnen, weven en breigoednijverheid op één plaats wordt samengebracht.
Deze advocaat schrijft dat de elite in het provinciebestuur enkel hun eigen belang dient en zélf de oorzaak is van de misstanden in zijn provincie. Ook spreekt hij zijn ergernis uit over de grote aantallen patriotten uit de Noordelijke Nederlanden, die zich in zijn stad en overal in de provincie vestigen en een uitkering van de Franse overheid krijgen. Duinkerken en Grevelingen zijn bij kooplieden in trek en voor ambachtslieden is er bij Sint Omer zelfs een eigen gemeenschap Batavia ontstaan, waar alleen al enkele duizenden patriotten zich met hun gezin hebben gevestigd.
Advocaat Robespierre gelooft heilig in de goedheid en zuiverheid van eenvoudige mensen, hij is voor vrijheid van meningsuiting, voor algemeen kiesrecht en tegen onrecht, slavernij en de doodstraf. Als advocaat neemt hij het vaak op voor de armen, gelooft met grote stelligheid in alles wat hij zegt en vindt naast zijn werk veel voldoening in het schrijven van poëzie.
In de wereld van schipper Hendrik komt het nieuws via kranten en de preekstoel tot de mensen en nu hij turf levert aan de Staat volgt hij het nieuws over de revolutionaire ontwikkelingen in Frankrijk en de reacties daarop in de Zuidelijke Nederlanden op de voet.
Hij weet dat in Versailles, na meer dan anderhalve eeuw, voor het eerst de Staten Generaal weer bijeen is gekomen, waar de onvrede van arbeiders en boeren, de “derde stand”, met het standenbestel zijn weg vindt. Amper tien dagen later sluit de “eerste stand” met kardinalen, bisschoppen en lagere geestelijken zich bij dit protest aan en volgt ook de “tweede stand”, waarin de adel vertegenwoordigt is.
Hendrik komt met twee kranten, De Oprechte Haarlemse van 23 juli 1789 en de Ommelander Courant van de 24ste uit Meppel thuis. Onderweg heeft hij al gezien dat in Frankrijk de revolutie is uitgebroken. Hij zit met de kranten voor zich aan tafel. Hoe gaat dit aflopen? Al jaren is het onrustig in de Zuidelijke Nederlanden waar, net als in Frankrijk, het aantal armlastige burgers groeit en de armoede hand over hand toeneemt. Henegouwen, Brabant en Vlaanderen wijzen de vernieuwingen die de Oostenrijkse keizer wil invoeren af, in tal van steden breken er rellen uit en in het prinsbisdom Luik broeit een revolutie.
En dan hier? Na de inval van de Pruisen, nu twee jaar geleden, sleept de Republiek zich voort en neemt het verval alleen maar toe. Het patriottische elan mag verzwakt zijn, maar is niet vernietigd en wacht af tot hier de machtsverhoudingen veranderen en de vraag is: Wanneer zal dat zover zijn?
Op een middag in april 1790 meert Hendrik zijn schip af aan de kade bij fort Lillo, net boven Antwerpen. Na de controle van zijn schip, de papieren en de lading van vooral bedrukte en geverfde katoen uit Gent kan hij vrij snel door de blokkade. In de Zuidelijke Nederlanden is het zo heel anders zijn dan in de Noordelijke. De oorlogsdreiging die hand over hand toeneemt, al die forten langs de rivieren en in Dendermonde, de garnizoensstad waar hij zijn turf heeft gelost, liepen er voor zijn gevoel meer Staatse soldaten rond dan gewone burgers. In deze omgeving wil Hendrik het liefst bij daglicht varen en daarom overnacht hij bij dit fort.
Weer thuis, zit Hendrik op 4 mei 1793 aan een tafel vol met papieren. Hij moet, net als na zijn eerdere turfvaarten naar de Zuidelijke Nederlanden, de rekening voor de Staat opmaken van de kosten voor tol-, trek- en bruggeld, voor belastingen en paspoortcontroles die hij uit eigen zak heeft voorgeschoten.
Terwijl hij met zijn ellebogen op de tafel steunt, zijn veer in zijn rechterhand klaar houdt om te gaan schrijven, laat hij zijn hoofd in de linker rusten. Wil hij eigenlijk nog wel zo’n reis naar de Zuidelijke Nederlanden maken? Wordt dat niet veel te gevaarlijk? Sinds de Fransen een paar maanden terug de oorlog verklaarden aan Engeland en de Noordelijke Nederlanden, neemt de spanning daar met de dag toe.
In kranten die Hendrik op zijn reis heeft gelezen, wordt ook in Frankrijk zelf de chaos met de dag groter. Er is een noodregering ingesteld en Robespierre, de jonge advocaat uit Frans Vlaanderen, trekt daarin de macht naar zich toe. Het Tuilerieënpaleis waar Lodewijk VXI woont wordt bestormd, de Koninklijke familie gevangen gezet en kort daarna onder het vallende mes van de guillotine onthoofd. Deze onthoofding brengt in het buitenland een woede teweeg die ontaardt in verschillende oorlogen. De noodregering stelt een algemene dienstplicht in voor de laagste klasse van de bevolking, waaronder veel handwerkslieden en kleine handelaren, die sansculotten, die “zonderbroeken” worden genoemd omdat zij geen elegante kniebroek dragen, maar een lange werkmansbroek. Ze noemen elkaar burgers, dragen als onderscheidingsteken een rode muts met een rood-wit-blauwe kokarde en uitten felle protesten. De noodregering voelt zich door hun massale verzet in het nauw gedreven en het is Robespierre die aanvankelijk hun vertrouwen weet te winnen.
Nee, hoe langer Hendrik erover nadenkt, het wordt hem te gevaarlijk en dit is zijn laatste reis naar de Zuidelijke Nederlanden geweest. Hij pakt een briefje van tafel, doopt zijn veer in de inkt en gaat verder met zijn onkostenlijst.
Elke dag staat er wel iets in een krant over de politieke ontwikkelingen in Frankrijk. Zo schrijft de Hof Courant op 2 augustus 1794: “Robespierre, (…) maar veinzery, huichelaary en wreedheid zyn voldoende vereisehten voor een hoofd van sansculotten. De vraag is ondertuschen, of dezelven voldoende zullen zyn, om hem den yzeren scepter, met welke hij Frankryk drukt, lang te doen zwaaien?” De Ommelander Courant en de Opregte Haarlemse Courant van 14 augustus brengen het bericht van 28 juli uit Parijs waarin wordt gemeld dat Robespierre en zijn trawanten veroordeeld, gearresteerd en terechtgesteld zijn.
Het wordt herfst en de winter met strenge vorst valt vroeg in. In december vriezen de rivieren dicht en op 27 december 1794 trekken de Fransen over de bevroren Waal de Bommelerwaard in en kunnen kort daarna ook de rivieren de Rijn en de Lek oversteken. Utrecht capituleert op 16 januari 1795, erfstadhouder Willem V vlucht twee dagen later met zijn gezin naar Engeland, op de twintigste valt Amsterdam en een dag later wordt de Bataafse Republiek uitgeroepen. Op de laatste dag van januari wappert de Franse vlag op de toren van Zwolle en de gedeputeerden die uit Assen naar Zwolle reisden, sluiten daar de capitulatie met generaal en sansculotte Jardon af. In Meppel stellen de patriotten het Comité Revolutionair samen en laten het volk in een proclamatie weten: ‘Ons hart dorst niet naar bloed of wraak.’ Dit Comité reist met 160 gewapende schutters naar Assen, de oude Landschapsregering valt en het Comité Revolutionair neemt zonder strijd de taken van de drost en de gedeputeerden over.
Januari 1795, de Republiek bezwijkt zonder noemenswaardig geweld, als een kaarsvlam die nog amper uitgeblazen hoeft te worden. In Drenthe zijn de patriotten vergevingsgezind, zij zijn in vergelijk met hun kameraden in andere gewesten, door de Oranjepartij goed behandeld en kregen geen vrijheidsstraffen of verbanningen opgelegd. De emoties zijn bedaard, bitterheid maakt plaats voor het besef dat er belangrijk werk wacht en schipper, boer en vervener Hendrik Arents Gold uit Kolderveen blijft zijn turf aan de Staat leveren …

4 reacties

Trees Bult

woensdag, 15:18

echt een mooi verhaal Pauline! Knap hoor.

Karla Ubels

vrijdag, 09:41

Zo moeten geschiedenisverhalen vertelt worden. Mooi geschreven.

A.H.ter Schure

woensdag, 11:14

prachtig verhaal

Riet

maandag, 12:05

Weer veel van je verhaal geleerd Pauline !
Mooi ,helder geschreven .Een prijs waard .

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch