Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Is buurman ziek?

Door Niels Vonberg

De poster van Max Verstappen tegenover Martin’s bed wordt een seconde lang blauw beschenen en dan weer een seconde rood, dan weer blauw, rood, blauw, rood. Verstappen’s dikke lippen verdwijnen onder de rode kleur en lichten grijs op onder de blauwe. Achter Max Verstappen is het racepubliek te zien, maar de fotograaf heeft ingezoomd op het gezicht van Verstappen waardoor het publiek eruit ziet als confetti.

Martin heeft geen zin om uit zijn bed te komen, hoewel het gepraat van mensen op straat buiten is te horen. Aleen de lippen van Max Verstappen die de zwaailichten van buiten zoenen tellen.

De lamp van de hal valt breed op zijn bed en zijn ontblote lichaam. Iemand heeft zijn deur opengedaan, maar niet helemaal. Misschien is er toch iets ernstigs aan de hand en moet hij het huis verlaten. Snel draait hij zich om en gooit de deken over zich heen wanneer deur helemaal wordt opengeduwd.

‘Mama buiten, mama buiten.’ Alex is ook wakker – mooi is dat. Hij staat midden in de deuropening met zijn ene hand nog om de deurhendel. Martin ziet Alex vertwijfeld kijken, maar het fronsje tussen zijn wenbrauwen verdwijnt. Alex loopt met snelle stappen Martin’s slaapkamer in. Zijn trappelende voetstappen klinken als kletterend water. Alex begint aan het dekbed te trekken. ‘Martin moet meekomen.’

‘Ok, ok.’ Martin stapt half uit bed. Hij blijft zitten op de rand met de deken om zich heen. De vloer voelt koud aan. Hij kromt zijn tenen. ‘Doe je schoenen maar alvast aan, ik kom zo.’

Een tocht dringt zijn kamer binnen. De voordeur staat dus open. Het zachte geronk van een parkerende auto klinkt samen met stemmen die hij niet kan herkennen. Het klinkt opgewonden, maar niet gevaarlijk. Martin wrijft met zijn hand over zijn gezicht en kijkt op de klok. Iets na enen. Hij pakt zijn onderbroek en schoenen.

Alex staat onderaan de trap te wachten. Martin tilt hem op en loopt de voortuin in. Het is minder koud dan hij dacht. De lente komt steeds vroeger. In het haar van zijn broertje ruikt naar de zoete shampoo die niet prikt in de ogen. Zijn telefoon ligt nog boven.

‘Oh, de kinderen zijn nu ook wakker’, hoort hij zijn moeder zeggen. Ze praat met de buren die bij het hekje van de voortuin staat. Ze zwaait naar Martin. Nog steeds draagt ze de kleren die ze overdag ook aan heeft gehad. Dat betekent dat ze weer tot laat aan het drinken was. Ze zegt dat ze de lange, eenzame avonden moeilijk vindt wanneer Martin’s vader werkt, maar dat het geld welkom is. Wanneer ze de gordijnen dicht heeft merkt ze soms niet eens dat het ochtend wordt. Toch ziet ze er wakker uit vanaf een afstand. Misschien is ze blij omdat er wat spannends gebeurt.

Want er staat politie voor het huis van de overbuurman. Martin kan zien dat het ambulance personeel de slaapkamer binnloopt. Twee fluorescerende, gele pakken verschijnen even voor het raam en dan bukken beide medewerkers zich. Een politieagent die ook in de slaapkamer staat loopt naar het raam toe en trekt de gordijnen dicht. Licht schijnt door de open plekken die niet gesloten kunnen worden.

‘Ze zijn op zoek naar een kerel in een grijze sweater en capuchon’, hoort Martin de vader van Tycho zeggen die bij zijn auto bij de stoep staat. Hij houdt zijn telefoon omhoog en maakt een foto, waarna hij iets begint te typen. Tycho is nergens te zien, maar die is vaak tot laat buiten.

Ook de ouders van Mo staan op straat, maar hun kinderen kijken vanachter het slaapkamerraam naar buiten. Mo staat er ook tussen. Martin zwaait met zijn vrije hand naar hem. Mo ziet hem niet. Martin staat ook buiten het licht van de lantaarnpaal, maar hij heeft geen zin om de straat op te lopen met zijn broertje. Alex is weer in slaap gevallen en ligt met zijn hoofd op zijn schouder.

Zijn moeder staat nu naast hem, maar ze neemt Alex niet over. ‘Het moest een keer fout gaan.’ Ze zegt het alsof ze het had zien aankomen, maar over de veiligheid van de overbuurman had ze het nooit gehad. Wel over die van Alex. Ze is altijd bang dat kleine kinderen verkeerde ideeën krijgen.

Martin had nooit iets gezien. Alleen één keer had hij de overbuurman met ontbloot bovenlichaam zien rondlopen in de woonkamer. Over zijn linkerborst had hij een tatoeage van een berenklauw. In de supermarkt had hij hem ook eens van dichtbij gezien. In zijn oor had hij een paar gaatjes, maar hij droeg geen oorringen. Een keer had Martin ’s avonds gezien hoe de overbuurman opendeed voor een man in trainingsbroek en capuchonsweater. De overbuurman had hem snel aangekeken, alsof hij schrok, maar daarna lachte hij naar Martin en Martin zwaaide naar hem.

De verhalen over alle andere mannen die ’s avonds langskwamen zeiden Martin niks. Het was moeilijk voor hem om er iets bij voor te stellen. Het leek hem zo onpersoonlijk, hoewel hij zich het wél kon voorstellen met iemand als Max Verstappen. Maar dat is anders.

Irma, de linkerbuurvrouw van de overbuurman, had meerdere malen geklaagd over geluidsoverlast. Ze vertelde er altijd over wanneer ze op bezoek was. Één van de gasten die de overbuurman mee naar huis had genomen had twee honden mee en die hadden de hele avond geblaft. Irma herhaalde altijd stellig wanneer het over hem ging: ‘Wat hij allemaal doet interesseert me niet, maar ik wil er geen last van hebben.’

Martin’s moeder slaat haar hand voor haar mond wanneer de brancard naar buiten wordt gedragen. De overbuurman is niet te zien onder het witte laken, maar iedereen weet dat het zijn lichaam is die eronder ligt. Iemand in de straat gilt, maar het is voor de rest stil, misschien stiller dan normaal.

‘Dat wens je zo’n man dan ook weer niet toe’, zegt zijn moeder achter haar hand.

De ambulance rijdt weg met de draailichten aan, maar zonder sirene. In het huis van de buurman blijven de lichten aanstaan. De politie loopt het huis in en uit en ze zijn begonnen met het ondervragen van mensen. Martin kan de stem van Irma horen. ‘En de hele avond blaffen, maar niemand die langskwam.’ Ze klinkt aangedaan. Zijn moeder praat met de moeder van Suus van verderop. Ze wrijft met haar hand in haar nek. Mensen praten zachtjes met elkaar, maar Martin kan in het geroezemoes geen andere woorden onderscheiden. Mo’s ouders zijn alweer naar binnen gegaan. Hun huis is helemaal donker.

Martin loopt ook naar binnen en brengt Alex naar zijn slaapkamer. Bij het toedekken gaan Alex’ ogen open. Er verschijnt een frons in zijn voorhoofdje. ‘Is buurman ziek?’

‘Nee’, zegt Martin. ‘De overbuurman is dood.’

Hij laat het licht bij Alex’ bed branden. Zijn moeder mag alle andere vragen morgen beantwoorden. ‘Ga maar lekker slapen’, zegt Martin fluisterend tegen Alex en aait hem over zijn bol.

Er zijn geen zwaailichten meer die zijn slaapkamer beschijnen wanneer Martin zijn eigen bed instapt. Hij valt direct in een droomloze slaap.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch