Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Jacoba’s kippensoep

Door Celeste Richardson

De vroege ochtendlucht kleurde vlammend oranje. Het bos rook naar vochtige aarde. Er zaten struikrovers en wolven, wist Jacoba. Kinderen mochten hier niet komen. Zij wel, zij was al twaalf. En het maakte niemand iets uit als haar iets overkwam. Behoedzaam liep ze over de knappende takjes met haar zelfgemaakte boog.

Ze was de oudste van zes. Haar vader was een houthakker zonder werk. Mensen bouwden hun huizen tegenwoordig van steen, en turf was goedkoper dan brandhout. Soms kwam er weken achtereen geen geld binnen. Dan schreeuwde haar vader en huilde haar moeder. Jacoba wilde helpen, daarom zwierf ze elke vrijdag over de boerenmarkt. Met het brood en fruit dat ze onder haar jurk schoof vulde ze thuis ongemerkt de voorraden aan. Het geld dat ze pikte stopte ze met kleine beetjes in de huishoudpot. Ze was handig en snel, een meester in de afleiding. Haar roodblonde vlechten en groene ogen, die volgens haar moeder altijd droevig keken, werkten in haar voordeel. Tot de marktmeester haar op heterdaad betrapte. Jacoba kreeg een marktverbod en een bijlslag op twee vingers.

Ze was een schande voor de familie. Geen man zou ooit met haar willen trouwen. Zelfs de nonnen hadden haar afgewezen. Maar de hardste klap kwam met het wegvallen van haar wekelijkse bijdragen. Haar broertjes en zusjes werden met de dag magerder. Haar moeder was ziek geworden en kwam haar bed niet meer uit. Haar vader schreeuwde nu vaker en harder.

Jacoba spitste haar oren. Er ritselde iets tussen de varens. Met haar verminkte hand trok ze de pijl naar achteren, tot de pees strak gespannen stond. Geruisloos stapte ze dichterbij. Tot haar verbazing was het een scharrelende kip. Ze kneep één oog dicht en schoot. De pijl vloog zoemend weg en raakte het dier vol in de borst. Het lijf schokte nog even na voordat het bloedend in elkaar zakte. Een hele kip! Jacoba lachte van opwinding en vreugde. Daar konden ze zeker twee dagen van eten. Vanuit haar ooghoek zag ze een tweede kip, roerloos op een boomstronk. Zonder erbij na te denken spande ze haar boog opnieuw en schoot. Met een doffe plof viel het dier op de grond. Twee kippen, wat een geluk! Jacoba kon niet wachten om naar huis te gaan en de gezichten van haar familie te zien. Ze sloeg de zak over haar schouder.

Een man liep nerveus over het bospad. Jacoba kende hem uit het dorp, hij woonde tegenover de kapotte molen.
‘Meisje, heb jij toevallig kippen gezien?’ vroeg hij. ‘Er zijn er een paar ontsnapt.’
Jacoba verstijfde. De kadavers waren plotseling loodzwaar. Ze twijfelde, ze had haar vader beloofd alles goed te maken. Tegelijkertijd zag ze het blinkende metaal van de bijl weer voorbij flitsen, zoals elke ochtend vlak voordat ze wakker werd.
De man kneep haar ruw in de arm. ‘Ik vraag je wat! Ben je je tong verloren?’
‘Ik heb twee kippen gezien,’ gaf ze toe.
‘Waar?’ vroeg de man ongeduldig.
‘Verderop,’ wees Jacoba. ‘Maar, eh, ze zijn neergeschoten.’
De man fronste zijn wenkrauwen. ‘Wie jaagt er nu op kippen?’
‘Ik.’ Jacoba hield de zak ondersteboven. Twee dode kippen rolden over het pad. ‘Hier hebt u ze terug. Het spijt mij, ik wist niet dat ze van u waren.’
De man werd kwaad. ‘Wat moet ik met twee dode kippen?’
Jacoba haalde haar schouders op. ‘U kunt er soep van maken.’
‘Dat krijg ik nooit op.’
‘U kunt ze verkopen. Het is vandaag markt.’
‘Voor twee dode kippen krijg ik niet eens één levende terug.’
Jacoba dacht even na. ‘Het spijt mij. Ik zal ervoor zorgen dat u uw kippen terug krijgt. U woont toch tegenover de kapotte molen?’
De man knikte.
‘Hebt u een grote ketel?’

Later die ochtend klopte Jacoba aan. Haar twee zusjes speelden in de kar met de rinkelende kommen en lepels. Haar drie broertjes probeerden elkaar met een zware plank te slaan.
De man deed open. ‘Wat een scharminkels, was dit de beste hulp die je kon krijgen?’
Jacoba knikte. ‘Ik heb alles bij me, zoals afgesproken.’
‘Waar zijn de ingrediënten?’
‘Hier.’ Ze hield een ingedroogde venkelknol omhoog.
De man zette vermoeid zijn handen in zijn zij. ‘Daar kan je geen soep van maken.’
‘Het was het enige dat we hadden liggen,’ zei ze beschaamd.
‘Daar langs het hek groeit rozemarijn en bieslook.’ De man draaide een van de jongens in de juiste richting en gaf hem een zet.

Na een flinke krachtinspanning stond de volle ketel op de kar. Het rook heerlijk. Jacoba’s jongste zusje moest onderweg op de deksel zitten om verspilling te voorkomen. Ze kwamen laat op de markt aan, de eerste kramen werden al afgebroken. De marktmeester telde vanachter een tafel zijn geld. Hij veerde op zodra hij Jacoba in het oog kreeg. Met een knuppel in de hand kwam hij dreigend op haar af.
‘Jij mag hier niet meer komen,’ snauwde hij.
‘Alstublieft,’ smeekte Jacoba. ‘Ik heb kippensoep die ik eerlijk wil verkopen.’
‘En hoe kom jij aan kippen?’ De marktmeester keek argwanend naar de ketel, met daaromheen de angstige ogen van haar broertjes en zusjes.
‘De kippen zijn van de man die tegenover de kapotte molen woont. Hij weet ervan. Alstublieft?’
De marktmeester gromde. ‘Ik waarschuw je, één misstap en je hele hand gaat eraf. Begrepen?’
Jacoba knikte heftig.
‘En je betaalt mij een kwart van je verdiensten.’
‘Natuurlijk. Bedankt.’
Trillend stalde Jacoba de spullen uit. Ze zag de marktmeester met de schout smoezelen. Hij wees naar haar.

Een boer bleef staan voor de plank die tegen de ketel leunde. Kippensoep twee cent, stond er met houtskool op geschreven. Hij zette zijn kratten op de grond en pakte zijn geldbuidel. Jacoba schepte beheerst een kom vol en nam de centen dankbaar in ontvangst.
‘Zalig!’ riep de boer na de eerste slok. ‘Dit is de lekkerste soep die ik ooit heb gegeten.’
Een tweede klant diende zich aan. ‘Het is de venkel die het zo lekker maakt,’ zei deze tegen de boer.
Al snel stond er een rij. Jacoba vulde de ene kom na de andere. Haar broertjes en zusjes renden af en aan naar de pomp om alles schoon te spoelen. Jacoba stopte pas toen de bodem in zicht was.

Ongelovig staarde ze naar het blik dat tot de rand was gevuld met munten. Zoveel geld had ze nooit eerder bij elkaar gezien. Ze betaalde de marktmeester een kwart en van het overgebleven geld kocht ze vier kippen. Ze liep naar het huis tegenover de kapotte molen en gaf de man zijn ketel en twee kippen, die hij verrast in ontvangst nam. De andere twee kippen nam ze mee naar huis. Op de terugweg kwam ze de marktmeester tegen. Hij was diep in gesprek met de schout en een kippenboer. De beul stond ernaast, hij sleep zijn bijl. Jacoba hield bij het passeren haar blik strak op de grond gericht.

Op vrijdag stond ze weer met haar broertjes en zusjes op de markt, vroeger deze keer. De soep was al voor de middag uitverkocht. Van het verdiende geld kocht Jacoba brood, kool en vier nieuwe kippen. De week erna maakte ze twee ketels soep. Haar moeder kwam sinds lange tijd uit bed. Ze vroeg of ze Jacoba kon helpen met het plukken van de kippen. Haar vader had de zware ketels zwijgend voor haar op de kar gezet. De week daarna maakte Jacoba drie ketels soep. Haar moeder bakte brood om erbij te verkopen. Haar vader timmerde een kippenren. Op woensdag trok hij de kar naar de veemarkt in het naastgelegen dorp, om daar soep te verkopen. Hij mopperde veel, maar schreeuwde niet meer. Haar broertjes en zusjes droegen nieuwe kleren en hadden blozende wangen. Zij hielpen niet meer mee, want zij gingen voor het eerst in hun leven naar school.

Vele lentes later stapt Jacoba uit op de boerenmarkt van haar geboortedorp, waar het allemaal begon. Ze draagt een fluwelen mantel met een kraag van hermelijnbont. Door haar knot steekt een gouden speld. De marktmeester stapt opgetogen op haar af. Hij is kaal en dik geworden.
‘Vrouwe Jacoba, wat een eer! Waar hebben wij uw bezoek aan te danken?’
‘Ik zoek de schout,’ antwoordt ze.

Jacoba’s hand glijdt langs de verroeste tralies. Dan ziet ze hem, de man die tegenover de kapotte molen woonde. Zijn verweerde huid heeft dezelfde bruine kleur als zijn kleding. De klitten in zijn haar doen haar denken aan ruwe wol. Aarzelend zwaait hij naar haar vanuit zijn donkere cel. Hij mist twee vingers.
‘Dat is hem,’ zegt ze.
‘Weet u het zeker?’ vraagt de schout. ‘Hij heeft nogal wat op zijn kerfstok. Het is een kippendief en hij drinkt teveel brandewijn. Eerlijk gezegd denk ik niet dat hij geschikt is om in een van uw handelshuizen te werken.’
Jacoba wrijft over haar zijden handschoen, daar waar ooit haar vingers zaten.
‘Ik weet het zeker,’ zegt ze.

De schout knikt en schuift de sleutel schrapend in het slot.

2 reacties

Floor Geerling-Eiff

zondag, 19:29

Prachtig verhaal. Meeslepend en mooi geschreven.

Jacques Biemans

vrijdag, 20:46

Een mooi sympathiek verhaal; ik ben benieuwd naar je volgende verhaal!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch