Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Jeruzalem, bom, BOEM

Door Anneliese Vonk

Jeruzalem, bom, BOEM

Zaterdag 24 februari 1996
Onze rondreis door Israël zit er bijna op, het is de laatste dag die wij, Theo en ik, samen met de medereizigers en onze gids Nimrod in Jeruzalem doorbrengen. Na de middagexcursie worden wij weer netjes voor ons hotel afgezet. Nimrod drukt ons tweetjes op het hart om de volgende ochtend al vroeg, gepakt en gezakt, in de hal van het hotel klaar te staan. Wij hebben er namelijk nog een paar daagjes Eilat aan vastgeplakt en reizen morgen met een vers ingevlogen gezelschap vakantiegangers mee, naar het zuidelijkste puntje van Israël. In de lounge van het hotel drinken we gezamenlijk nog een drankje waarbij we Nimrod hartelijk danken voor zijn goede zorgen. En voor zijn passievolle verhalen, doorspekt met vreugde en angst, over zijn geboorteland Israël. Door zijn ogen laat hij bezoekers zijn mooie Israël zien maar tegelijkertijd ook de naakte realiteit van het harde leven hier. Dat hij daarbij ook nog eens Nederlands spreekt maakt het voor ons Hollanders een stuk makkelijker om dieper in de materie te duiken. Een man om nooit te vergeten. En wij mogen na vandaag nog een paar dagen met hem op stap, super!

Terwijl de anderen het iets rustiger aan kunnen doen, omdat zij de volgende dag pas in de namiddag terugvliegen naar Nederland, breng ik de koffers alvast op orde om er morgenvroeg alleen nog maar het allerlaatste in te hoeven proppen waarna Theo ze dicht kan ritsen.

Toen wij een paar maanden geleden deze reis boekten hadden wij buiten onze grote interesse ook wel een paar bedenkingen. Moeten we dit wel doen? Het nieuws vertelt ons dat het niet overal veilig is in Israël, dat we met deze reis het gevaar opzoeken. Maar het land trekt ons. De kibboets, de woestijn, Jeruzalem. Niet dat we zó rooms zijn, maar beiden katholiek opgevoed is er toch een stille wens om met eigen ogen te zien waar Jezus’ leven zich heeft afgespeeld. Dat is dankzij Nimrod voor een groot gedeelte gelukt. We hebben de routes gevolgd, gelopen op heilige grond, gestaan op plekken die wij alleen maar via de bijbel kenden. Alles heel indrukwekkend. De pracht en praal, de eenvoud. Maar tegelijkertijd voel je ook de spanning die er continue hangt. Overal alerte soldaten, met hun geweren paraat. Voor mensen zoals wij, van na de oorlog, in vrijheid opgegroeid, voelt dat heel erg ‘unheimlich’ aan.

Nu, op deze laatste avond in Jeruzalem willen we nog even van een culinair Israël genieten. Ons wordt door het hotel een restaurant in de Jaffastraat aanbevolen, een van de drukste en oudste straten in Jeruzalem. Het restaurant heeft een goede keuken, Frans georiënteerd, heerlijke wijnen, topavond! We schamen ons na afloop wel dat we zo genoten hebben van de, uit Israël afkomstige, gebakken ganzenlever. Ik weet het, een minpunt van ons, maar het was wel lekker…
Teruggekomen in het hotel zet ik als eerste de wekker op zeven uur, dan kunnen we ons niet verslapen.

Zondag 25 februari 1996
Het wordt een onrustige nacht. De ganzenlever ligt me zwaar op de maag, God straft meteen zullen we maar zeggen.
Voordat de wekker kans krijgt ons te wekken, worden wij ruw wakker geschud door een enorm heftige harde knal. We zitten rechtop in bed en kijken elkaar verschrikt aan. Wat is dit? Wat gebeurt er allemaal om ons heen? Na die knal is het even stil, maar daarna komt er een kakafonie aan geluiden onze hotelkamer binnen. Jankende sirenes, volop lawaai, geschreeuw, rook, paniek. Terwijl we naar buiten kijken, zien we een grote chaos. Over het hotel komen zwarte rookwolken heen gedreven die de lucht donker kleuren. Politie- en brandweerwagens komen met hoge snelheid voorbijgereden en scheuren de hoek om. Wij zitten aan de achterzijde van het hotel, waarschijnlijk is er bij de entree iets verschrikkelijks gebeurd. We kleden ons snel aan en gaan bij de anderen informeren wat er aan de hand is.

Al snel horen we dat er een bom in een bus, recht voor ons hotel, is ontploft. Wij pakken beneden snel wat broodjes en gaan ons gereedmaken voor vertrek, tenminste als dat nog kan. Even later komt Nimrod het hotel, eerder dan gepland, binnenrennen. Gerustgesteld dat er met ons allen niks aan de hand is maant hij ons beiden de groep gedag te zeggen en met hem mee te komen. De bus staat, nu hij niet bij het hotel kan komen, op een andere locatie op ons te wachten. Wij hebben een flinke wandeling voor de boeg. En daar wij nog steeds onder zijn verantwoording vallen, en we op een gevaarlijke locatie zitten, wil hij ons hier zo snel mogelijk weg hebben. Die bom heeft de hele planning omgegooid.

Na afscheid te hebben genomen van onze medereizigers staan we samen met Nimrod én onze bepakking klaar om te vertrekken. Wij worden door Nimrod nog even vriendelijk doch streng toegesproken. Hij drukt ons op het hart dicht bij hem te blijven. Wat er ook gebeurt: doorlopen, niet omkijken, hem altijd blijven volgen. De kans is namelijk groot dat er nóg een bom zal afgaan. Op onze vraag waarom hij dat denkt, geeft hij een antwoord waar bij mij wederom de rillingen over het lijf lopen, zo onmenselijk. ‘Als bom één is afgegaan, trekt dat meteen veel mensen. Tussen dat publiek nestelt zich vaak zelfmoordterrorist nummer twee die dan de volgende bom laat ontploffen, met als resultaat nóg meer slachtoffers’. Niet normaal, zoveel haat, walgelijk!

De spanning neemt toe. Tijdens onze rondreis hebben we van Nimrod, door onze vele gesprekken met hem, een behoorlijke inkijk in de keuken gekregen van het dagelijks leven van de Israëliërs. Zo hamstert Nimrod bijvoorbeeld voedsel. Onder zijn bed ligt altijd een flinke voorraad, ‘want je weet nooit wat er vandaag of morgen gebeurt’… Dit alles bedekt met een flinke dosis galgenhumor, zo houdt hij zich op de been.

Op het moment dat we naar buiten stappen schrikken we van wat we zien. Raar wat er in zo’n kort moment allemaal bij je binnenkomt, je ogen die als een camera in slow motion, van links naar rechtsdraaiend, alles opneemt.
Deze hele situatie voelt alsof we midden in een scène van een oorlogsfilm zitten. Maar dit is echt, het lawaai, de geur, het beeld, om nooit te vergeten. Het stikt er van de politie, militairen, ambulancebroeders, dokters. Wat mij het meeste treft zijn de Joodse mannen, mèt keppeltje, die ik overal om ons heen stukjes menselijk weefsel met een pincet van de muren zie plukken om die vervolgens in een plastic zak te stoppen. De tv in de receptie wist, kort voordat we het hotel uitliepen, al te melden, dat Hamas deze aanslag opeist. En dat er minstens 25 mensen in en om de bus door die bomgordel zijn gedood, uit elkaar zijn gereten. Van de bus is slechts een smeulend hoopje ijzer over.

Op het moment dat we samen met Nimrod het hotel uitvluchten slaat de klok acht uur, onvoorstelbaar dat slechts één uur geleden de bom afging. Half lopend half rennend, stoep op stoep af, van links naar rechts, om het plein heen, straatje in straatje uit, met tussendoor telkens een glimp van alle hectiek. Wij blijven Nimrod volgen. De koffers hebben het zwaar te verduren. Zo ook onze handen, tot bloedens toe. Maar Nimrod loodst ons veilig door de stad naar het andere busstation waar onze bus klaarstaat.

Daar eenmaal aangekomen valt de meeste angst van ons af. We geven onze bagage af en stappen nog hijgend en bibberig de volle bus in. We zoeken een lege stoel en laten ons met een diepe zucht neervallen in de kussens. Eigenlijk nog niet helemaal beseffend wat we zojuist meegemaakt hebben. Ook Nimrod moet even op adem komen. De chauffeur wil echter vertrekken, die heeft het hier wel gehad. Nimrod pakt de microfoon en richt zich daarbij tot de reizigers in de bus. Met zijn intussen voor ons zo kenmerkende ‘cynische humor’ heet hij iedereen welkom; “Goedemorgen beste mensen, sorry, we zijn een beetje verlaat. We werden even opgehouden maar we kunnen nu vertrekken. Ik neem aan dat er in deze bus geen bom zit”. Terwijl wij daar om moeten lachen, valt die opmerking bij de anderen duidelijk niet in goede aarde. Oeps … Nimrod heeft straks nog het nodige uit te leggen.
Even later rijden we Jeruzalem uit, laten we het slagveld achter ons, op naar Eilat!

9 reacties

Ilona

vrijdag, 20:08

Bijzonder verhaal en indrukwekkend geschreven . Complimenten

Marleen Timmerman

dinsdag, 22:33

Ook van mij een duimpje, prachtig geschreven.

Anne Lies Demesmaeker

vrijdag, 11:28

Wat indrukkend beschreven Anneliese, je voelt de spanning. Prachtig!

Carola Martens

vrijdag, 09:54

Mooi verhaal het is net of je het zelf mee maakt TOP

Jac Jaspers

maandag, 20:36

Mooi geschreven Anneliese.

Erik van Ekeren

zondag, 11:32

Goed geschreven verhaal Anneliese!
Je waant jezelf echt ter plaatse. Heftig dit uit de eerste hand te horen!

Edith

donderdag, 22:25

Mooi verhaal Anneliese

Karel Janssen

donderdag, 18:47

Realistisch, dus echt non fictie. Als voormalig werknemer van de Britse Strijdkrachten herken ik de beschrijving van een tweede bom ook als typische werkwijze van de toenmalige IRA. Goede beschrijving van een avontuur en geen alledaags vakantieverhaal.

Hanny weerts

donderdag, 18:15

Vooral de tweede helft van het verhaal is spannend. Leuk om te lezen

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch