Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Kamiel

Door Julie Ann-Sophie Beirens

Hij zit er sjofel bij, eet yoghurt met een bevlekt bavet dat hij om zijn dik geaderde hals gedrapeerd heeft. Kamiel is de leeftijd van zesennegentig voorbij en lijkt niet op te geven. Het is een maandagavond en we bevinden ons in het woon- en zorgcentrum waar hij verblijft. ‘Het gesticht,’ zeggen de ouderen bij ons. Iedereen die niet naar vooroorlogse normen functioneert, verblijft in een gesticht of wordt ‘een halve’ genoemd. Afgezien van het ‘verbeteringsgesticht’ en ‘zottenkot’ in Beernem, behoren ook ‘oudemanhuizen’ tot de bovengenoemde categorie. Groottantes fluisteren erover. Over de buurman die met een alcoholprobleem is opgenomen, of de jongen in de straat die geboren is met het Syndroom van Down. Allen verblijven ze in een gesticht, mogen ze het daglicht niet meer zien voor de schone schijn van het dorp. Als de buren het niet zien, kunnen ze er ook niet over fezelen.

Kerst komt eraan en we gaan op bezoek. We roken een laatste sigaret op de parking met de povere volière om de ouderen toch een glimp van vroeger te geven. Dan zetten we onze grootste glimlach op en wandelen we langs de parkeerplaatsen voor dokter en ambulance het rusthuis in. De geur van diabetesvoeten en doodgaan komt ons tegemoet. Op de benedenverdieping verblijven de mensen die nog weten hoe de kleinkinderen heten en nog geen luier dragen. Kamiel verblijft op de tweede verdieping, hij draagt nog geen luier, weet nog hoe wij heten, maar begint her en der te herhalen. Verhalen over Den Oorlog of de steenbakkerij in Roeselare. Naargelang de jaren verstrijken schuift men een verdieping op. Iedereen is als de dood voor de derde etage waar de écht dementen verblijven. ‘Het is niet dat oud worden, het is enkel dat cement zijn,’ zegt Kamiel dan.

We passeren de slaap-, woon-, en leefkamers van de mensen. Een gans bestaan en vele decennia levenservaring worden ingeperkt tot een leven op enkele vierkante meters. Als kind mat ik de ruimte op. Ik liep van de deur tot het bed in zeven grote stappen. De breedte van de kamer mat ik dan weer in vijf grote passen. Hoewel mijn benen niet lang genoeg waren om passen van een meter te zetten, vond ik het toch al verdrietig dat Kamiels bestaan in een ruimte van zeven op vijf werd bewaard. Later groeide ik en kromp de kamer. Als kind zie je de zaken groter dan ze zijn.

De lift brengt ons naar Kamiels kamer. Hetzelfde ritueel herhaalt zich steeds. Op de deur kloppen en zijn verrast gezicht, al is het doorheen de jaren steeds triestiger geworden. De lijnen in zijn hoofd bakenen de jaren af. Als er voor elk levensjaar een rimpel zou zijn, dan klopt die stelling vast. De huid op zijn handen is dun. Rond de ringvinger draagt hij zijn versleten trouwring, rond de pink die van zijn overleden vrouw. Op zijn hoofd lopen exact drie aderen naar elkaar toe. Was Kamiel een pagina uit de atlas, dan zou hij vast die van de Nijldelta zijn.

Hij biedt ons niets te drinken aan, zijn eigen koffie drinkt hij ook niet op. Hij spaart het voor straks, drinkt het liever koud dan weg te gieten. In de oorlog was er geen koffie. Hij vertelt er iedere keer over. Over het krijgsgevangenschap dat hij ontliep door onder te duiken. Dat er toen geen voedselbonnen waren voor hem, dus dat hij nog meer honger had dan de mensen die wel aan bonnen kwamen. En dat hij twee weken na de bevrijding werd opgeroepen om zelf in het leger te gaan. Fier en met het volkslied in zijn achterhoofd, trok hij zijn uniform voor het eerst aan.

O dierbaar België.

Dat hij in Poperinge op de trein werd gezet en niet wist wat de bestemming was.

O heilig land der vaderen

Dat de trein eerst naar Hasselt, dan naar Zedelgem en vervolgens naar Arnhem reed.

Onze ziel en ons hart zijn u geweid

Dat de Slag om Arnhem dan net bezig was

Aanvaard ons kracht en het bloed van onze aderen

Dat de trein opnieuw vertrok en alle soldaten niet wisten waarheen. De gemoederen werden rustelozer

Wees ons doel in arbeid en in strijd

Dat de trein halthield bij een kazerne naast Bergen-Belsen. Dat het een ijskoude lente van ‘45 was. Dat de tyfus en luizen heersten over de ex-gevangenen. Dat ze uitgemergeld waren. Dat de verbrandingsovens nog steeds stonken.

Voor vorst, voor vrijheid en voor macht

Hoewel Kamiel altijd hetzelfde verhaal vertelt, vallen er me telkens andere elementen op. Iedere keer voel ik de koude meer, ruik ik de geur sterker. Ik voel de luizen kriebelen en het ongemakkelijke legeruniform zit steeds losser door de honger die ik heb. Op internet ga ik feiten opzoeken over de oorlog en kampen. Maar Kamiels verhaal is belangrijker dan de feiten en eventuele verschillen door de jaren die hem meester zijn. De triestheid van het woon- en zorgcentrum gaat me steeds meer opvallen. Hoe een mens oud wordt en verhalen draagt waarvan de nakomelingen denken: ‘vertelt hij het nu weer?’

Mijn man en ik gaan naar buiten. Door onze hoofden malen dezelfde gedachten. We steken een sigaret op, inhaleren de rook. Onze longen gaan vast op houtskool lijken. Zo zijn we dit gebouw een stapje voor.

1 reactie

Rutger

zondag, 20:20

Wat een steengoed verhaal!

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch