Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Kattenvrouwtje

Door Ingrid Oosten

‘Durf je soms niet verder?’

‘Jij zeker niet,’ roept Merlijn terug met een stem alsof hij alles durft, maar hij voelt zijn hartslag in zijn keel slaan. Hij ziet de anderen niet meer. Het riet staat dicht op elkaar. Hij weet dat er rechts van hem water is, maar hij ziet niet waar het meer begint. Hij wrijft zijn handen tegen elkaar en blaast een rookwolkje. Het is zo koud dat een ijsbeer er van zou moeten niezen. Alshij nu maar niet in het water valt.

Merlijn kijkt om zich heen. Een blauwe bal moet toch opvallen. Zal hij zeggen dat een orka hem heeft opgegeten?

‘Ik zie hem!’ roept hij, als hij een meter voor zich de bal tussen het riet ziet liggen.

Hij hoort zijn voetbalvrienden niet meer. Zouden ze al weg zijn? Terwijl hij zich omdraait, hoort hij iets ritselen, hij schrikt van een kat die tussen zijn benen door rent. Merlijn struikelt en valt met zijn hoofd op een steen, net naast de oever.

Wat een stank! Merlijn grijpt naar zijn neus om zijn neusgaten dicht te knijpen. Waar is hij? Waarom doet zijn hoofd pijn? Hij ruikt katten. Kattenpis en kattenstront.

Hij schrikt. Naast de bank waarop hij ligt zit een kat die naar hem kijkt. Het lijkt wel alsof hij de wacht houdt.

Hij ruikt eerst een adem, dan hoort hij een stem: ‘Zo jongen, ben je dan eindelijk wakker?’

Pas bij het laatste woord verschijnt er een gezicht.

Merlijn schrikt. Zijn moeder had hem over deze vrouw verteld. Het kattenvrouwtje wordt ze door iedereen genoemd. Zijn moeder, die altijd het goede in elk mens wil zien, noemt deze vrouw een onmens.

‘Blijf liggen.’ De vrouw drukt hem neer op de bank. Hij gruwelt ervan dat ze hem aanraakt met haar vieze vingers.

‘Je hebt rust nodig.’

Merlijns bovenkamer ratelt op topsnelheid. Waarom is hij bij het kattenvrouwtje? Wat is er gebeurd? Hoe komt hij hier? Heeft zij hem gevonden en hierheen gedragen? Tegen dat smerige stinklichaam aan? Met dat magere lijf?

Zou ze, zoals hij als klein kind dacht, een heks zijn? Zou ze sterke-spieren-drankjes drinken? Misschien kan ze iets brouwen waardoor hij topscoorder van de wijk wordt.

‘Niet lachen!’ snerpt haar stem. ‘Lachen is een volkomen zinloze bezigheid. Nergens goed voor.’

‘Maar ik…’

‘Houd je mond! Spaar je krachten en word beter!’

Zachter zegt ze, zodat Merlijn zich afvraagt of hij het goed heeft verstaan: ‘Dan kan ik je weer naar buiten gooien.’

Merlijn knijpt zijn ogen dicht, maar spert ze gelijk weer open, alsof hij in het hol van een zwarte beer is gestapt. Hij herinnert zich het verhaal van zijn moeder.

Ze had als klein meisje vaak bij het kattenvrouwtje naar binnen gegluurd. Dan zag ze haar een muis uit een klem halen. Het lijfje eruit, waardoor de ingewanden eruit kwamen. De darmen en de lever. Muizenbloed druppelde op de vloer. Alle katten uit de buurt kwamen op de geur af en krabden aan de deur. Als je pech had opende ze het raam, gooide alle muizenresten naar buiten, zodat de buurtkatten er naar toe vlogen. Vechtend om de muizenkop.

‘Je moet drinken.’

Ze houdt hem een beker voor waar de damp vanaf slaat. Zou er kattenpis inzitten? Kattenharen?

Merlijn gaat rechtop zitten. Hij ziet de slinger achter haar. Aan een touw bungelen wel honderd skeletten van muizen en ratten en andere kleine beesten die Merlijn niet herkent.

Merlijn wil niet drinken dus hij vraagt: ‘Waarom bent u helemaal in het zwart gekleed?’

‘Daarom.’

‘Waarom woont u hier in het bos?’

‘Ook daarom.’

‘Waaro…’

‘Drinken, eerst drinken.’

Ik kom er niet onderuit denkt Merlijn. Ik zal toch wat moeten drinken. Hij neemt een slok en doet zijn best om het niet te proeven.

‘Waarom woont u hier alleen?’

In een flits weet Merlijn dat hij de verkeerde vraag heeft gesteld. Het lijkt alsof haar ziel zich terugtrekt. Haar ogen zien niet meer, ze kijken naar binnen.

‘sor…sor…sor-ry,’ probeert Merlijn. Hij wil nog iets zeggen, maar hij voelt zich zo moe. Zijn hoofd bonkt. Zou er toch wat in het drankje hebben gezeten?

Mama, denkt Merlijn, als hij wakker wordt. Ik wil naar huis. Hoe lang is hij hier nu? De ruimte is steeds schemerig. Hij heeft geen idee of het dag of nacht is.

Mobiel! Op mijn mobiel kan ik kijken hoe laat het is en nog beter appen dat ik hier ben, zodat ze me kunnen redden. Dat is daar niet eerder aan heb gedacht.

Voorzichtig voelt hij met zijn hand in zijn broekzak. Leeg. Andere broekzak dan? Ook leeg.

‘Zoek je dit?’

De vrouw heft haar hand in de lucht.

‘De mensen van nu kijken alleen nog maar op dat ding, daardoor kijken ze niet meer naar de natuur. De mieren die samen een vlieg verorberen, de kraaien die naar kadavers zoeken, de wind die snijdt in je gezicht. Ze zouden die kastjes moeten verbieden.’

De mobiel vliegt door de lucht, zoals de muizen weggesmeten worden. Kla-bats! De scherven van zijn mobiel schieten de kamer in.

‘Bravo! Dat waren een boel woorden achter elkaar’

De vrouw kijkt hem met haar zwarte ogen aan: ‘Moet ik jou soms in een kat veranderen?’

Hij schrikt. Zou ze.. zou ze echt? Kan iemand dat?

Haar gezicht komt dichterbij, hij trekt zijn hoofd naar achter vanwege de stank uithaarmond:

‘Wat denk jij? Zou ik dat kunnen?’

Merlijn knikt langzaam met zijn hoofd. Dat zou de reden zijn waarom ze zoveel katten om zich heen heeft. Maar waar zijn die nu? De twee katten die de wacht hielden zijn weg. Merlijn sluit zijn ogen zodat ze bij hem weggaat, maar slapen kan hij niet.

Hij luistert scherp. Hij hoort haar opstaan, haar voetstappen worden zachter. Dit is mijn kans!

Rustig aan. Merlijn slaat de deken van zich af. Hij tilt zijn hoofd op en laat zijn voeten van de bank zakken. Hij zit. Hij hijgt ervan. Werp jezelf omhoog, ga staan, doe het.

Het lukt, Merlijn staat, maar zijn ogen beginnen te draaien, hij wil zich vasthouden aan de stoel. Merlijn probeert verder te komen, maar het wordt zwart voor zijn ogen. Terug naar…

‘Wilde je nu echt weglopen?’

Merlijn knippert met zijn ogen. Hij heeft tijd nodig om zich te oriënteren, hij voelt zijn scheenbeen bonken.

‘Je moet eten,’ zegt ze terwijl ze hem een koek voorhoudt. Merlijn eet hem op, zonder ergens bij na te denken.

Zou mijn ziel zich ook terugtrekken? Hekst ze dat? Merlijn wil huilen, naar huis, weg uit deze stinkende kamer, weg bij die vrouw, naar zijn eigen kamer.

Achteloos veegt de vrouw het haar uit Merlijns gezicht. Precies zoals zijn moeder doet. Zo vegen kunnen toch alleen moeders?

‘Heeft u ooit kinderen gehad?’

Ze schrikt, lijkt hem niet te zien en knikt bijna onmerkbaar.

Ze vertelt zonder Merlijn aan te kijken. Ze vertelt het aan zichzelf, om haar ziel licht te geven:

‘Madelief. Mijn kleine Madelief. Elke dag, als haar vader naar zijn werk was, leerde ik haar alles wat een kind moet leren. Hoe je de dranken brouwt die ik jou nu ook geef, zodat je weer bij krachten komt. Ik leerde haar muizen te vangen en te voeren aan de katten. Ik leerde haar eekhoorns te ontleden, omdat de nieren van de eekhoorn goed werken tegen verkoudheid. We deden dat stiekem omdat haar vader het smerig vond. Het was in die tijd dat ik mijzelf, mijn kleren en dit huis nog waste. Maar waarom zou ik dat nu nog doen?

Op een dag kwam de vader eerder terug van zijn werk. Hij zag wat ik Madelief leerde en hij was woedend. Vond het geen lessen voor kinderen.

Diezelfde avond pakte hij de koffers en de volgende ochtend vroeg zijn ze vertrokken.

Hij vertelt Madelief leugens over mij, zodat ze mij niet wil ontmoeten. Hij zegt dat ik niet van haar houd en dat zij daarom zijn weggegaan.’

Ze blijft een gek mens, denkt Merlijn, maar toch niet helemaal zo gek als ik dacht.

‘Mag ik naar huis?’ vraagt hij.

De vrouw trekt hem omhoog uit de bank, houdt hem vast en knikt. Ze glimlacht, maar schrikt er zelf van.

‘Ja,’ zegt ze.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch