Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Kerven. Een moeras.

Door Angélique Derks

Zomer.
Slijk zuigt aan haar voeten. Een vis sabbelt aan haar kuit, maar het kan ook de sliert van een waterplant zijn. Het bruine water toont niets. De vrouw waadt naar een kromgegroeide wilg vlakbij de oever. Ze wrijft over een inkeping laag in de stam, volgt met haar vinger de kerven erboven en glijdt met haar nagel weer terug. Naar het wateroppervlak toe staan de inkepingen steeds verder uit elkaar. Het laatste jaar is de waterspiegel gedaald tot een handlengte onder de laagste kerf.
De vrouw pakt een klapmes uit de zak van haar jak en vouwt het open. Secuur maakt ze een nieuwe snede in de stam, juist boven het wateroppervlak. Wanneer ze overeind komt, vliegt er een eend op uit het rietland aan de linkeroever. Het riet reikt deze zomer weer verder het meer in. De vrouw doet nog enkele stappen in het ondiepe water tot de bodem de laagte in gaat. Ze huivert.
Op de drassige oever aan de overkant ligt op zijn kop de oude roeiboot, tussen berkenboompjes. Als kind roeiden ze hier, grijnzend verhief haar broer zich boven haar en dreigde haar het water in te gooien. Zij klemde zich vast aan het bankje terwijl buurkinderen joelden, dobberend bij het riet.
Sinds tien jaar trekt de plas zich terug. De waterlopen veranderen, zegt haar broer. Hoe lang zou het duren voor het meer droogvalt? Nog eens tien jaar, twintig?
De vrouw waadt naar de oever, haar rok plakt tegen haar benen. De walkant opklimmend, meent ze een kind te horen. Maar ze moet zich vergissen, kinderen komen hier al lang niet meer.

Herfst.
De ochtendnevel hangt nog boven de plas, ze ziet het vanuit het huiskamerraam. Haar broer leest in zijn rolstoel de televisiebode.
‘Wanneer gaan we eten,’ vraagt hij.
‘Met een half uur,’ zegt zij.
‘Ik heb anders honger,’ zegt haar broer, en hij tuurt weer door zijn leesbril in de gids.
De vrouw neemt zijn mok waarin nog een bodem koffie staat van het blad van zijn rolstoel en loopt naar de keuken. Met een vleesvork prikt ze in runderlappen en draait ze om. Voor het keukenraam komt haar vader voorbij, deze week werkt hij op land in de buurt, ze heeft een extra stuk vlees voor hem in de pan gelegd.
‘Fris buiten,’ komt haar vader handenwrijvend binnen, ‘Kunnen we zo eten?’
Ze zet de vleespan op tafel. Haar broer rijdt ze in zijn wagentje de keuken in, tegen de drempel stotend, zoals altijd.
‘Kun je niet opletten?’ vraagt haar broer.
Zwijgend draait ze zijn rolstoel voor de tafel, haar vader kauwt zijn vlees met in zijn handen vork en mes schuin naar voren. Ze snijdt de runderlap voor haar broer en geeft hem het bord.
Staand bij het aanrecht neemt ze een hap van een oude boterham. Kraaien komen voorbij. Een kind zingt, ijl, hoog.
‘Hoef je niets?’ vraagt haar vader. Hij wijst met zijn mes naar de pan.
‘Geen trek,’ zegt de vrouw.
‘Goed,’ zegt haar vader en hij schuift zijn stoel naar achter, ‘Het was lekker, Liesje.’ Hij klopt haar op haar schouder.
Haar broer heeft zijn bord naar de rand van zijn blad geschoven, ze zet het op het aanrecht. Dan rijdt ze hem weer de huiskamer in en legt een kussen achter zijn nek. Binnen tien minuten slaapt hij, de mond half open. Af en toe hoort ze een rochelend snurkgeluid.
Tegen vieren doet ze de televisie aan, het wordt al donker.

Winter.
Er ligt ijs op het meer. Liesbeth heeft brood voor haar broer gesmeerd, hem koffie gegeven en is toen met rubberlaarzen en een omslagdoek om naar de plas gelopen. Vanaf een vlonder stapt ze, nadat ze eerst is gaan zitten, het zwarte ijs op. Luchtbellen, een slordig dichtgevroren spleet, een witte plek onder het ijs. Bij het rietland zit een troep eenden, er moet daar een wak zijn. Ze klimt de vlonder weer op en loopt over het pad langs het meer naar het riet.
Staand aan de rand van de bevroren plas aarzelt ze. Het ijs houdt overal, zegt haar vader. Ze pakt een afgewaaide tak, breekt het dorre hout in tweeën en plant één helft op het ijs. Tastend met de stok loopt ze naar het wak.
De eenden zitten dicht bij elkaar, omringd door een dunne laag ijs. Een woerd snatert.
‘Ik heb niets,’ zegt ze.
Door het ijsvlies schemert een supermarktzak naast de buik van een vis. Met één hand trekt ze de omslagdoek vaster om zich heen, zet nog een stap en steekt haar stok in het wak door het vlies ijs. De eenden klapwieken. Onder haar voeten kraakt het gevaarlijk, achteruit stappend glijdt ze bijna uit. Er vallen sneeuwvlokken op haar gezicht, wanneer ze zich omdraait ziet ze licht vanuit hun huis.
Teruglopend over het pad hoort ze ter hoogte van de wilg gekraak. Op de kromgegroeide stam zit schrijlings een kind. Het heeft een wit, wollen mutsje op dat sluit onder de kin. Het beweegt de benen op en neer en kijkt naar Liesbeth.
Thuis ziet ze dat haar vader brandhout heeft gehakt. De bijl zit nog in het hakblok, de balkjes liggen opgestapeld onder het afdakje aan de muur. Ze loopt naar binnen en hangt haar omslagdoek aan de spijker.

Lente.
Traag loopt Liesbeth over het pad. Vanochtend heeft ze haar broer laten vallen. Ze wilde hem vanuit zijn bed achter in de huiskamer in de rolstoel tillen, maar hij ontglipte haar. Hij kan niet meer meegeven, ook zijn armen verliezen kracht.
Hoe lang geleden holden ze hier samen? Hij liet haar winnen en wanneer hij haar was genaderd, draaide hij haar arm op haar rug tot ze om genade smeekte.
Ze gaat zitten op een omgevallen boomstam en doet haar schoenen uit. Haar rok trekt ze op tot bovenaan haar dijen en ze sluit haar ogen.
Hij kwam achter haar staan, ze waren zestien, zeventien. Met haar arm tegen een boom stond ze uit te hijgen. Ze verwachtte kietelen, zijn handen voor haar ogen. Maar ze voelde een hand op haar heup en hij ademde zwaar.
‘Laat me los,’ zei ze.
Hij had haar nog steviger beetgepakt.
Pas toen ze tegen zijn schenen schopte, had hij haar laten gaan.
Ze opent haar ogen en kijkt uit over het water. Naast het rietland dat nog verder het meer in grijpt, zijn er eilandjes bij gekomen, her en der over de plas. Pollen lang gras wuiven op de kleine, ronde platen.
Ze doet haar schoenen weer aan en loopt terug. Op het hekje van hun huis zit zwijgend het kind.

Zomer
Er staan graafmachines bij de plas, er lopen werklui. De bodem van het meer wordt uitgegraven, zegt haar broer. Wanneer ze langs de oever heen en weer loopt, wordt ze weggestuurd. Ze smeekt of ze niet het water in mag.
‘Later, vrouwtje,’ zegt één van de mannen, ‘Te gevaarlijk nu.’
Lopend langs de bandensporen kijkt ze om. De wilg staat tegen de oever, in haar zak omklemt ze het klapmes.

Wanneer een week later de politie voor de deur staat, laat ze hen binnen en beantwoordt hun vragen. Ook haar broer weet nergens van. De politieman en vrouw staan weer op. Ze moesten het hen maar niet kwalijk nemen, ze waren het verplicht. Niet dat het veel uit zou halen, een zaak van meer dan twintig jaar geleden. Maar zoiets – Niet alle dagen werd het stoffelijk overschot van een baby gevonden. Ze zouden er wel niets meer van horen, het kon net zo goed niet van hier zijn.
Nadat Liesbeth de voordeur heeft gesloten, drukt ze haar hoofd tegen de deurpost.

Die nacht staat ze naast haar bed met haar voeten op het zeil, loopt haar kamer uit, de trap af en sluit zachtjes de voordeur. Op het maanverlichte pad staan de graafmachines als prehistorische dieren naast uitgespuugde bergen zand. Ze loopt over de nog warme aarde van het pad naar de plek waar voorheen het slijk begon. De wal is scherp afgegraven, het wateroppervlak spiegelt een halve meter onder haar, de wilg staat weer ruim in het water.
Liesbeth gaat zitten en schuift langs de walkant naar beneden. Wanneer haar voeten de bodem raken, reikt het water tot haar middel. De bodem is vaster dan voorheen. Het duurt lang voordat ze de wilg heeft bereikt. Onder water voelt ze aan de kerven in de stam, dan trekt ze haar arm terug.
Wanneer ze het mes uitklapt en in haar pols kerft, meent ze een moment het huilen van een kind te horen, maar het is haar eigen stem voordat ze het water in glijdt.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch