Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Kind

Door Annette Rijsdam

De voordeur van mijn moeder zit achter een poster. De brievenbus nodigt uit tot klepperen, maar in plaats daarvan klop ik zachtjes en duw de klink omlaag.

‘Mam?’

Ze zit bij het raam in een grote fauteuil. Één van de weinige meubelstukken die ze nog bezit. Het lijkt alsof het leven evenwijdig leegloopt met de spullen in de woonkamer. Dit is de laatste halte. Daarna de kringloop.

Mijn moeder heeft niet veel persoonlijke spullen. Nooit gehad ook. Voor zover ik me kan herinneren hingen er nergens foto’s bij ons thuis, zelfs mijn schoolfoto’s verdwenen direct in de la. Opvallend is de groene urn met de as van mijn opa die als pronkstuk op het dressoir staat. Mijn opa had een hekel aan groen.

‘Die meiden van de thuiszorg komen zo.’

‘Ik blijf niet lang,’ antwoord ik gelijk.

‘Ik hoop dat die meiden nu wel op tijd zijn. De peertjes van gisteren waren niet te vreten.’

‘Ik wil je wat vertellen, mam.’

‘Die grieten snappen niets.’

‘Ik heb een vriend,’ zeg ik abrupt. Niet dat die peertjes me niets interesseren, of die meiden van de thuiszorg (die eigenlijk gewoon personeel zijn maar ‘thuiszorg’ genoemd willen worden om de sfeer huiselijk te houden), ik wil mijn moeders onverdeelde aandacht. Ik heb iets te zeggen, maar nog meer wil ik graag luisteren naar wat zij te zeggen heeft.

Zwijgend staart ze naar buiten. Met haar handen strijkt ze haar rok glad. Werkershanden. Stevig, met vingers die zich vastgrijpen. Alleen de huid eromheen past niet.

‘We gaan samenwonen, en misschien zelfs trouwen.’

Die laatste toevoeging is om uit te dagen. Ze reageert niet. Herschikt de beeldjes op de vensterbank en haalt daarna weer een pluisje van haar rok.

‘Dus je opa had toch gelijk,’ zegt ze uiteindelijk. ‘Na alles wat hij voor je gedaan heeft. Is zijn opvoeding dan voor niets geweest?’

Mijn opa leerde me banden plakken, staand plassen en hoe een zieke cavia naar een betere wereld ging. Of een kat en uiteindelijk zelfs het geitje van de buurman. Die schoot hij dood met zijn dienstwapen. Echte mannen gingen in dienst of de vaart op. Opa had zelfs meegevochten in de oorlog. Hij had Hitler een hand gegeven, maar daar mocht hij van oma niet over praten.

‘Het heeft niets met opa te maken,’ zeg ik.

Alsof de keuze van een partner ergens mee te maken moet hebben.

‘Hij zei het van jongs af aan al. ‘Die jongen heeft een harde hand nodig. Een man in huis, dat is wat hij mist’.’ Ze imiteert mijn opa met verve.

Ik zou willen zeggen dat ik wat gemist had, maar als je niet weet wat het is, hoe kan je het dan missen? Nu, achteraf, weet ik wel een aantal dingen te noemen. Op dat moment kon ik alleen de man in huis missen.

Mijn moeder was geen moeder, maar voornamelijk nog kind. Ik denk dat dat kwam doordat ze op hele jonge leeftijd mij kreeg en daar nog niet volwassen genoeg voor was. Mijn oma bemoeide zich niet met me en mijn vader heb ik nooit gekend. Mijn opa daarentegen dreunt nog dagelijks door mijn hoofd.

‘Ik heb gebeden dat je geen meisje was,’ zegt ze alsof ze tegen de plant praat. ‘Dat dat lot je bespaart zou blijven, en alsof de duivel ermee speelt, word jij geboren. Is dit de prijs voor mijn zonden?’

‘Nee natuurlijk niet, mam.’

Misschien ook wel, weet ik veel. Ik kom hier niet als deurwaarder voor de ooit gemaakte schulden. ‘Ik wil graag weten wie mijn vader is.’

Nog nooit heb ik het haar gevraagd, maar nu ik op het punt sta zelf een gezin te vormen, lijkt het ineens belangrijk. Mijn moeder ken ik, denk ik. Nu mijn vader nog.

‘Je hebt geen vader.’

Roerloos staart ze uit het raam. Deze discussie ga ik niet met haar aan. Mijn moeder en seksuele voorlichting is niet echt een goede combinatie. Ook daar wil ik het met haar over hebben.

‘Waarom is opa gecremeerd?’ Ik ga zitten op de andere fauteuil en nu heb ik wel haar aandacht. Ze bekijkt me alsof ik vlekken achterlaat op het groene fluweel. ‘Ik dacht dat hij Katholiek was.’

‘Hij bepaalde al genoeg in zijn leven. Daarna had hij er niets meer over te zeggen.’

‘Je bent tegen zijn wens ingegaan om begraven te worden?’

‘Opa ging ook graag tegen wensen in. Nu werd zijn nee een ja.’

Ik ben te lang weggeweest om te weten hoe de laatste paar jaren van hun relatie moet zijn geweest. Oma stierf toen ik vijftien was en op mijn zeventiende trok ik de voordeur achter me dicht om veertig jaar later die handeling te herhaling maar dan met een verkoopbord op de deur. Het is een gek idee dat ik over twintig jaar ook op die plek bij het raam kan zitten, starend naar de eeuwigheid. De kans dat ik me erger aan mijn kind op dat moment is nihil. Kinderen krijgen gaat niet meer. Iets anders zou ik graag wel krijgen. Erkenning.

‘Weet je nog die vakantie in Italië? Toen we met opa en oma…’

Ze schiet in de lach. Het was een nare vakantie. Al weet ik nu pas wat er verkeerd aan pas.

‘Opa wilde je wat cultuur bijbrengen. Daarom mochten we mee. Allemaal voor jou. Ondankbaar kind.’

‘Ik was dertien!’

‘En een kleine smeerlap.’ Ze heeft haar blik weer op mij gericht. De vlammen in haar ogen zijn de voorbode voor het hellevuur dat me te wachten staat. Ik ben een zondaar. Toen en nu.

‘Ik was nog een kind.’

‘Ga toch weg!’ Met haar handen werpt ze me al de deur uit.

‘Nee.’ De grote mond die ik toen niet op durfde te zetten, probeert nu langzaam naar buiten te komen. ‘Ik was nog jong, had geen benul.’

‘Je wist dondersgoed wat je deed.’

Inderdaad, ik had mijn hand om iemands piemel en hij had zijn tong in mijn mond, maar dan nog had ik geen flauw benul wat er aan de hand was. Mijn lijf stond in brand, mijn verstand was opgelost en mijn hart danste tussen de puinhopen door. Ik was verliefd.

‘Ziek zaad,’ spuugt ze uit. ‘Dat is wat je was. Branden zou je. Net als hij.’ Ze wijst met haar verrimpelde vinger naar de groene urn.

Je hebt zijn ogen, zei oma altijd. De walging waarmee ze het over haar lippen bracht deed me altijd twijfelen of ze wel zo gelukkig getrouwd was. En altijd als ik wat fout had gedaan leek ik precies op hem. Mijn opa.

‘Dus opa is mijn…’

‘En hij zag precies wat er mis was met je. Maak een man van hem, zei hij die dag. Maak een man van hem. En dat is wat ik deed. En wat is mijn beloning?’ Ze slaat zichzelf hard op de borst.

‘Je wilde een man van me maken op die manier?’

Ze schudt haar hoofd en richt haar aandacht weer op de beeldjes op de vensterbank. Eén avond in mijn leven had ik haar onverdeelde aandacht. Dit is hoe het hoort. Ik heb de zin nog vaak gehoord. Met ieder meisje waarmee ik daarna in bed lag en wiens lijf telkens veranderde in dat van mijn moeder. Dit is hoe het hoort. Voelt fijn toch?

‘Ik was dertien. Jij was mijn moeder.’ Ik was nog een kind wil ik er weer achteraan gooien, maar bedenk dat het voor haar ook niet veel anders was. Ook zij was nog steeds een kind.

‘Ik denk dat de thuiszorg zo komt.’ Ze staat op, strijkt haar rok recht en schuifelt naar de deur.

2 reacties

Annette Rijsdam

Auteur zondag, 14:59

Dank je wel Andra!

Andra

zondag, 11:56

Beklemmend goed geschreven, Annette! <3

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch