Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Kloven in het ijs

Door Hetty van Oordt

De spiegel antwoordt. Grijpt net zo verbaasd naar zijn gegroefde wang als hij. Hij heeft sindsdien nooit meer goed naar zichzelf gekeken. En nu zijn daar rimpels, diep, veel, een wirwar van willekeurige sneden. Na die dag was er nog maar een spiegelbeeld dat hij kon verdragen, wazig uitvloeiend in de vele lagen ijs wanneer hij schaatste.

Negen jaar was hij toen hij met zijn vader hun eerste lange tocht reed. Hij had houten noren gekregen. Blank gelakt hout omvatte het koele scherpe staal, het leer van de riempjes stug en ongeschonden. Kris-kras, kris-kras. Lange slagen, ritme, concentratie. Zijn vader kon dat natuurlijk beter dan hij. Hem kostte het moeite. Langzaam raakte hij achterop.

“Papa! wacht even!” Maar de wind was tegen. “Papa!”

Diep voorover gelegen reed zijn vader verder. Kris-kras, kris-kras. Zijn eigen kleine benen werden stram, konden nauwelijks verder, maar hij moest naar de overkant, achter zijn vader aan. Naar het oude theehuis zouden ze gaan, daar warme chocolademelk drinken en dan terug, met de wind mee. Dat hadden ze afgesproken.

In de verte zag hij de uitspanning liggen. Het kleine donkere stipje daarvoor, dat was zijn vader. Het werd groter. “Papa!” Opgelucht zwaaide hij wild met beide armen en lette even niet op. Zijn rechterbeen haakte in de lange scheur die hun route in de lengte begeleidde. Daarvoor, toen hij geconcentreerd was, had hij de barst telkens weten te ontwijken. Maar opeens stond nu zijn rechterbeen stil, links gleed verder. Hij schoot voorover en zag het ijs, met de ongeordende mengeling van kloven die de ijzers van zijn vader en de andere schaatsers erin gesneden hadden, op zich afkomen. Hij strekte zijn handen naar voren en viel toen hard op zijn gezicht.

Voorzichtig strijkt hij over zijn gladde schedel. De spiegel toont een enkele grijze haar op de kale vlakte, wegduikend onder druk van zijn glijdende vingers, gedecideerd terugverend zodra die hun tocht voortzetten. Zacht bevoelt hij de rimpels van zijn voorhoofd. Lange horizontale groeven met een neerwaartse knik in het midden, als vogelsilhouetten in de lucht, door een kind getekend. Via de toppen van de vleugels vindt hij zijn slapen. Geen rimpels maar dun perkament. Iets ingevallen waardoor diepe ronde schaduwen ontstaan. Zijn borstelige zilveren wenkbrauwen – zo had zijn vader ze ook – streelt hij teder. Wijs en stug. Daaronder hangt vel, tot bijna halverwege zijn oogleden. Hij trekt het behoedzaam op. Even vindt hij rechtstreeks zijn ogen in de spiegel. Hij herkent de twinkeling. Oud, maar niet wezenlijk anders dan toen.

Het ijs, dat kon ook zo schitteren. Langs de kanten stelde het gele kale riet zijn zachte zilveren pluimen ten toon, wiegend in de wind. Handen op de rug, neus naar voren, zon die laag over het land scheerde en zorgde voor lange schaduwen. Kris-kras, kris-kras.
Ondanks die eerste pijnlijk afgelopen toertocht met zijn vader had het schaatsen hem niet los gelaten. Hij kon niet wachten tot de winter begon, hopen op vorst, bidden om vorst. De plassen en sloten moesten dicht, zo snel mogelijk. In een strenge winter haalde hij altijd lage cijfers op school. Dan had hij geen tijd voor zijn huiswerk. Hij moest naar buiten, waar de zon zich in het ijs vrat terwijl hij het soepel onder zich door voelde glijden. Daar beving hem een geluksgevoel dat onbeschrijfelijk diep ging. Hij probeerde het wel eens aan zijn moeder te vertellen, maar ze snapte het niet. Ze maakte het vaak zelfs kapot met haar goedbedoelde maar onnozele opmerkingen. Zij had wel diezelfde twinkeling in haar ogen als hij. Altijd gehouden. Ook nadat zijn vader was gestopt met schaatsen.

Zijn jukbeenderen steken nadrukkelijk naar voren. Vet heeft hij niet meer. Nooit veel gehad, maar wat er al was, is met een groot deel van zijn lijf verteerd. Waar eens zijn blozende wangen zaten, vormt het vale vel zich nu om de rondingen van het bot. Behoedzaam volgen zijn vingertoppen de symmetrische welvingen en glijden dan verder. Ze vinden weer losse huid, hangend, geen elasticiteit. De spiegel toont het hem. Het is eerder onwerkelijk dan storend. Bij het scheren ‘s morgens voelt hij de ouderdom van zijn huid, slaat ongewild stukken over. Er blijven stoppelige plekken als afgesneden riet. Hij zal zichzelf langzamer en zorgvuldiger moeten scheren.

Hij duwt zachtjes putten in zijn wangen, net zo week en weinig veerkrachtig als het ijs op de dagen dat het dooide. Dan bond hij plastic zakken om zijn schoenen want anders drong het water erdoorheen. Zijn voeten mochten niet gevoelloos worden.
Levensgevaarlijk was het om zulk ijs op de gaan, waarschuwde zijn vader altijd, onvoorspelbaar waar de wakken zaten. Maar hij was niet te stoppen, toen niet en later niet. Iedere keer opnieuw nam hij het risico, om nog die ene keer te kunnen rijden, misschien wel de laatste keer van het seizoen, de laatste keer ooit.
Zijn moeder was te druk met het huishouden om het hem te verbieden. Zachtjes sloot hij dan de deur achter zich, holde naar de steiger verderop, buiten het zicht van de woonkamer, en bond daar zijn schaatsen onder. Nog altijd zijn eerste paar noren. Hij had ze steeds goed verzorgd, afgedroogd, gepoetst, in het vet gezet. Alleen de riemen waren een keer vervangen door de schoenmaker. Slijpen deed hij zelf. Het ijzer werd langzaam ondieper, net zoals bij de schaatsen van zijn vader. Op enig moment zou hij bij de minste of geringste scheefstand het ijs gaan raken met het hout. Maar híj zou wel een nieuw paar aanschaffen, dat wist hij toen zeker.

Zodra hij zijn vingers van zijn gezicht haalt, zakt zijn vel onder werking van de zwaartekracht weer op zijn plaats. Hoe zou zijn vader er hebben uitgezien op deze leeftijd? Hij kan het zich niet voorstellen. Als hij aan hem denkt, ziet hij vooral de gebogen rug voor zich. Schrapend over het ijs ging de rug voor hem uit. Zijn vaders rug was ook krom als hij niet schaatste, maar dan anders. Dan was het een gekrenkte futloze bolling tussen hangende schouders. Alleen bij hun gezamenlijke tochten op het ijs was de rug vol kracht en sterkte, ja zelfs lust. Niets deden ze ooit samen, behalve schaatsen, tocht na tocht, jaar na jaar. Tot zijn vaders schaatsen vrijwel geen ijzers meer hadden en het kale hout toonden.
Ze waren samen naar de steiger gelopen die dag. Het was guur, voelde kouder door de felle wind dan het werkelijk was. De zon wilde maar kon zijn kracht niet tonen, werd geweerd door de vaalgrijze deken van mist die het landschap bedekte. Hij had zijn schaatsen al aan maar zijn vader had met zijn grote handen zijn oude versleten schaatsen van zijn brede nek getild, er eens naar gekeken, zijn hoofd geschud en tegen hem gezegd dat hij van nu af aan alleen moest gaan. Verder zei hij niets.

Toen hij uren later alleen en moe gereden thuis kwam, liep zijn moeder zwijgend naar hem toe, omhelsde hem en perste haar lippen in een grimas op elkaar. Haar klemmende grip duwde zijn koude wangen en kin zover op dat het pijn deed. Het ijzer van zijn noren die op zijn borst hingen, sneed in zijn borstkas. Hij had zich los gewurmd, zijn moeder aangekeken en geweten dat het erg was. Daarna draaide hij zich om en was rennend weer terug gegaan, het ijs op. Pas tegen het donker ging hij naar huis, steenkoud.

Zijn vader lag opgebaard in de voorkamer. De buren waren er om te helpen. De grote spiegel boven de schouw was afgedekt met een diepzwarte doek. Veel gloeiende handen klopten hem op zijn schouders maar hij werd niet warm. Nog met zijn jas aan was hij naar het lijk gelopen, had de druipende schaatsen van zijn nek gehaald en op zijn vaders gevouwen handen gelegd. “Je had de mijne mogen lenen papa, dat had je toch gewoon kunnen vragen?”

Het litteken van de val op zijn gezicht is nog altijd zichtbaar. Behoedzaam betast hij centimeter voor centimeter de schuine rozerode streep die, iets verhoogd, vanaf de onderkant van zijn kin tot bijna onder zijn lip loopt. Een flinke snee was het geweest, waar rijkelijk bloed uit stroomde. Gretig had het ijspulver rond hem het warme vocht opgezogen, gulzig naar meer dan alleen de snelle koele aanrakingen van de ijzers van de schaatser. Al gauw was er een dieprood vlak ontstaan, even groot als de schaduw van zijn vader die over hem heen gebogen stond.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch