Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Koffie in de zaal

Door Marielle Boersen

Na jaren dringt het tot hem door. Het leven is niet rechtvaardig. Het geluk ligt niet om een hoekje op je te wachten. Er wordt geen gouden weegschaal gehanteerd, waardoor je na zoveel pond tegenspoed recht zou hebben op geluk.
Hij kijkt naar zijn gerimpelde handen, de aders liggen als harde, kronkelige kabels onder het dunne vel. Zijn vingers staan krom. Hij heeft het koud. Hij wrijft zijn handen tegen elkaar en voelt de droge huid, een enkele eeltknobbel.
‘Alstublieft, meneer de Vries, een lekker bakje koffie.’
De verzorgster zet het kopje met het schoteltje voor hem. Zoals gebruikelijk zit er een lepeltje bij en een klontje suiker. Het melkkannetje zet ze ernaast. Hij drinkt zijn koffie zwart.
Ze loopt alweer verder. Haar persoonlijke aandacht beperkt zich tot het onthouden van zijn naam.
Zijn hand trilt als hij naar het kopje reikt. Zijn rechterwijsvinger heeft precies de juiste kromming voor het oortje, alleen zijn z’n vingers te dik. Hij omklemt het kopje dat nog te heet is. Hij reikt met zijn andere hand, ook trillend, en zo brengt hij met twee handen het kopje naar zich toe.
‘Te koud, te warm.’ mompelt hij. ‘Nooit precies goed.’

Hij zet zijn voeten op de pedalen en draait ze in razend tempo rond. Zijn rug gaat op en neer in hetzelfde moordende ritme. Door, door. Met zijn handen knijpt hij in de handvaten van het stuur, alsof hij zijn fiets daarmee wakker wil houden, vermanen tot actie. Zijn schooltas ligt zwaar op zijn rug. Hij voelt de schouderbanden klemmen onder zijn oksels, maar zijn focus ligt op de weg. Hij steekt zijn neus naar voren, in een poging zichzelf aerodynamischer te maken.
Hij is de laatste tijd twee keer gevallen bij het nemen van een bocht naar links. Hij hoeft nu alleen nog maar bochten naar rechts, dan is hij er.
De bel gaat als hij over het schoolplein rijdt. De eerste bel. Snel draait hij de hoek om, naar rechts, ontwijkt drie ouderejaars die boos ‘Hé’ roepen, remt en zet zijn fiets op de aangewezen plek in de stalling achter de school.
Hij wil niet rennen en loopt met grote, gehaaste stappen naar de voordeur. De conciërge kijkt hem streng aan, maar de tweede bel is nog niet gegaan. Hij versnelt zijn pas richting zijn kluisje, frummelt tijdens het lopen alvast de sleutel uit zijn broekzak. Bij zijn kluisje gooit hij met een zwier en een plof zijn rugzak op de grond, stopt de sleutel in het slot, trekt zijn jas uit, draait het kluisje open, propt zijn jas erin, gooit ‘m dicht, op slot, tas met een zwaai weer op zijn rug en linksom naar de klas.

Linksom. De rugzak wiebelt op zijn rug. Door de zwaai zijn alle boeken verschoven naar de rechterkant, terwijl zijn lijf de andere kant op moet. Hij voelt het zwaartepunt schuiven, de punten van zijn voeten draaien in gladde cirkeltjes over de vloer, zijn hakken zweven in de lucht, te laat om balans te geven. Zijn knieën knikken en daar gaat hij. Languit. Op dat moment gaat de tweede bel.

De wekker. Waarom zet hij dat ding nog steeds? Hij ziet de laatste fragmenten van zijn droom nog op zijn netvlies staan. De conciërge dat was hij. Het jongetje bij het kluisje was Fritsje. Fritsje die nooit Frits mocht worden. Dat hij daar nou over droomt. Hij is moe. Nog even dan. Hij draait zich om en weg is hij.

Hij staat in een hoekje van de rokerige ruimte. De muziek staat hard. Hanna staat verderop met drie vriendinnen. Ze lacht en kijkt uitdagend om zich heen. Heel even glijdt haar blik over hem. Nog geen tel, minder dan een fractie van een seconde. Het is genoeg om zijn hart te laten stoppen en daarna als een razende tekeer te gaan. Ze heeft hem gezien. Nee, ze heeft hem niet gezien. Ze zag hem als een donker uitsteeksel van de muur waar hij tegenaan geleund stond.
Erik, de grootste en breedste jongen uit de klas, voegt zich bij het groepje van Hanna. Op afstand ziet hij hoe ze van kleur verschiet. Ze lacht, anders. Ze houdt haar hoofd schuin. Ze trekt aan haar donkerblonde krullen, maakt ze lang, haalt de krul eruit en weer terug erin, en weer lang. Dan knikt ze en loopt met hem mee.
Op de dansvloer staan ze dicht tegen elkaar aan. Erik heeft zijn armen om haar heen. Ze heft haar gezicht naar hem op. Dan kust hij haar.
De muziek staat nog steeds hard. De ruimte is nog steeds rokerig. Maar alles is veranderd.

Herinneringen vervlieden. Vervliegen als mistflarden. Af en toe is er een moment van helderheid, staat een herinnering op en presenteert zich in blokletters aan hem. Uitgebeiteld als een monument uit een tijd die betekenis zou moeten hebben. Waarom die herinnering? Waarom zoveel niet? Belang, emotionele lading, het lijkt geen vat te hebben op de overlevering. Willekeurige fragmenten. Als witte wieven doemen ze op, plaaggeesten. Soms hoort hij geluid. Een schaterende lach die uitsterft en weer aanzwelt. Een treiterende blik en weg zweven ze weer.

‘Het is een meisje.’ De verpleegster steekt haar hoofd om de hoek en knikt hem toe. ‘Alles erop en eraan.’ Hij zit op het bankje in de ziekenhuisgang en kijkt verstrooid op.

Het is koud in de stad. Als hij de tram uitstapt, slaat de snijdende wind hem hard in het gezicht. Hij grijpt met zijn hand naar de revers van zijn jas en drukt die tegen zijn keel. Met zijn hoofd gebogen loopt hij door de hem bekende straten. Vijf dagen per week, vijfendertig jaar lang. Nog vijf jaar, dan mag hij stoppen. De kinderen zullen willen dat hij stopt. Ieder jaar nieuwe ladingen. Dezelfde verwachtingen. Alleen steeds brutaler lijkt het wel. En maar klagen dat de school zo vroeg begint, terwijl hij er veel eerder moet zijn. De school warm moet stoken, deuren openen, lichten aan. Nooit een begripvolle blik, een aardig woord. In de loop der jaren is zijn stugheid ingesleten op zijn gezicht. Als hij ’s ochtends in de spiegel kijkt, schrikt hij. Dit is van hem geworden. Deze oude, norse man. Nog vijf jaar.

‘Wil jij spruitjes, Karel?’
Ze weet toch dat hij die niet lust. Waarom vraagt ze dit aan hem? De geur van die dingen doet hem al kokken. Het is om hem te sarren, dat is het. Alsmaar eten maken dat hij niet lust.
Hij lust bijna alles.
Het is anders gelopen dan hij had gedacht. Dan ze beiden gedacht hadden. Als hij aan tafel schuift en het kleed op zijn benen voelt liggen, beklemt het hem. Hoeveel jaar nog?

Een pop is achteloos op de grond gegooid, of gelegd, wie weet. Een bouwsel van stenen. Niet af. Of misschien juist wel, een ruïne heeft meer karakter. Hij kent haar niet. Snapt haar niet. Toch moet hij lachen als hij haar ziet. Hij kan het niet helpen. Zijn mondhoeken krullen omhoog.
‘Je verwent haar teveel.’
‘Och, laat me toch. Zoveel heeft dat kind niet.’

Dag en nacht beginnen door elkaar te lopen. Eindeloos kan hij door de gangen dwalen om wakker te schrikken in zijn bed. Niet waar. Wel waar. Hij voelt warmte tussen zijn benen. Zijn pyjamabroek plakt. Geplast. Alweer. Dan schiet hij weer wakker, droog, dus toch. Hij zit op de wc en laat zich gaan. Eindelijk. Tot de deur opengaat. Hij is niet alleen, rem erop. Te laat.

‘Ze is geëmigreerd, naar Australië. Ze had zon nodig.’
Hij knikt. Verder kan bijna niet. Hij begrijpt haar wel. Hij zal haar nooit meer zien.

De zon schijnt door een kier tussen zijn donkerblauwe gordijnen en werpt een streep licht over zijn gezicht. Buiten is de dag begonnen. In de verte klinkt het gerammel van een kar die tegen een deur botst. Hij ziet voor zich hoe de kopjes en borden heen en weer schudden, een moment de lucht in dreigen te gaan om dan bibberend te landen op hun plek. Heen en weer, heen en weer tot het moment voorbij is alsof het nooit is gebeurd.
Hij voelt met zijn rechterhand even onder het laken naar zijn pyjamabroek. Droog, toch. Hij glimlacht. Hij is nog niet zo ver heen. Ze hoeven hem niet betuttelend toe te spreken. Of hard alsof hij doof is. Hij hoort nog prima. Vandaag wordt een mooie dag. Hij heeft er recht op na al die jaren. Dan zucht hij. Koffie in de zaal.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch