Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Krokodilos

Door Sofie Alossery

Krokodilos

Ik vertrok met het idee dat overvloed van tijd moordend is omdat het aanzet tot destructieve verveling. Dat wist ik al langer. In de late namiddag voelde ik hoe de boot doorheen schudde onder een krakend geluid. De kapitein leunde over het roer om te zien wat het was, maar voor de boeg was niets te bespeuren. Hij hield zijn hoofddeksel voor zijn mond en beval met een bedrukte blik aan een handvol matrozen om de baan vrij te maken. De verminkte kok mompelde iets over zwarte karkassen en dat het God is die alles naar de pleuris helpt. Er werd een put gegraven waar dingen werden in gegooid. Bij het aansteken van mijn pijp had ik gezien hoe drie matrozen onder de loopplank een krokodil ontdekten. Met een roestige tang trok één van hen elke tand uit terwijl de anderen lachend op de rug van het dier reden. De jongste matroos –later bleek dat hij Gerard heette- plooide met zijn rechterhand de staart over tot de schubben braken. Het gespartel liet diepe putten na in de modder. Even verderop zat een groepje vrouwen stil aan het water. Ik denk dat ze hadden geleerd om niet te schreeuwen. Toen de bebloede levensloze staart uit de handen glipte van de matroos stond de tandentrekker op. Hij trok zijn kleren uit en gebaarde naar zijn kompanen dat ze dat ook maar moesten doen. Hij riep iets in de plaatselijke taal, ik denk dat het ‘maak jezelf eens waardevol’ was, en greep een vrouw bij de schouders. Ze begon de toegeworpen kleren te weken waar ze voordien haar baby, die nu op haar rug lag te slapen, had gewassen. Het water kreeg een doffe roodbruine kleur. Ik vroeg me af wat er had kunnen gebeuren als ik toen had geprotesteerd. Op mijn reisbiljet stond dat ik in opdracht van de staat missionarissen zou helpen met het spreken van de inheemse talen. De kapitein had me wantrouwig aangekeken toen ik op zijn kantoor dat valse document naar voor schoof. Hij zei dat hij me zou meenemen zolang ik geen goudzoeker was, of een spion of abolitionist. Het verbaasde me dat hij dat woord kende. Die avond had ik besloten om het laatste stuk te voet af te leggen.

Ik voel mijn spier scheuren. Hun tanden glijden door mijn huid zoals mes door een lauwe boterklomp.

Mijn verblijfplaats was een oude barak die in allerijl was verbouwd tot een vertrek. Gerard had me bij het afscheid verteld dat er voordien een Nederlands gezin woonde. Niet lang daarna gingen er stemmen op dat ze waren verdwenen. “Volgens mij verslonden door hyena’s.” Ik antwoordde dat hyena’s aaseters waren, waarop Gerard zei dat de grootste beesten die er leefden in hutten woonden. “Rubber moet ergens vandaan komen,” pufte de jonge matroos. “En laat dat gegraaf van deze middag niet teveel in je hoofd malen. Het is niet de eerste keer dat we lichamen moeten ruimen. Ik noem het wel eens ‘menselijk slib’.” Hij tikte tweemaal tegen de roestige leuning en verdween daarna van het dek.

Ik zie hoe een meisje haar ogen probeert droog te wrijven. Haar handen hangen vol met vocht uit mijn ingewanden. Ze huilt. Ik wil haar toeschreeuwen dat dit niet hoeft. Ze stropen de huid van mijn rug.

Mijn dagen bestonden uit het herstellen van de houten planken, thee brouwen, rondwandelen en schrijven. Ik schreef over de belevenissen van missionarissen en gaf onderdak aan Engelse botanisten op doorreis. Die vertelden me meestal gelijkaardige dingen, zoals over de diepgroene kleur van de varens en de onbekende geur van gigantische bloemen. Ze vroegen me nooit wat ik hier kwam doen, en daar was ik hen dankbaar voor. De laatste gast gaf me een koffer vol geurende bloembladeren. Hij vertrouwde me toe dat ze aan het Franse hof in overdekte banken werden gestopt om zo tijdens het vrijen de stank van het niet-badende hof te maskeren.

Vanop het dak overzag ik het naburige dorp. Wekenlang staarden ze me tijdens het vissen aan vanop hun rivierbedding. Dat vond ik nogal nutteloos. Er was immers niet veel te zien. Na enkele maanden zag ik dat er meer aan de hand was. Vissen dreven boven toen de steeneiken begonnen te verzilten. De rivier was niet langer een kolkende striem in het landschap. Het enige wat ze deed was traag meanderen. Struiken die voordien als beschutting dienden, werden door een storm verpulverd. Ik had ze nog nooit zien jagen op gieren. De verveling maakte me gek. Maar tegelijkertijd kon ik niet wennen aan mijn omgeving. Monstrueuze schepen gevuld met vaten en geketende figuren schreden zo traag voorbij dat ik soms niet wist indien het huis of het schip bewoog. Op enkele weken tijd zag ik zes keer iemand van boord springen. Ik denk dat ze dat deden in de hoop hun kettingen te breken, maar dat lukte nooit. De zevende keer waren de kettingen zo strak gespannen dat de schimmen niet eens van op de rand hun gevoeg konden doen, waardoor ik bij het horen van een dreunend schip meteen bloembladeren in het rond strooide.

Twee oudere mannen binden mijn voeten vast. Ik kan niet zien met wat. De stoffige lucht doet me hoesten. Ik denk dat ik ijl. Ik zie een dode krokodil met een blanke arm in zijn bek me sissend aankijken. Zijn druipende staart is de golfslag van de kolkende roodbruine rivier. Misschien was mijn komst niet zo vruchteloos zoals ik dacht. Misschien is het niet de verveling die aanzet om te vernietigen, maar het wachten op een antwoord op onrecht.

Toen de schepen een andere route verkozen, begonnen de dorpelingen plots bomen te villen. Kinderen speelden met de langwerpige stukken schors terwijl ouderen het aan vrouwen gaven om vuur te stoken. De slapeloosheid begon me parten te spelen. Nadat ik, bij dauw, mijn kruik in de rivier stak en het slib er uitschraapte, zag ik hoe twee jonge meisjes werden ingesmeerd met een mengeling van spuug, zand en uitwerpselen. Hun hees geschreeuw leek de menigte te bekoren. Enkele mannen grepen naar hun geslachtsdeel. Tegen de gevel van een huis stond de moeder, of zo leek het toch, met haar linkerhand op haar nek en haar rechterhand in haar haar. Wat dichter klampte een man zijn vrouw aan. Ze werd op de grond gegooid. Hij stak een stuk schors in haar vagina. Het stuk puilde uit haar buik zoals een schoppend ongeboren kind. Twee dagen later werd ze ook de rivier in gehesen. De groep bewoog stil en levenloos.

Ik kan ze niets verwijten. Ik weiger te geloven dat ze beesten zijn. Het is alsof alle wreedheid die hen is aangedaan enkel bij verscheuring kan zuiveren, zoals het verbranden van een harteloze liefdesbrief of het verknippen van oude kleren. Mijn tenen hangen in het water als rode theezakjes. Ik hoor wanhopige kreten bij het zien van twee geslepen stukken boomschors. Het zand is verkorreld tot koffieachtige kruimels. Het stinkt. Ik zie honderden handen klauwen in een muur van vlees.

Het was die ochtend al zo snel heet dat mijn zweetdruppels zich vermengden met de inkt op het blad papier. Ik besloot mijn hemd te weken om de laatste koele nachtlucht te vangen. Ze stonden aan de laagste trede van de trap alsof ze wilden dat zij mij ontdekten en niet andersom. Ik toonde ze de donkerblauwe vloeistof op mijn handen. Ineens besefte ik waarom ze me bij mijn schouders beetnamen en de trappen afsleurden.

Ik voel maar half hoe ze in een rechte lijn mijn darmen opensnijden en me langzaam opheffen. Een scherpe steek in mijn buik maakt me blind. Traag omhult alles zich in een donkere waas. Ik denk aan de vrouw met haar baby, hoe zij geen beest was en wij dat wel waren. Ik denk dat verscheuring geen marteling is. Niet als lijden kan leiden tot loutering. Ik heb immers mijn nut bewezen. De mens, als dier, smeekt niet alleen om te verscheuren maar ook om verslonden te worden. De grootste marteling is wachten op een momentum dat alles doet kantelen. Voor hen ben ik een breekpunt in hun schakels van terreur. Ik was de boot die hen deed springen, de laatste tand uit de bek van een roofdier. En wanneer ik straks herleid ben tot een ziel in de tropische Styx weet ik dat ik niet de enige zal zijn die schepen laat stranden.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch