Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Kunstlading

Door Wester Buijsman

Ik kijk naar rechts en ik tuur in de ogen van een herdershond. De hond zit in de cabine van een vrachtwagen die me inhaalt. Het duurt lang voordat de vrachtwagen mij voorbij is en al die tijd zijn de ogen van Rex op mij gericht. Een hond lijkt mij ook een leuke reisgenoot. Af en toe even een aai en aanwezigheid van iets levends in je cabine. Niet alleen de lucht van mijn eigen scheten, maar ook die van een ander. Ik heb al twee dagen bijna niets gezegd dus een praatje maken met een hond lijkt mij goed voor mijn stembanden.

De Duitse radio is klote. Voor mijn vertrek ben ik vergeten op te zoeken wat de beste alternatieve radiozender van Duitsland is. Ik kan niets naar mijn smaak vinden. Ik stop een cd van de Arctic monkeys in de cd-speler. Ik heb niet veel cd’s, maar de vormgever in mij heeft het album Suck it an see van de Arctic Monkeys gekocht, omdat het album helemaal wit is. Dan denk jij dat deden de Beatles toch ook, ja maar daar staat ‘The Beatles’ op. Het luistert lekker weg. De titel Suck it and see verschijnt in het display van de cd-speler en ik denk dat ik daarnaar moet luisteren. ‘We zien het wel’ zo probeer ik de angst van ongelukken, beroving en moord en eenzaamheid van me af te schudden.

Mijn billen beginnen een beetje te verzuren. Hoe kan je je bilspieren goed trainen? Ik wil meer zitvlees. Misschien zijn daarom de meeste truckers wel zo dik. Meer vet op hun kadetten. Ik heb onwijs het zuur en ik boer steeds een branderig goedje op. Daar heb je hem, de braadworst. Terwijl ik rij draai ik me om. Ik hou met mijn knie het stuur recht. Achter mijn stoel ligt mijn toilettas. Af en toe spiek ik of ik geen mensen dood rijd. Eenmaal met de toilettas op mijn schoot zoek ik naar Rennies. Ik heb ze niet mee. Ik boer weer wat zuur op en nu drijft het in mijn mond en ik proef de braadworst opnieuw. Ik open mijn raam en spuug het naar buiten. Het waait naar binnen en ik hoor het ergens tegen aan kwakken. Ik draai me weer om en ik kijk waar de klodder geland is. De klodder ligt uitgesmeerd op mijn kussen. Uit het vakje boven me haal ik een vochtig doekje en ik probeer het eraf te wrijven, maar ik smeer de bruine smurrie alleen maar uit. Het stinkt. Bij het volgende tankstation sla ik af om te kijken of ze ook kussenslopen verkopen.

Ik moest mijn vrachtwagen ver van de tankshop parkeren. Ik loop langs alle andere truckers. Deze zijn niet allemaal dik en vies. Sommige zijn van mijn leeftijd en ik zag zelfs een meisje. Groetend knik ik naar de truckers met zelfverzonnen zekerheid. In de winkel vind ik tot mijn verbazing al snel kussenslopen en andere bed benodigdheden. Ik heb de keuze uit een kussensloop met een vrachtwagen in een nachtelijk sneeuw tafereel, een blonde dame in een lederpakje met dikke tieten waar je hoofd tussen kan liggen, en een huilende wolf. Ik ga voor de wolf, mijn eigen Rex. Ik loop langs alle interieur prullaria en kan de verleiding niet weerstaan om een knikkend hondje te kopen die ik doop tot Axel.

Ik stel Rex en Axel onnozele vragen en spreek mijn gedachten hardop uit. Hoe snel rijd deze vrachtwagen achteruit ik gok dertig kilometer per uur, maar bind me er niet op vast. Het is aan het miezeren en ik vraag me nu af hoe snel de ruitenwisser heen en weer zwaait. Zal die de tien kilometer per uur halen? Die kan even snel vooruit als achteruit. Zijn er auto’s die dat kunnen. Volgens mij wel. Met wat modificaties. Waarom je dat zou willen doen? Tenzij er wedstrijden in achteruit rijden zijn. Die zullen er vast zijn, net als grasmaaier races. Dat lijkt me nou echt een Duitse sport, Achteruit racen. Racen ze zich met zo’n nineties Mercedes een nekhernia om der Weltmeister te worden. Dat ze daar trots op zijn ook. Hun vrouwen zijn dan Weltmeister konijnenspringen. Aangezien hun mannen ook een rare hobby hebben dachten ze: wat voor iets raars kunnen wij als vrouwen doen? Maar het is een echte sport. Dat heb ik niet verzonnen. Het heet kaninhop. Een konijn doet dan wat een springpaard normaal gesproken doet. Zo’n stel rijdt dan achteruit naar een van die wedstrijden met allemaal konijnen achterin, of voorin, ligt eraan hoe je het bekijkt. Stel ik let niet op en bots op een voorganger en de achterkant van die auto verpletter, dat er bloed onder de auto vandaan loop, maar iedereen ongedeerd uitstapt. En een van hun hysterisch schreeuwt: ‘Nein! Nein! Mein Kaninhop kaninchen!’ Axel knikt instemmend en Rex lacht hard of jankt.

Ik rij achter ‘Marktkauf, einkoufen, erleben, genießen’ Het is een vrachtwagen van een Duitse supermarkt. Die zal zo wel ergens moeten afslaan, het lijkt met niet dat hij de komende twaalf uur voor me blijft rijden. Wie weet waar ik dan weer achter rijd. Als het een nineties Mercedes is neem ik wat afstand.

Sinds Axel en Rex me gezelschap houden heb ik niet meer aan de Rietveld gedacht. Tot ik een blokje hout moest ontwijken. Een Japans meisje uit mijn eerste jaar maakte sculpturen van kleine blokjes hout. Ze heette Kamika, elke keer als ik haar naam hoorde voegde ik er in mijn gedachte ZE aan toe. Ze was alles behalve een Kamikazepiloot. Ze zei nooit wat, was altijd zwartgekleed en deed alles voorzichtig. Ze zaagde hout in geometrische vormen en schuurde het op tot het baby bil zacht was. Zonder spijkers of lijm stapelde ze het op tot het een sculptuurtje vormde van maximaal een meter hoog. Toen ik haar vertelde over de blokkenhoek op de peuterspeelzaal begreep ze me niet. Ze begreep bijna nooit iets. Als een leraar wat uitlegde vroeg hij altijd of ze het had begrepen en zei ze: ‘Yes, yes,’ Je zag aan d’r dat ze het zei om niets te hoeven vragen of zeggen. De houten sculpturen waren prachtig teder en secuur. Ik hield van die dingen. De leraren niet. Ze moest aanwezig worden, uitgesprokener zijn, grotere dingen maken, uitdaging zoeken en meer van die bullshit. Ze ging aan de slag met plastic en staal en dat werd een rommeltje, maar de leraren waren tevreden dus mocht ze over naar het tweede jaar.

Ik mis mijn vriendin, maar die heb ik niet, maar in het echt wel. Schrijven doe ik altijd alleen op mijn kamertje af en toe vraag ik hoe het gaat met d’r en dan zegt ze: ‘Goed met jou?’ dan zeg ik: ‘Goedie’ en dan appen we pas weer als ze ’s avonds thuis is van werk. We gaan samenwonen en in ons nieuwe huis heb ik geen eigen kamertje. Dan wordt het aan de keukentafel of aan dit gammele bureautje als het een derde verhuizing overleefd. Soms denk ik dat vrachtwagen rijden net als schrijven is. Ik kijk naar voren, naar mijn scherm in plaats van een voorruit en er ontstaat wereld, in plaats van een wereld die met 90 kilometer per uur onder me door schuift. In tegenstelling tot de ik ben ik nog niet afgestudeerd, dat kan ook niet want dit is mijn afstudeerwerk. Ik hoop steeds dat ik niet word zoals de ik in zijn vrachtwagentje pratend tegen een plastic hondje en een kussen. Ik praat tegen een lezer waarvan ik niet eens weet of die dit ooit zal lezen.

Op de andere weghelft staat een file. Door de vluchtelingen crisis is de grens van Oostenrijk naar Duitsland streng beveiligd. Steekproefsgewijs wordt er een vrachtwagen uitgeplukt en wordt de lading gecontroleerd. Ik weet niet wat ik mee terug moet nemen, maar als het een ander menselijk stuk bot is ben ik de sjaak. Of heeft Jan daar papieren voor? Jan lijkt mij niet van de papieren, maar van: ‘Hier heb je 100 euro doe maar als of je het niet gezien heb,’ Ik weet niet of ik zo iets durf te doen.

Oostenrijk betovert me. De bergtoppen zijn nog wit en sommige hebben een kruis op de top. Ik slinger om ze heen of rij onder ze door. Ik wil ze beklimmen, zodat ik nog sneller kan zien wat er achter zit. Daar zit dan weer een berg achter die ik ook over wil om te kijken wat daar weer achter zit. Ik weet wel wat daar achter zit. Daar zit Hongarije. Maar dit landschap heeft iets droomachtigs. Ook iets beklemmends. Het voelt alsof iedere berg een tsunami is die mij opslokt en uitspuugt, waarna de volgende grijze golf me meesleurt. Het enige wat ik kan doen is klimmen tot ik bij een kruis ben waar ik me aan kan vastklampen tot de stenen zee gekalmeerd is en ik aanspoel in Hongarije. Wat een zware gedachte. Axel knikt.

Onderdeel van een korte roman.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch