Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Laf

Door Jeanette Olthof

Ik vond je best aardig. De afgelopen jaren heb je in mijn hoofd rond gespookt. Net als dat het schuldgevoel en de schaamte aan mij vastgeplakt zaten, ben ook jij steeds bij mij gebleven. Geeft jou dat troost wellicht?

Vanochtend opende ik Facebook en zag tot mijn verrassing een vriendschapsverzoek van jou. Ook jij bent mij dus niet vergeten.
Ik pak mijn fotoalbum uit de schuur, op zoek naar mijn verleden. Mijn moeder gaf het mij mee toen ik dertig jaar geleden uit huis ging mee, samen met een doos vol tekeningen vanaf mijn kleutertijd. Ik heb ze al zeker twintig jaar niet bekeken. Het laagje grijze stof van vele jaren blaas ik van het album. Voorzichtig trek ik de bladzijden van elkaar los, foto’s zijn eruit gehaald en nooit meer terug geplakt. De eerste foto die ik zie is van mij als baby in bad, met open mond kijk ik naar de camera. Mijn inmiddels overleden zus staat achter mij, wijzend naar iets wat zich buiten de camera bevindt. Ik slik een brok nog steeds niet verwerkt verdriet weg en blader verder. Foto’s van mijn eerste stapjes, mijn eerste hapjes. Mijn moeder legde alles vast. Feesten, barbecues met lachende mensen die niet meer in mijn leven zijn. Dan kom ik bij de klassenfoto’s van de basisschool. Op elke foto sta ik naast Patrick. Hij steeds breeduit lachend met zijn arm om mij heen. We kenden elkaar al vanaf de eerste klas. Bij onze vriendschap was een ding duidelijk; hij was degene die alles bepaalde, ik was slechts zijn volger. Onze vriendschap was maar een dun laagje ijs. Na de basisschool ben ik Patrick uit het oog verloren door zijn verhuizing. Een keer nog kwam ik hem tegen op het treinstation. Hij zat onderuitgezakt op een bankje, zijn lange haar vettig. Zijn ogen nog net zo helblauw als vroeger maar zijn gezicht pokdalig. Wat een verschil met vroeger. Hij was de populaire jongen met zijn bruine lok voor de ogen en zijn blauwe ogen, gekleed in Lacoste.
Hij herkende mij niet, maar hij was dan ook helemaal stoned.

Op de foto van de zesde klas trek ik een lijn met mijn vinger langs alle gezichten, een vettige streep achterlatend. Ik zie jou staan, ver bij de andere kinderen vandaan. Ik snap niet waarom de fotograaf daar destijds niets van zei. Je kijkt ongemakkelijk. Je kleding verschilt niet eens van die van de anderen, gewoon gekleed naar de mode van toen. Ik zie mij geknield zitten met een korte jeansbroek en een zwart T-shirt met daarop een foto van U2, mijn favoriete band. Lang staar ik naar je gezicht en probeer te ontdekken waarom we jou pestten. Maar het ging eigenlijk niet om jou, nooit. Het ging om ons.

Als ik de foto omdraai zie ik in het priegelige handschrift van mijn moeder alle namen staan: Saskia, Peter, Erik, Linda. Ach ja, Linda, het cliché mooiste meisje van de klas met haar lange, blonde haar, blauwe ogen en een kuiltje in haar wang. Weet je nog hoe verliefd jij op haar was? Iedereen wist het. Je keek haar na als ze langsliep. Patrick pakte een keer je schrift af en zag de hartjes die je had gemaakt met haar naam erbij. Je had Linda ook tot in detail nagetekend, zelfs de kleine sproetjes op haar neus stonden erop. Maar we bewonderden de tekening niet, we lachten je alleen maar uit, lieten de tekening de klas rondgaan: ‘idioot Jeroen is op Linda’, hadden we erbij geschreven. Zij keurde je geen blik waardig, nooit. Ze verscheurde de tekening toen ze hem onder ogen keek.
Je moet het toch raar hebben gevonden dat Linda ineens bij je ging slijmen? Dat was niet haar idee maar van Patrick. Hij vond het een briljant idee. ‘We zullen die sukkel eens goed te pakken nemen, die loser. Linda is hem helemaal zat, met dat gestaar van hem.’ Ik knikte alleen maar. Linda leunde tegen de muur en riep je bij haar als een hondje. ‘Jeroen, je vindt mij toch leuk?’ Natuurlijk knikte je bevestigend. Een gemeen lachje speelde om haar mond. ‘Nou, als je van mij houdt dan laat je dat zien door voor mij sigaretten te stelen, vanmiddag na school.’ Ze gaf je een klopje op je schouder, als een koningin die haar dienaar beloonde.
We liepen je na school achterna en zagen hoe je de supermarkt in liep. Aarzelend stond je bij de sigaretten bij de kassa en stak een pakje in je jaszak. Maar je had geen schijn van kans want dat was het moment waarop Patrick gewacht had. Hij liep naar de manager en wees naar jou. Boos stevende de manager op je af.
Ik zag buiten alles veilig vanaf een afstandje aan door de winkelruit. Ik kon niet liplezen maar het was duidelijk wat er werd gezegd en ik zag de verbijsterde blik op je gezicht. Patrick kwam lachend de winkel uit. Ik vond het verschrikkelijk hoe hij je genaaid had maar ik hield mijn mond.

We zagen niet veel later hoe je vader je ophaalde. Een paar dagen later verscheen je pas weer op school met een blauw oog. ‘Van de trap gevallen’, zei je tegen de juf.

Met mijn ouders woonde ik destijds in een jaren 30-woning. Het huis is een paar jaar geleden verkocht na het overlijden van mijn vader maar als ik mijn ogen sluit zie ik het huis weer voor me: de glas-in-lood ramen, de woonkeuken met mijn moeder achter het fornuis, de geur van de soep die ze maakte met een kip die mijn vader ergens had gesjacherd, de trapkelder waar mijn vader de vis droogde die hij op zee ving. Dezelfde trapkelder waar hij mij ook wel eens in opsloot als ik mij weer eens niet gedroeg. Ik voelde dan de doodse ogen van de vissen op mij gericht in het donker. Nog steeds hou ik niet van het donker.
Ik herinner mij verder de schouw in de kamer met de houtkachel die ons in de winter warm moest houden, een grote stapel hout eromheen. De warmte van de kachel bereikte nooit de slaapkamers. IJskristallen vormden zich op mijn ramen, in bed trok ik de dekens op tot mijn neus en wreef mijn voeten over elkaar om ze op te warmen. Als ik mij goed concentreer hoor ik zelfs nog het geluid van de muizen die boven mij over de houten vloer van de zolder trippelden.
We zagen die muizen verder niet in huis, maar zodra je het luik naar de zolder openklapte drong de penetrante, zure geur van urine je neusgaten binnen. De beestjes waren slim. Van de muizenval plukten ze de kaas zonder dat de val afging.
‘Die verdomde beesten’, vloekte mijn vader. Hij was vastbesloten ze te vernietigen en haalde lijmmatten bij de bouwmarkt. Hij deed er wat pindakaas op en legde ze neer bij de stapel dakpannen waarvan wij vermoedden dat ze daar hun nest hadden.
Elke dag keek ik wel even. Na een paar dagen was het raak, ik zag het al vanaf de ladder. Op een van de lijmmatten zat een muis. Nieuwsgierig stapte ik er op af, de muis bewoog niet. Ik hield mijn adem in en met mijn vinger raakte ik hem voorzichtig aan. Hij was zacht en warm. Op dat moment begon de muis te bewegen, wanhopig proberend los te komen. Ik zag hoe zijn vacht en pootjes vastgeplakt zaten aan de mat. Zijn oogjes keken mij aan. Was het paniek dat ik erin las? Een roep om hulp? Ik deed een stap achteruit, ik wilde hem zo graag helpen, hem verlossen. Maar ik deed niks. Want ik wilde niet zelf vast komen te zitten. Mijn reddingspoging zou zich alleen maar tegen mij keren.

Met tranen in mijn ogen riep ik mijn vader. ‘Pap! Kom snel!’
Ik hoorde mijn vader de trap oprennen. Ik wees naar de muis en hij knikte goedkeurend. ‘Eindelijk eentje te pakken.’
Hij pakte een losse plank met een spijker erin en gaf hem aan mij.
‘Geef hem maar een klap op zijn kop, maak een eind aan zijn lijden.’ Maar ik pakte hem niet aan. Ik keek naar mijn vader en zag zijn grijze bakkebaarden, de diepe rimpels op zijn voorhoofd en zijn mond als een streep.

Hij schudde zijn hoofd. ‘Dan doe ik het zelf wel.’ Ik las de teleurstelling in zijn ogen. Het was een blik die ik inmiddels gewend was bij alles wat ik deed of niet deed.

Ik had mij toen om moeten draaien, maar ik deed het niet. Ik keek toe terwijl mijn vader de plank hief en hem met een zwaai op de arme muis terecht liet komen. Het bloed spatte omhoog. Pas op dat moment rende ik de trap af. Niets had ik gedaan om de muis te helpen of om mijn vader tegen te houden.

Zoals ik al zei, het ging niet om jou, nooit. Het ging om ons.

Ik doe het album dicht, open Facebook en klik op accepteren.

1 reactie

Diana

woensdag, 17:46

Ik vind het een prachtig verhaal. Kan helaas niet liken 😒

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch