Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Lea

Door Imke Muriël Van Herk

‘Voor schapen is het niet per se weekend, of tweede pinksterdag. Geen vrienden die verwachten dat je aansluit in de kroeg. Een schaap is senang met zichzelf en dat is voldoende.’
Het zijn gedachten die troosten wanneer de weilanden en sloten, stukje voor stukje, als een legpuzzel van Jumbo aan hem voorbij schieten.

Zijn grote handen rusten op het stuurwiel van de bus. Rob de Nijs kraakt door de boxjes in het stoffen plafond. Via zijn achteruitkijkspiegel ziet Anton hoe mevrouw Van Deursen zenuwachtig aan de rits van haar windjack zit te peuteren. Sinds ze besloot om dichterbij haar familie te wonen, gaat ze iedere dinsdagmiddag op hetzelfde tijdstip bij haar moeder in het verzorgingstehuis langs. Vorige week strompelde ze aangeslagen door het gangpad naar het plekje naast het raam. Toen hij haar voorzichtig vroeg of ze misschien gevallen was, nam ze hem met dubbele tong in vertrouwen en vertelde dat het een aflopende zaak was: ‘Ons mam gaat waarschijnlijk haar laatste winter in, ik heb er de hele nacht niet van kunnen slapen.’ Ze lijkt er ook nu niet gerust op.
Het aantal passagiers in Zeeuws Vlaanderen is dagelijks op twee handen te tellen. Naast mevrouw Van Deursen stapt in de namiddag steevast het meisje met de rode vlecht in, het echtpaar zonder mening en het broertje van slagerij Vink. Op vrijdagen komt daar meestal een klein groepje studenten bij dat na een week in de grote stad een shopper vol wasgoed meesleept naar het ouderlijk huis. Vader en moer wachten buslijn 814 bijwijlen zwaaiend op. De rit van Breskens naar Sluis en weer terug, zit Anton in het lijf. Dit stukje wereld aanschouwt hij dag na dag vanachter het grote raam.
De mensen uit de dorpen zeggen hem te kennen, maar spreken gedurende een rit enkel doelloos over bonusaanbiedingen of het weer. Anton is voor hen gewoon die ene buschauffeur met peper-en-zout kleurige snor. Die trouwe man die direct na zijn dienst met een peukje tussen zijn lippen geklemd naar het huisje aan de dijk terug fietst.

Het huisje stamt uit achttienhonderd en grenst aan een lange rij beuken. De eerste buren wonen pas twee kilometer verderop. Anton kocht het jaren geleden voor zijn moeder, maar wist al vanaf dag één dat hij er zelf ook bij wilde wonen. Elsa begreep hem beter dan wie dan ook. Ze had hem in haar eentje opgevoed en altijd zeer vertroeteld. Zij wist precies wat hij verlangde, snapte zijn ongemakken en schuwde geen gesprek. Zijn moeder en hij leken als door een riempje aan elkaar verbonden, maar lieten elkaar wel de ruimte.

En nu is ze al drie jaar dood; Met keukentrap en al van het schuurdak gekletterd toen ze per se zelf die scheef gegroeide tak wilde snoeien. Anton vond het hoopje mens na werktijd in de voortuin en heeft haar in stilte begraven naast het hondenhok. Sindsdien leeft hij intensief samen met haar liefde in gedachten en de achtergebleven hazewind Lea. Ze hebben het eigenlijk best goed.

’s Morgens wordt Anton altijd wakker van de zacht briesende adem naast hem in de twijfelaar. Haar ovaalvormige kop in een kuiltje van dons gedrukt, haar bek halfopen. Met zijn vingertoppen aait hij voorzichtig over de schacht van haar snuit. De warmte geeft door de vacht af aan zijn handen. Kleine zweetdruppels op haar zwarte neus, haar hondenlijf gevouwen tussen de dekens. Hij denkt aan hoe zijn moeder vroeger verhaaltjes vertelde als hij niet slapen kon. Haar vurige stem vulde zonder enige moeite zijn kleine kamer. De woorden weerkaatsten tussen de kalkmuren en het houten plafond en vonden daarna hun plekje in het kinderbrein van Anton. Elsa verloor zichzelf in haar fantasieën en sleepte hem mee in werelden die voelden als het thuis dat zij in Zeeuws Vlaanderen niet kenden. Zelden kwamen er mensen voor in de sprookjes die ze vanaf zijn bedrand verzon. Vol overgave sprak zij over dappere honden, kwispelend op zoek naar gouden schatten. Over eigenwijze wolven die zich los maakten van de roedel en vluchtten naar zonovergoten oorden in het zuidelijker Amerika. Grenzeloze vertellingen die gevoelsmatig hun bestaansrecht groter maakte dan het op dat moment was. Anton wist ergens wel dat zijn moeder hem iets mee probeerde te geven met die verhalen, maar een heldere clou pikte hij er zelden uit.

Toch groeide in de jaren erna zijn gevoel van verbondenheid met de dieren alleen maar meer. Als hij in de donkere ogen van Lea keek, wist hij zeker dat ze snapte wat hij dacht: wij zijn familie. Wij horen bij elkaar, ergens is ooit iets gruwelijk mis gegaan in celdeling, maar er komt een dag dat alles in evenwicht wordt gebracht.

En die dag kwam, een week na zijn moeders overlijden. Lea zou niet langer het hok in de tuin bewonen en trok bij hem in. Zij leerde hem oprecht te genieten van de kleine dingen binnenshuis.
Samen kijken ze nu ’s avonds naar het knapperend haardvuur. Naar hoe de vlammetjes dansen rondom de blokken hout die hij zomers klieft.Hij leerde haar rechtop te zitten op de houten stoelen rondom de eettafel. Zij doet hem voor hoe je zonder mes en vork risotto eet.

Lea wacht hem iedere werkdag op voor hun rondje om de graanvelden. Hij vult bij thuiskomst haar drinkbak met lauwwarme kamillethee. Op zaterdagavond gaan ze samen in bad, masseert hij haar hondenrug met lavendelolie en wast haar vacht met Elsa’s shampoo. Zodra het water afkoelt trekt Lea met haar tanden de stop uit de kuip en springt op het matje naast het bad. Voldaan schudt ze zich droog en trekt dan een handdoek voor Anton uit het kastje naast de deur. Zonder woorden weten ze wat ze aan elkaar hebben en wanneer het beter is de ander met rust te laten.

Op dagen dat Anton somber is, neemt hij Lea mee op de bus en turen ze beiden naar de voorbijtrekkende polder. Bij iedere naderende halte blaft zij hem toe te stoppen. Zelfs als er niemand staat, zet hij het voertuig stil en wachten ze drie minuten om niet op schema voor te geraken.
Lea dwingt hem op zulke dagen gewoon zijn lunchtrommel te openen en zich niet te laten verleiden door de saucijzenbroodjes van Sneltank Agri. Eén blik op het metalen boxje in de zak van zijn chauffeursjas is voor hem voldoende om zich te realiseren dat hij ook voor zichzelf zal moeten zorgen. Knipogend gooit hij haar de halve rookworst toe en zet gulzig zijn tanden in een dubbele boterham met kaas.

Als zij haar hoopje moet doen kijkt hij vanaf zijn chauffeursstoel toe hoe ze haar ranke achterstel zorgvuldig laat zakken boven zijn potig gegraven kuil. Na afloop gooien ze samen het gat naast de weg weer dicht en springen terug de bus in.

‘Wanneer weet je zeker dat je in het juiste lichaam geboren bent?’ Anton kent net als Lea zelden een gevoel van schaamte, maar voelt zich zonder dat iemand het ziet dikwijls bekeken. Hij realiseert als geen ander dat hoe kort de route langs de weilanden ook is, de weg naar huis nog lang zal zijn.

Als mevrouw Van Deursen verzonken in gedachten vergeet om op het knopje te drukken, blaft hij haar eenmaal toe en zet de bus stil voor het verzorgingshuis.

‘We zijn er, groetjes aan uw moeder!’

geen reacties
0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch