Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Leeuwentemmer

Door Martijn Suijkerbuijk

Ik heb God gezien.

Ik had eerst niet eens door dat hij het was. Hij zat daar, gewoon. Druppels op het raam, wolken die voorbij raasden, kale boomtoppen die deinden, hier en daar voorzien van een groot, zwart, eksternest. Daar keek hij naar. God dus.

Hij heette Jochem, wat mij zelfs nu nog een ongewoon gewone naam lijkt voor een godheid, en woonde in hetzelfde dorp als ik. Hij had iets wat alle mensen hebben die een grotere waarheid kennen.

‘Ik heb een leeuw gevangen,’ zei hij, zonder mij te hebben gezien.

Het leek mij uiterst onwaarschijnlijk.

Hij draaide zich om. Zijn ogen waren helblauw. Hij had lange blonde haren en een stijlvol baardje. Niet te kort, niet te lang. Het voelde alsof de zon bij zijn aanblik scheen, maar het winterde nog.

‘Zal ik vertellen hoe?’

Ik knikte.

‘Het gebeurde een maand geleden. Toen ik een hoek omdraaide, zag ik een half voetbalveld verderop een mannetjesleeuw. Groot met vuurrode manen en een toefje op zijn staart om het geheel in evenwicht te houden,’ vertelde hij.

Ik probeerde niet te lachen. Ik kon mij onmogelijk voorstellen dat een leeuw door de straten van Barneveld was gelopen. Zoiets ben ik er nooit tegengekomen. Eenmaal een python, maar die was ontsnapt en dood toen ik ‘m zag. Het arme beest lag plat op de weg. Afijn.

‘Hij liep langs geparkeerde auto’s, niet van zijn stuk gebracht, door het hem onbekende habitat. Ik had drie opties: niets doen, de politie bellen, of ik kon de leeuw zelf overmeesteren. Ik besefte dat de kans op het treffen van een leeuw minimaal was en wilde ik ooit een leeuw vangen, was dit mijn kans! Ik sloop voertuig voor voertuig dichterbij. Op mijn voorvoeten kon ik snelheid maken, zonder dat ik daarbij geluid produceerde. Al gauw had ik het magnifieke dier in mijn vizier. Ik kon het ruiken, het wilde, het mannelijke…’

Ik luisterde ingespannen.

‘Vervolgens,’ vervolgde hij, ‘wachtte ik op het juiste moment. Waar de leeuw achteloos op straat stond, naderde ik hem van achteren op mijn tenen. Dit met respect, want een verkeerde beweging was mogelijk fataal. Toen ik genoeg dichtbij was, griste ik in een vloeiende beweging zijn staart. Ik kneep kiezelhard, wat maakte dat hij mijn dominantie voelde en zich op zijn buik liet vallen, daarmee de macht formeel aan mij overdragend.’

Ik zag dat een toehoorder zich naast mij had gevoegd. Hij knikte op een wijze, die mij vertelde dat het werkelijk waar was. Ik besloot daarom eveneens te knikken.

‘Het probleem ontstond daarna. Achter mij klonk een angstaanjagend gebrul. Onverschrokken draaide ik mijn hoofd en zag een nog veel grotere leeuw, vermoedelijk de koning. Er was mij een dilemma gepresenteerd: ik kon de leeuwenkoning attaqueren, maar dan moest ik de onderdanige loslaten, wat mij in een ondertalsituatie zou brengen. Dat was geen optie. Ik sloeg daarom met mijn gestrekte hand,’ hij toonde zijn hand als een getrokken degen, ‘in de nek van de onderdanige leeuw. De kunst is om zijwaarts tussen zijn nekwervels te slaan, waar de klap een hoek maakt tussen kop en nek, die de bloedbaan naar zijn brein blokkeert en de leeuw doet flauwvallen. Brullend kwam de andere leeuw mijn kant op gesprongen, met gespreide klauwen en nagels die decimeters lang waren. Ik bleef indrukwekkend kalm. Je moet zo lang mogelijk wachten en dan in een flits een stoot uitdelen tussen de kaken van de leeuw, tegen zijn verhemelte. Daar raak je het zachte, onbeschermde stuk vlees, snap je? Daarbij is het van ontegenzeggelijk groot belang om je arm snel terug te trekken, omdat uit een reflex de leeuw zijn kaken sluit. De klap maakt dat de druk in zijn kop dusdanig oploopt, dat het lichaam zichzelf uitschakelt,’ vertelde God.

De toehoorder – Herman, naar eigen zeggen priester – applaudisseerde. Ik vroeg of er getuigen waren, aangezien het opvallend leek, wanneer een mens overdag twee leeuwen in elkaar mept. Herman stelde, dat we het niet over een mens hadden.

‘Heb je de getuigenis van Billy niet gehoord?’ vroeg hij.

‘Billy?’

‘Ken je Billy niet? Bill was een Amerikaans soldaat die hier neerstreek na de Tweede Wereldoorlog, zich voortplantte en, van het padje geraakt door de gevechten met de nazi’s, zichzelf door zijn hoofd schoot in de zolderkamer van zijn huis. Billy is zijn kleinzoon.’

‘Zegt me niets. Ik kan niet iedereen kennen.’

‘Dat is waar. Billy had Jochem gezien. Hij vertelde het verhaal exact, zoals Jochem nu, met de niet onbelangrijke toevoeging dat na de overmeestering het wolkendek uiteen week en goud licht verscheen. Billy zag de hemelpoort. Engelen zongen en witte duiven fladderden. Het was absolute vrede. Eén moment, waarop alle sterrennevels vredig zuchtten in de goedheid van het hemelse. Daarna zag Billy een lege troon. De reden daarvoor, bedacht Billy, was dat het God was die voor hem stond,’ Herman leek er weinig moeite mee te hebben dat zijn verhaal naar godslastering riekte, wat mij ervan overtuigde dat het waar moest zijn.

‘Waar is Billy nu?’ vroeg ik.

‘Dat is het onfortuinlijke. Gevuld met geloof, besloot hij zichzelf te offeren. Hij had zijn buik opengesneden. Die dingen gebeuren,’ zei Herman, zijn schouders ophalend.

‘Is dit dan de Parousie, de wederkomst van Christus?’ ik was ervan geschrokken dat ik het niet had zien aankomen. Mijn leven was verre van perfect geweest. Achteraf bezien had ik dat eerder recht moeten zetten. Met dat soort dingen kun je niet vroeg genoeg zijn.

Herman lachtte geringschattend.

‘Welnee,’ sprak Jochem. ‘Dat zou betekenen dat mijn vervolgstappen vast staan. Daar doe ik niet aan. Ik ben misschien een andere god dan de Bijbelse, dat zal de toekomst uit moeten wijzen. Ik heb een vrije wil, als ik morgen besluit links te gaan, ga ik links. Daar gaat geen boek mij van weerhouden.’

Herman knikte wederom.

‘Volg mij,’ ging Jochem verder. ‘Ik ben de waarheid. Ik ben het zijn en het niet-zijn, het denken en het niet-denken. De eeuwigheid en het nooit!’ God bulderde, met gespreide armen gelijke een crucifix.

Het was alsof de zwaartekracht invloed uitoefende op mijn geest. Echter niet neerwaarts, waar ik vreesde dat mijn bestemming lag, maar naar boven. Dat vulde mij met ongeëvenaarde blijdschap. Als ik een kwart van dat gevoel op dit papier zou neerpennen, dan al zou het moeten met woorden mooier dan taal machtig is.

‘Wat kan ik doen?’ vroeg ik.

Zijn blik werd serieus. ‘Ik heb zuivere zielen nodig! Daar. Ik kan het niet alleen. Ben jij zo’n ziel?’

‘Jazeker, jazeker! Wat wil je dat ik doe?’

‘Zou je door het vuur gaan, voor mij?’

‘Jazeker, zeg het maar!’

‘Zou je boze tongen trotseren, voor mij?’

‘Jawel, loof de Heer!’

‘Zou je alles doen om mijn goedheid te beschermen?’

‘Ja, ja, ja!’ riep ik uitzinnig.

‘Neemt dan dit touw en bevrijd je ziel van het gevang dat je lichaam is. Ontsnap aan dit aardse bestaan en volg mij naar de engelen, de muziek, de eeuwige vreugde, de zoetste vruchten, watervallen, fonteinen, dansende herten in lentegroene heides, zingende vogels in bloeiende bomen!’

‘En vrouwen?’ vroeg Herman.

‘Zo veel vrouwen,’ beloofde God, die met zijn handen een wulps lichaam uitbeeldde.

Ik voelde een overtuiging die ik nimmer gekend had. Ik pakte zijn touw en rende. Ik zag mijn buurman in pyjama, peinzend over zijn lege schaakbord. Ik zag Lydia, de lieve verpleegster en Arnoud, de man die geloofde dat als hij op zijn handen zou blijven lopen, hij vanzelf naar het plafond zou vallen. Houd vol Arnoud, alles draait om geloof! Ik ging mijn kamer in, liep naar het raam, bond het touw aan het traliewerk ervoor en legde er een knoop in. Ik stapte op mijn bed ernaast en bewoog mijn hoofd door het gat, waarna ik slechts aan het vastgebonden deel hoefde te trekken, om mijn nek te omsluiten.

Daar stond ik, op de rand van mijn bed, met een touw om mijn nek. Eén stap en ik was in het beloofde land. Tranen rolden over mijn wangen, maar geen van verdriet. Eindelijk wist ik waarom dit mijn pad was. Ik was uitverkoren God te ontmoeten. Dat was ook wel logisch, eigenlijk. Van kleins af aan is mij verteld dat ik anders was. Ik dacht niet als mijn vriendjes. Ik was verlicht, uiteraard omdat ik in verbinding stond met het onaardse. O wee, de leraren die mij afkeurden. O wee, de scholieren die mij bespotten. O wee, de bakker die mij uitschold, omdat ik naakt masturberend door zijn bakkerij rende. Ik stond in verbinding met God! Daardoor was ik goddelijk! O wee, mijn moeder, die mij opsloot. Kon zij weten van mijn puurheid? Zij moest het weten! Hoewel, ze is een vrouw. Vooraanstaande vrouwelijke Bijbelse figuren waren Eva, Delila, Maria en Maria. Gods verrader, een slinkse verleidster, een vreemdganger en een hoer. In die zin valt mijn moeder nog mee.

‘Nu is het míjn tijd,’ riep ik hysterisch. Ik keek naar boven, alsof ik verwachtte dat de hemel voor mij zou aftellen. Drie, twee, een…

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch