Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Meer weten?

Sluiten

Levenseinde

Door Femke Lobach

Levenseinde

Mijn vader wist precies hoe hij niet wilde eindigen. Niet zoals zijn moeder en niet zoals zijn zus. Dementerend. Dus had hij alles geregeld. Officiële instanties, benodigde papieren en een betrokken huisarts. En nu is het moment daar.

Zijn organen laten het langzaam afweten. Dikke opgezette voeten die vocht vasthouden. Een huid vol wonden door langdurig gebruik van bloedverdunners. Zelfs het uitdoen van een trui veroorzaakt een schaafwond. Doorligplekken. Plasproblemen. Kortademigheid. Een hart wat minder werkt. Herseninfarct. Epileptische aanvallen. Twaalf medicijnen slikt hij op een dag. Hij eet niet, hij drinkt nauwelijks. Hij wil niet meer.

Morgen dan.

Mijn vader dementeert. Hij kan niet meer lezen, valt continu in slaap. Gesprekken gaan moeizaam. Hoe het precies werkt, snap ik niet. Haakt hij in op woorden die hij herkent? En komt er dan een verhaal naar boven? Heeft hij flarden van helderheid? Wat gaat er toch om in zijn hoofd? Ik zie hem denken. Verdwaalt hij in zijn hoofd vol mist? Mijn intellectuele vader die niet meer kan lezen en leren, die geen kennis meer kan delen. Hij wil echt niet meer.

Morgen dan.

Mijn vader zijn rug is verzakt. Ruggenwervels zijn weg gesleten. Je kunt bijna door hem heen kijken. Zo mager is hij. Hij heeft continu pijn. Opstaan gaat met moeite, wandelen gaat heel voorzichtig. Uit bed komen is een drama. Omdraaien nog erger. Ondragelijke pijn. Morfinepleisters en een constante dosis paracetamol maken het een beetje dragelijk. Maar hij wil niet meer.

Morgen dan.

Want zo werkt dementie. Het ziekte-inzicht is weg. Het tijdsbesef is weg. En vast nog meer, waar ik geen weet van heb. Dus in zijn wereld, kan hij mijn moeder niet alleen achter laten, zegt hij. Kan hij niet doodgaan, zonder haar. Dus hij wil niet nu, hij wil morgen. ‘Morgen gaat je misschien wel mee?’ vraagt hij Het laatste stukje vader; de liefde, de gewoonte, vierenvijftig jaar samen, de symbiose. Hoe kan hij zonder haar leven? En hoe kan hij zonder haar sterven?

Dus morgen, nu nog even niet, en daarmee is het moment voorbij. De kans op een waardig einde. Om zelf controle te houden. Het kan niet meer, het is te laat. Het proces gaat nu zoals het wil, in al zijn grilligheid en onmenselijkheid. Langzaam zal hij sterven, stukje bij beetje gaat hij dood. Zijn hersens eerst, ben ik bang, en dat maakt mij zo enorm verdrietig.

In het ziekenhuis

Hij ligt in het ziekenhuis. Alle trots is weg, de schaamte voorbij. Een kwetsbare kleine man vol bloeduitstortingen, slangen en buizen. Vierentachtig Jaar. Waarom wordt hij in leven gehouden? Even opent hij zijn ogen en zegt: ‘dag lief. Dag meisje.’ Dan zakt hij weer weg. Wordt weer wakker. Twee grijze doffe ogen kijken mij aan: ‘Femke, ik wil dood begrijp je dat?’

Ja vader, ik begrijp het maar al te goed. Ik zal je zo missen, maar dit ben je niet meer. Maar hij is het wel. En ondanks alles ben ik weer trots. Wat een eigenwijze, koppige man. Hij wil weg. Hij vecht. Hij ontsnapt. Het is mensonterend. En hij is zo sterk. Met zoveel wilskracht. Met zoveel mentale vechtlust. De tranen rollen over mijn wangen wanneer ik hem terugduw in zijn bed. Ik praat rustig met hem. ‘Het is goed vader.’ Mijn hart scheurt. Ik schreeuw van binnen ‘het is helemaal niet goed! ‘ Ik blijf sterk. Ik adem rustig door. In en uit.

Mijn God, wat houd ik van deze man. Die man waarmee ik in mijn pubertijd zo vaak gevochten heb. Die man die altijd voor mij gevochten heeft. Die blind mijn kant koos. Die boos op mij was. Trots op mij is. Die van mij houdt, zonder voorwaarden. Dat is mijn vader. Ik gun iedereen zo’n vader. En ik gun geen vader zo’n einde.

Loslaten

‘Kunnen we twee maanden terug in de tijd gaan en opnieuw beginnen?’ vraagt mijn vader. ‘Kunnen we de verpleegsters naar huis sturen? Jij kan het toch ook?’ vraagt hij. ‘Kunnen we gewoon doen alsof er niets gebeurd is?’ ‘Kun je niet gewoon met mij mee gaan?’ ‘Kunnen we misschien samen stoppen?’ vraagt mijn vader aan mijn moeder, zijn vrouw en soms aan mij als hij ons weer eens door elkaar haalt.

Op zijn heldere momenten, zijn mistige momenten. Ik weet niet welke momenten, wil hij niet meer of houdt hij juist vast aan wat er was. Het woord dood, spreekt hij niet uit. Snapt hij het nog wel? Snapt hij het niet? Het ene moment loopt hij, het andere moment krijgt hij zijn voeten niet meer voor elkaar. Het ene moment praat hij en vervolgens slaapt hij, wordt verward wakker en is onaanspreekbaar. Er zit geen logica in het proces. Ik kan mij nergens aan vasthouden.

‘Ga je zitten vader?’ Ja, en hij staat op. ‘Blijf je liggen vader?’ Ja, en hij gaat uit bed. ‘Blijf je boven vader?’ En tien minuten later is hij beneden. Is hij koppig? Of begrijpt hij het niet? Ik kan het hem niet eens vragen. ‘Wil je wat drinken?’ ‘Nee ik doe het zelf wel’ en vervolgens gebeurt er niets. Dus zet ik maar zonder iets te zeggen een glas water voor hem neer. Wie weet, neemt hij een slokje.

Ik snap er niets van. En misschien is dat eigenlijk wel het enige wat duidelijk is? Dat het niet meer te snappen is? Dat logica ontbreekt omdat veel verbindingen in zijn hoofd weg zijn? En steeds verder verdwijnen? Het is zo in en in triest. En zo onbegrijpelijk. En toch, er is nog een klein restje vader waar ik mij aan vast kan houden. Straks is er niets meer. Niemand om voor te zorgen. Niemand om mij bezorgd om te maken. Nooit meer. Helemaal nooit meer. Hoe definitief en onomkeerbaar. Het leven gaat zijn eigen gang. En dus komt de dood ook altijd weer onverwacht.

Nooit meer, dat is zo eindeloos lang. Ik ken het maar al te goed, helaas.

De laatste bladzijde

Ik zit beneden tijd te rekken. Mijn moeder slaapt. Ineens begint de babyphone te pruttelen, ik hoor lakens ritselen. Snel loop ik naar boven. Mijn vader is totaal verward en probeert uit bed te komen. Zachtjes duw ik hem terug. Hij hallucineert, als ik iets zeg kijkt hij de verkeerde kant op ‘haal jij die oranje dingen weg?’ ‘Ja dat is goed’ zeg ik ‘die neem ik zo mee naar beneden’

Ik weet niet of hij beseft dat ik zijn dochter ben en niet zijn vrouw. Maakt niet uit. Het voelt vertrouwd voor hem en voor mij. Een kwartier blijven we zo zitten, zeggen niets. Af en toe raak ik hem even aan, zodat hij niet in slaap valt. ‘Het is nacht vader. Je kunt beter gaan slapen. Dan staan we morgen op’ ‘jajajajaja’ antwoordt hij. Zachtjes druk ik hem naar achteren en schuif hem in het bed. ‘nee nee, au au’ ‘ ik wil het niet’ maar ik zet door. Zo moeilijk en verdrietig. Een uur later, ligt hij eindelijk en valt in slaap. Hij is uitgeput en onrustig.

Het is ondertussen elf uur. Ik ga nog even naar beneden voor een kop thee. Straks ga ik wel naast hem liggen.

Twaalf uur; ik lig in het bed naast hem. Mijn moeders bed. Ik lig op het randje. Ik ben niet zijn vrouw, ik ben zijn dochter. Hij ademt zwaar, snurkt en dan ineens is het stil. Ik schrik en luister….

Plots begint het snurken weer. Zo gaat het de hele nacht door. Ik probeer te slapen, ‘hij mag dood. Dus je hoeft niet te schrikken, laat maar los.’ Mijn hoofd snapt het maar mijn hart is doodsbang.

Het is zes uur, ik val slaap. De lakens ritselen en ik schrik wakker. Mijn vader probeert overeind te komen. Ik help hem. Hij schreeuwt van de pijn. Ik huil. Eindelijk zit hij. Ik geef hem de urinaal. Terwijl vader ‘nee nee nee’ zegt. Hij plast, alles gaat er naast maar ik mag hem niet helpen. ‘Nee, nee’. Niet doen, niet doen. Nee, nee’. Hij is verkrampt. Ik krijg hem niet meer terug in bed. Hij snapt het niet, hij wil het niet.

Ik maak moeder wakker, zo jammer ze sliep zo diep in dat andere bed. Samen proberen we vader droge kleren aan te doen, het bed te verschonen en weer terug in bed te leggen. Het is nog een heel gedoe. Eindelijk lukt het. En dan geeft hij over. Weer alles verschonen. Arme, arme vader. Dit is toch geen doen.

Die ochtend hebben we een gesprek met de huisarts en de verpleging. Gelukkig is iedereen het over eens dat we hem beter in slaap kunnen houden, vrij van pijn.

Eindelijk zakt hij weg in een diepe droomloze slaap, op medicijnen zweeft hij weg. Rust. Hij heeft het zo verdiend.

Nog één keer kijkt hij mij aan en glimlacht. ‘Het is goed vader, ga maar. Ik hou van je for ever and ever.’

Hij reageert nergens meer op. Het wordt nacht en weer ochtend. Het eerste daglicht, hij zucht en dan is het klaar.

3 Mei 2016, tien over zes. Nooit meer

geen reacties
0 Fictie

Hap

Anje Gnodde

0 Non-fictie

Een plekje

piet struyf

0 Poetry slam

Verhuizen

Frans Smolders

0 Fictie

plein

Marijke Jasperse

0 Poetry slam

Iets Paars

Desta Matla