Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Lief dagboek

Door Yvonne van Beek

vrijdag, 11 augustus 1916

Lief dagboek,

Vandaag ben ik in het grote huis geweest! Eigenlijk moest ik van moeder de roomafscheider grondig schoonmaken, maar de zon scheen zo mooi door de bomen dat ik naar buiten wilde. Ik heb mijn werk snel afgemaakt en ben toen stiekem uit de schuur geglipt om de korte weg naar het bos te nemen. Als vanzelf kwam ik bij Huis ‘t Eikerberghe terecht. Ik stond stil om op adem te komen en keek naar de twee verdiepingen tellende woning met rode bakstenen en achtruits ramen. Op het dak waren drie dakkapellen met puntdaken gebouwd. Het gras op het gazon stond hoog en was bezaaid met madeliefjes. Er waren bosjes, beelden, fonteinen en paadjes tussen het struikgewas. Een paar keer per jaar kwam er een groot gezelschap naar het huis om te jagen in de bossen, maar sinds de oorlog was het onbewoond. Ik was er al zo vaak langs gelopen, maar durfde er nooit naar binnen te gaan.

Bijna op mijn tenen liep ik naar het toegangshek waarop heel vaag de datum 1843 was te lezen en rook de lichtgele rozen die langs de spijlen groeiden. Misschien dat het gezang van de vogels mij deze keer overmoedig had gemaakt, maar ik opende het hek en wandelde over het grindpad de tuin in. Een konijn sprong voor mijn voeten weg. Toen ik bij het huis aankwam, voelde ik aan de rode stenen. Ze waren warm van de zon. Om de voordeur te bereiken moest ik een hoog bordes op, dus liep ik door naar een van de ramen en gluurde naar binnen. Het meubilair was bedekt met witte stofhoezen. Het zag er spookachtig uit.

Mijn moed had me nog niet in de steek gelaten en daarom wandelde ik verder naar de achterkant van het huis. Toen ik de hoek omging, waaide mijn strooien zonnehoed van mijn hoofd. Vlug rende ik de hoed achterna en voelde hoe mijn haren uit de spelden ontsnapten. Ik schudde mijn hoofd om het nog losser te maken en spreidde mijn armen om in het rond te dansen. Het was hier zo vredig en rustig. Zelfs de zorgen om mijn broer waren uit mijn hoofd verdwenen.

Ik probeerde de achterdeur. Tegen beter weten in hoopte ik natuurlijk dat die niet op slot zou zijn. Terwijl ik daar stond, hoorde ik een geluid achter me. Ik draaide mij om en zag tussen de struiken wat bewegen. Was het misschien een wild zwijn? Ineens werd ik bang. Ik mocht helemaal niet op het landgoed komen. Stel dat het iemand van de familie was? Zou hij mij aanklagen of erger nog, hier vasthouden? Maar net toen ik dacht dat ik het me verbeeld had, kwam er vanachter de bomen iets tevoorschijn. Een ogenblik verstijfde ik en hield mijn adem in. Een prachtig kastanjekleurig paard met blonde manen en een blonde staart draafde over het gazon naar het huis. Op zijn rug zat een lange man met een geruite pet waaronder zwarte haren krulden. Hij trok aan de teugels om het paard af te remmen en plukte een paar bladeren van zijn gestreepte vest. Ik zag dat op zijn broek donkere vegen zaten. Wat deed hij hier? Hij had net zomin het recht om hier te zijn als ik. De ruiter sprong van zijn paard en hield de teugels in zijn hand. Zijn donkere ogen namen mij onderzoekend op. De opwinding die ik ogenblikkelijk bij hem bespeurde nam ook bezit van mij. Mijn hart ging als een razende tekeer en ik kon mijn blik niet van hem afwenden.

De man boog licht en stelde zich voor als Willem. Hij zei dat baron van Dunninck hem had gevraagd het landgoed een beetje in het oog te houden tijdens zijn afwezigheid. Nadat Willem zijn paard had vastgebonden aan een paal, vroeg hij op plagende toon of ik graag de binnenkant van het huis wilde zien. Hij had me dus zien gluren! Ik knikte aarzelend en voelde hoe mijn wangen begonnen te gloeien. Moeder zegt altijd dat ik me er niet druk om moet maken, dat het me zelfs erg goed staat, maar ik betwijfel of het haar goedkeuring zou wegdragen als ze hoorde dat ik met een vreemde man het grote huis in ben gegaan.

Hij opende de deur met een sleutel aan zijn sleutelbos en we stapten naar binnen. We stonden in een imposante hal met een fraai, hoog plafond en een marmeren vloer. Aan weerszijden van de lange hal waren authentieke vurenhouten paneeldeuren. Ik realiseerde me hoe klein en eenvoudig ons eigen woning was. Willem had er blijkbaar minder moeite mee, want hij liep rond alsof het huis van hemzelf was. De eerste deur rechts gaf toegang tot de voorkamer die ook als jachtkamer werd gebruikt. Aan de wanden hingen hertengeweien en zwijnskoppen. Ik vond het een naargeestige kamer, ondanks de grote schouw die was uitgevoerd in een grenen omlijsting en verfraaid met blauwe tegeltableaus.

In de kamer ertegenover bevond zich een kleine bibliotheek. Overal waar ik keek zag ik boeken. Grote en dikke boeken, maar ook boekwerken van kleiner formaat. Wat wilde ik ze graag aanraken en bekijken. Ik slenterde langs de rijen verhalen van bekende en minder bekende schrijvers en liet mijn ogen over de titels gaan. Zou ik het durven? Ik pakte het boekje ‘De gedichten van den Schoolmeester’ en begon er in te bladeren. Algauw was ik erin verdiept en liep naar het bankje dat onder het raam stond. Willem kwam naast me zitten en glimlachte terwijl hij het boekje uit mijn handen pakte. Ik luisterde naar zijn diepe, warme stem toen hij het volgende gedichtje voorlas:

Een hond is vermaard

Om zijn gezelligen aart

En ‘t kwispelen van zijn staart.

Zijn neus, doorgaans rond,

Staat gewoonlijk in ’t front

En zo lang die maar nat en fris is,

Is ‘t een bewijs, dat menheer zo gezond als een vis is.

Toen hij mij weer aankeek, stonden zijn ogen ernstig. Hij zei dat ik altijd kon komen wanneer hij zijn wekelijkse bezoekje bracht. Dan mocht ik zoveel boeken uitzoeken als ik wilde en ze in alle rust lezen in de theekoepel. Ik staarde hem aan en kon even niets uitbrengen. Zijn aanbod verraste me. Kon ik dat wel doen? Mocht hij mij dit zomaar aanbieden? Willem boog zich naar voren en pakte mijn hand, die ik snel wegtrok. Mijn impuls was om op te staan en weg te lopen, maar de boeken lonkten. Willem lachte zachtjes, alsof hij mijn gedachten kon lezen en wist hoe kwetsbaar ik was. Op de een of andere manier deed deze man me iets. Had Johan maar dezelfde uitwerking op mij.

Ik mompelde dat ik thuis nog een hoop werk te doen had en liep met versnelde pas in de richting van het dorp. Toen ik de boerderij van Netty passeerde, hoorde ik mijn naam roepen. Ik bleef staan en zag mijn lieve vriendin met een stralend gezicht naar me toekomen. Haar ene hand lag op haar bolle buik en in haar andere hand wapperde een brief. Netty vertelde dat de brief van haar ouders kwam, die aan de andere kant van de elektrische draadversperring leefden. Ze had al heel lang niets meer van hen gehoord, maar met de komst van een nieuwe smokkelaar was daar verandering in gekomen. Sinds kort verliep het smokkelverkeer een stuk beter, zei ze, en werden er brieven en andere goederen over de grens heen uitgewisseld. Eindelijk kon ze haar ouders over de komst van de baby vertellen.

Bij thuiskomst was moeder boos over mijn verdwijning. Omdat mijn broer in het leger zat waren er veel klusjes te doen, maar ik luisterde nauwelijks naar wat ze zei. Mijn gedachten waren alweer bij Willem en zijn aanbod om de boeken van het huis te lezen. Ik pakte de zak aardappelen en begon te schillen. Moeder onthield zich van verder commentaar toen ze mijn blozende wangen zag. Waarschijnlijk hoopte ze dat ik samen met Johan was geweest. Hij is een boerenzoon van een paar erven verderop die zijn vader zal opvolgen. Sinds hij mij het hof maakt, grijpt moeder elke gelegenheid aan om te vertellen wat een goede partij hij is. Ik mocht mij gelukkig prijzen met zijn aandacht. Hoe vaak heb ik dat al niet moeten horen.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch