Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Loslaten

Door Sharon Faber

Mijn opa was een grappenmaker. Altijd vrolijk. Niets was onoverkoombaar, in zijn optiek. Als kind heb ik nooit gemerkt hoezeer hij geleden heeft onder (de nasleep van) zijn jarenlange krijgsgevangenschap in Japan. Pas onlangs kreeg ik zijn dossiers in handen en las in ambtelijke bewoordingen welke gruwelijkheden hij had ondergaan. Leed dat hij voor mij altijd perfect had weten te verbergen achter een gulle lach en twinkelende pretogen.
Toen hij ziek werd, heb ik geen moment gevreesd. Het was opa, natuurlijk werd hij beter. Dat hij sterk vermagerde, vond ik niet alarmerend. Zelfs toen hij in het ziekenhuis opgenomen werd, behield ik een rotsvast vertrouwen in zijn levenskracht.

Het is november 1999. Ik sta naast zijn bed. Hij is gelig bleek. Mijn moeder babbelt wat over mijn naderende 16e verjaardag, maar het is achtergrondgeluid, als dat van een kabbelende waterval. Mijn opa reageert nauwelijks. Voor hem en mij is een verstilling voelbaar in de kamer.
Een verpleegster komt binnen om zijn bloedsuikerspiegel te meten. Zonder omhaal prikt ze in zijn vinger, maar er komt geen bloed uit. Ze knijpt in zijn vingertop, maar niets. Met hevig wrijven over zijn broze hand -ziet ze dan niet aan de verbeten trek om zijn mond dat ze hem pijn doet?- weet ze uiteindelijk één piepklein druppeltje bloed uit zijn vingertop te persen. Het is inktzwart.
Het besef is er zonder dat ik het begrijp. Zijn blik vangt de mijne. Hij weet het. En hij weet dat ik het nu ook weet. In die ene flits nemen we afscheid. Voor hem is het goed. Voor mij gaat het te snel.
Op de gang begin ik voor het eerst te huilen. Er is een kalmte in mij, iets dat niet verklaart maar dat weet. Maar mijn ikje kan dat niet bevatten of bijbenen en is bang. Heel bang.

De volgende ochtend ga ik met buikpijn naar school. Het eerste lesuur gaat als in een waas aan mij voorbij. Daarna… stilte. Mijn buikpijn trekt langzaam weg.
En wat nog nooit voorgekomen is, gebeurt op die doodgewone, zachte herfstdag: alle vijf resterende lesuren van die dag vallen opeens uit. Vijf verschillende docenten zijn om verschillende redenen niet in staat om les te geven. Het is 9:15 uur en ik ben vrij.
Ik sta voor het mededelingenbord en weet wat dit betekent. Maar ik houd het uit alle macht op afstand terwijl ik naar mijn fiets loop. Dit zou best gewoon toeval kunnen zijn. Zolang er niets bevestigd is, is er nog niets gebeurd. Als in een waas fiets ik naar huis. Mijn zintuigen staan op scherp en tegelijk komt er niets binnen. Regent het, welke route neem ik, is er ander verkeer… in mijn stukje parallel universum ben ik afgesneden van dergelijke informatietoevoer.
Wat ik wel gewaar word, is dat met elke rondgang van mijn trappers mijn benen zwaarder voelen. Een schaduw achtervolgt mij. Langzaam maar zeker kruipt hij dichterbij, dreigend en klaar om bezit van mij te nemen. Uit alle macht probeer ik de schaduw voor te blijven, maar tevergeefs. Het is jouw schuld, jij hebt hem losgelaten. Dit kon alleen maar gebeuren omdat jij niet meer geloofde dat het goed zou komen. Hij was al anderhalf jaar ziek, jij huilt en de volgende dag is hij dood. Jouw schuld.

Mijn schuld…

Het is juni 2016. Ik zit bij het graf van mijn opa. De zon schijnt, de vogels zingen en ik voel zijn aanwezigheid. Als ik mijn ogen sluit, is het alsof hij naast me zit, samen met mij daar in het gras.
“Je hebt me niet losgelaten,” zegt hij zacht, zijn stem als het ruisen van de wind.
Mijn hart zwelt op, mijn borstkas lijkt te barsten en mijn keel wordt dichtgeknepen.
Een zacht briesje komt op, speelt even met mijn haren en waait rond als omarmt het mij. Dan fluistert het iets in mijn oor. De spanning in mijn borstkas knapt en een snik ontsnapt, gevolgd door tranen. Tranen van verdriet, angst en bovenal gemis. Mijn opa zit rustig naast me en laat me begaan.
Uiteindelijk drogen mijn tranen op. Ik knipper een paar keer met mijn ogen, staar nog een poosje naar de grafsteen en sta dan op.
Ik leg mijn hand nog eenmaal op de steen, fluister een afscheid en draai me om.
Terwijl ik langzaam de begraafplaats afloop, weerklinkt om mij heen in de wind de echo:
“Je hebt me niet losgelaten, je hebt me laten gaan.”

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch