Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Maaiveld

Door Inge Kielen

De lucht is giftig blauw, als op een kindertekening. Het is windstil. In de verte klinkt het gestage gebrom van industrie. Een voetpad leidt tussen de bomen door en ik ploeg met mijn fiets door het mulle zand. Na een meter of vijftig komt het pad uit bij een betonnen trap die een heuvel op voert. Naast de trap staat een bord, ik vertaal uit het Duits: ‘Werkterrein. Betreden van het uitzichtplatform op eigen risico.’ Ik kijk omhoog. Op de top van de heuvel is een metalen platform bevestigd. Aan weerszijden van het platform groeien struiken en kleine sparrenboompjes. Achter de reling vliegt een roofvogel, die door met zijn vleugels te klapperen op een plek in de lucht blijft hangen. Bidden, heet dat. Ik weet niet wat voor vogel, ik noem elke roofvogel een buizerd.

De heuvel is een dijk. Ik klim erop en erachter houdt de aarde op, letterlijk. Ik sta aan de rand van een krater die zich in alle windrichtingen kilometerslang uitstrekt. Het diepste punt bevindt zich een paar honderd meter van mijn standplaats, voorbij een tussengelegen grasstrook waar de roofvogel naar zijn prooi zoekt. Aan beide zijden loopt de grond terrasgewijs op. Aan de wand aan de rechterzijde zijn de aardlagen zichtbaar, van het geelbeige löss aan de oppervlakte tot het diepzwarte bruinkool op de bodem. Daar is het om te doen: de samengeperste restanten van een subtropisch moerasbos dat hier twintig miljoen jaar geleden groeide, in de tijd dat de voorouders van de mens nog in Oost-Afrikaanse bomen hingen.

Ik ben dicht bij huis. Het is juni 2018 en ik bevind me zo’n 25 kilometer van de Nederlandse grens, ter hoogte van Heerlen. Hier exploiteert energiegigant RWE drie dagbouwmijnen onder de namen Garzweiler, Hambach en Inden. Ik kijk uit over de Hambach-mijn. De bodem ligt zo’n 400 meter onder het omliggende maaiveld en is daarmee het laagste bovengrondse punt van Europa. Maar de diepte is niet het enige waarmee RWE de recordboeken in kan. De graafmachines aan mijn rechterzijde zijn de grootste voertuigen ter wereld. Het zijn bouwwerken op zich, met lange armen en hoge torens. Alleen het scheprad zelf is al hoger dan een flatgebouw. Ze scheppen kolen en puin uit de bergwand en spugen de brokstukken op een lopende band, die als een levensader in de lengte van de mijn loopt. Elk van de terrassen heeft zo’n band: parallelle sporen met zand, stenen en kolen. Ver buiten mijn gezichtsveld komen ze samen op een verzamelpunt. Daar wordt de bruinkool op treinwagons geladen om naar de omliggende elektriciteitscentrales te worden vervoerd. De witte rookkolommen zijn overal in de omgeving zichtbaar. Het zand en steen gaat terug de mijn in, naar de aangroeiende wand aan mijn linkerzijde, waar het puin wordt teruggestort. Waar rechts de aardlagen netjes zijn opgestapeld, zie ik links een lappendeken van gele, bruine en grijze vlekken in een willekeurig patroon. Langzaam loopt de bruinkoolmijn door het landschap.

Wat op het aardoppervlak staat en leeft, is van ondergeschikt belang. Dorpen, snelwegen, bossen en boerderijen, eeuwenoude monumenten en beschermde natuurgebieden: het wordt gesloopt, verplaatst, de grond wordt eronder weggegraven. Ik maak nog een paar foto’s en loop de trap af, terug naar mijn fiets. Ik hoop dat ik nog in Immerath kan komen, ik wil zien hoe het dorp erbij ligt. Een jaar geleden, in de zomer van 2017, was ik er voor het eerst. Toen stond de kerk er nog. Het was maar een dorpskerkje – in haar hoogtijdagen telde Immerath anderhalf duizend inwoners – maar het vooraanzicht, met de twee karakteristieke torens, gaf de kerk allure en haar bijnaam, de Dom van Immerath. Vorig jaar was een groot deel van het ruim duizend jaar oude dorp al gesloopt. Vanaf de hoofdwegen leidden opritten naar braakliggende grasvelden. De huizen die er nog stonden, hadden gesloten luiken en waren met graffiti beklad. Zwerfkatten zochten hun vroegere baasjes. Achter bouwhekken lagen kavels vol puin, als in een oorlogsgebied. Een spookdorp. In één straat waren de gordijnen nog open. Er stonden bloeiende planten op de vensterbank, en in potten aan het tuinpad. Met witte letterbordjes stond er Heimat boven de voordeur.

Duitsland wordt alom geprezen als voorloper in de energietransitie. Er prijken trotse zonnepanelen op ieder dak. Kerncentrales worden met spoed uitgezet. In tegenstelling tot het Nederlandse poldermodel, waardoor afspraken in het Klimaatakkoord vaag en ongekwantificeerd blijven, worden er in Duitsland met slagkracht keuzes gemaakt. Het is niet ondanks, maar juist dankzij deze zogeheten Energiewende, dat bijna een kwart van de elektriciteit in Duitsland nog wordt gewonnen uit bruinkool. Bruinkool is een van meest vervuilende brandstoffen die er zijn: voor 1 kilowattuur elektriciteit stoot bruinkoolverbranding tussen de 1000 en 1250 gram koolstofdioxide uit, tegenover 800 tot 1100 gram bij de verbranding van steenkool en 650 gram bij aardgas. Door het versneld sluiten van de kerncentrales moeten de bruinkoolcentrales open blijven. Daar komt bij dat hoewel er een gigantische hoeveelheid schone elektriciteit wordt opgewekt door windparken in het noorden van Duitsland en Denemarken, de capaciteit van het Duitse elektriciteitsnet niet voldoende is om alle windenergie naar het zuiden van Duitsland te transporteren. Het versterken en uitbreiden van het hoogspanningsnet duurt tientallen jaren. In de tussentijd, betoogt RWE, biedt bruinkool een betrouwbare energiebron.

Ik heb moeite om Immerath terug te vinden. Misschien is het dorp niet meer openbaar toegankelijk. Ik heb respect voor de demonstranten die zich uit burgerlijke ongehoorzaamheid toegang verschaffen tot de terreinen van RWE, maar ik wil geen gedoe, ik hou me aan de wet. Ik fiets tussen de gele graanvelden door. Is dit nog oude grond, of is dit het herontwikkelde gebied van een mijn die al tientallen jaren geleden is gesloten, een van de historische mijnen met namen als Fortuna, Zukunft of Rheingold? Ik weet het niet. Ik heb het warm. Er staan geen bordjes naar niet-bestaande dorpen. Gelukkig is Google Maps nog niet bijgewerkt naar de huidige situatie. Elke vijf minuten moet ik stoppen om me met behulp van mijn telefoon te oriënteren.

Uiteindelijk fiets ik het dorp binnen. Er staat nog minder overeind dan vorig jaar, uiteraard, maar het stratenplan is te herkennen. Ik stop bij de kerk, of wat er van over is. De muren staan kniehoog, alsof de fundamenten zijn blootgelegd bij een archeologische opgraving. Ik zou ertussendoor willen lopen, maar de bouwhekken staan tot aan de straatkant. Ik sta ervoor en kijk. Even verderop stopt een auto. Een gezette man stapt uit, loopt rond, maakt foto’s, net als ik. Hij knikt naar me, niet-wetend of ik een ramptoerist ben of een voormalige bewoner. Ik weet het van hem ook niet, ik vermoed het laatste. Zijn teken van verstandhouding suggereert dat we hier allemaal in rouw zijn. Ik loop met mijn fiets aan de hand naar de straat die vorig jaar nog bewoond werd. De huizen staan er nog, de graffiti is hetzelfde. De bloemen zijn weg. Het huis met het Heimat-bordje boven de voordeur heeft nu gesloten luiken. Ik stap op mijn fiets en zie dat er bij één boerderij nog wordt gewerkt. Later vind ik op internet dat er begin 2018 nog 40 mensen woonden in Immerath. Binnenkort zullen ook de laatste boeren verdwijnen. De bewoners zijn geherhuisvest in nieuwbouwwijken in de omgeving.

De twee parallelle werelden maken een absurde indruk. Tijdens de heetste en droogste zomer sinds mensenheugenis, ondanks klimaatconferenties en subsidieprogramma’s, gaat de kolenindustrie hier voort zoals het al zeker een eeuw doet: slopen, graven, terugstorten, en recultiveren. RWE, zorgend voor werkgelegenheid, krijgt actieve steun van de vakbonden. Op de kolencentrales hangen spandoeken: ‘Zonder bruinkool, sterft de hele regio.’ Ook de PR-afdeling van RWE zelf is geoefend in de discussie: bruinkoolstroom is betrouwbaar, goedkoop, en de nieuwe kolencentrales zijn de meest efficiënte in hun soort. Civiele procedures tegen tegen de sloop van monumenten en natuurgebieden worden al tientallen jaren verloren.

Toch neemt de druk op de politiek steeds verder toe. De sfeer rond de bruinkoolmijnen wordt grimmig. Vreedzame demonstraties worden afgewisseld met het gooien van molotovcocktails en het bedreigen van RWE-medewerkers. Bij protesten in het Hambacher Forst, een 1200 jaar oud bosgebied dat voor de bruinkoolwinning moet wijken, is in september 2018 een journalist omgekomen. Eind oktober 2018 kon een treinmachinist van het kolenvervoer maar net op tijd remmen, toen bleek dat twee activisten zich aan de rails hadden vastgeketend. Er wordt meer en meer gesproken over een Kohleaustieg, het besluit om te stoppen met het verstoken van bruin- en steenkool.

Ik fiets verder naar de dorpen die op de lijst staan om ontruimd te worden. Keyenberg, Kuckum, Berverath. Deze dorpen leven nog. Er rijden nog bussen, er gaan kinderen naar school, maar de inwoners oriënteren zich al op een nieuw thuis. Met een onmiddellijk einde aan de kolenindustrie kunnen ze misschien blijven. Voor Immerath is het te laat. De Dom van Immerath is ontheiligd en afgebroken, de graven van de geliefden zijn verplaatst. Alleen de buizerd bidt nog boven de velden.

1 reactie

Kees Kielen

zondag, 11:44

Ik kan helaas niet stemmen vanwege het ontbreken van een facebook account. Het duale in de Duitse energiewende wordt mooi in beeld gebracht.

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch