Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Mannen die in het stof bijten hebben altijd dorst

Door Gino Dekeyzer

‘Wat als je nooit een grens overschrijdt?’ vraagt Louis. ‘Is dat dan niet erg saai?’
Van alle soldaten is hij de enige die praat. Een ijskoude novemberlucht snijdt scherp als een scheermes doorheen de ondergelopen loopgraven. We staren ons blind richting niemandsland. Sommigen bidden, anderen wenen. Ik heb sigaren mee en wat brood. Om straks te ruilen voor droge kousen. Of een stuk chocolade. Of voor een woord van troost.
‘Ik kan niet wachten tot zaterdag,’ brult Louis en maakt wat obscene gebaren. Een stoer verhaal over opengesperde benen in het nabijgelegen bordeel doet ons eventjes deze hel vergeten. Alsof daar bij die wildvreemde vrouwen de hemel te koop is. Zijn schaamteloze liederlijkheid overmant me. Doet me weifelen. In mijn bevroren hand hou ik haar foto vast. Een verkreukeld gezicht. Het enige wat ik voel, is papier vol kloven.
‘Hopelijk is die rosse er weer bij,’ zegt Louis. ‘Dat zullen jullie nooit nog meemaken, zo’n heet wijf.’
Hij vertelt het alsof de oorlog een zegening is, een vrijgeleide voor totale zedeloosheid. Een laatste kans. Het is nu of nooit.
Plots dondert een storm van granaatvuur over onze hoofden heen. Explosies sluipen dichterbij, alsof ze ons van alle kanten omsingelen. Met trillende handen breng ik mijn machinegeweer in stelling. Half in shock en stijf van de zenuwen open ik het vuur. Hoelang het duurt, weet ik niet. Alsof ik er niet bij ben. Alsof ik het niet ben. Een machine heeft mijn wil overgenomen. Het gebeurt gewoon. Trouw aan de vlag. Zolang je niet alles hebt gegeven, heb je niets gegeven.
De hemel is grauw, de regen zwaar. Een paar bloedende artilleristen trekken zwoegend een vastzittende kanon los. Armen en benen liggen te spartelen om toch maar niet in de modderpoel te verdrinken. Het ruikt naar brand en verschroeid vlees.
Het salvo van mitrailleurs deint na enkele uren weg in de verte. De Duitse troepen trekken zich terug. We tellen onze verliezen. Zoals altijd heeft er niemand gewonnen.

Ik buig me over een warm kopje thee. Heel mijn lijf beeft nog na. Ik eet wat brood met een stuk chocolade. Het potje gelei van mijn moeder laat ik onaangeroerd. Ik dommel weg in mijmeringen, in ijle gedachten. Vandaag heb ik het overleefd, ja, maar hoelang heb ik nog dat geluk? Wat als de dood me morgen op de schouder tikt?
Destructieve gedachten zijn als ratten, je kunt ze eventjes wegslaan maar ze komen altijd terug. Het kerkhof met de kale, houten kruisjes doemt voor mijn geestesoog op. De namen, de getallen. Vele kleine letters maken een oorlog groot.
Een koude rilling glijdt over mijn rug.
Ik sluit mijn ogen en denk aan mijn Marieke. Hoe ze nu mij in gedachten houdt. Of niet. Blijft ze wel op me wachten, zonder te weten of ik terugkom?
Enkele mannen verzamelen zich met veel kabaal rond Louis. Een foto gaat van hand tot hand.
‘Dit is mijn vrouw,’ zegt hij. ‘Is dit een lekker ding of niet?’
Ik doe alsof ik hem niet hoor.
‘Maar misschien zie ik haar nooit meer terug,’ zegt hij. ‘Vandaag heb ik mijn beste vriend verloren. Uiteengereten, verkoold. Wie is het morgen?’
Hij knijpt zijn ogen dicht. Verbergt zich achter zijn hand.
‘Zorg dat je geen spijt krijgt van je laatste dagen,’ zegt hij.
Ga dan niet naar de hoeren, zou ik hem willen zeggen. Heb nog een klein beetje respect voor je vrouw. Voor jezelf. Maar ik zeg het niet.
‘Daarom moeten we grijpen wat er nog te pakken valt. Dat gaan we toch doen, mannen?’ vraagt hij met een geveinsd enthousiasme.
De soldaten joelen halfslachtig.
Maar in mij wakkert er iets aan. Een intense hunker naar vrouwelijke zachtheid golft door mijn aderen, knispert in mijn bloed.
‘Als je een cadeautje meeneemt, dan verwennen ze je dubbel zoveel,’ hoor ik hem zeggen.
Marieke, waar ben je nu?

Het is zaterdagavond. Ik sta half bewusteloos op een kreupele trap te wachten op mijn beurt. Heel dit beeld zou ik willen uitwissen. Ik zou mezelf willen wegvegen en thuis wakker komen, naast Marieke. Haar zachte lippen op mijn lippen voelen. Een vrouw strelen die je met niemand anders moet delen.
Ik schrik op door het gekraak van een deur. Louis geeft me een lichte por in mijn rug. Met meer schaamte dan lust betreed ik een donker hol. De muren spuwen een verstikkende damp uit. Ik heb veel zin om meteen weg te gaan maar vrees de beschimpingen van de andere soldaten. Het zou desertie tot in de hoogste graad zijn.
‘Hoe heet je?’ vraagt een schimmig iemand. Haar stem klinkt vermoeid.
Ik hou mijn hoofd naar beneden gericht. Mijn maag keert om.
‘Is het je eerste keer?’ vraagt ze. ‘Je hoeft niet bang te zijn.’
Ze komt vlak voor me staan en strijkt zacht door mijn haren.
‘Je bent een lieve jongen,’ zegt ze. ‘Je zou nu thuis moeten zijn.’
Tranen wellen op. Met moeite dring ik ze terug.
Ik geef haar het potje gelei. Samen met mijn ziel.
Nog steeds durf ik niet op te kijken.
Ze neemt het potje aan en legt het op een gammele kast. Met slome bewegingen cirkelt ze om me heen. Mijn benen worden slap, ik val uiteen in duizend stukken. Een bulderend gelach van Louis aan de andere kant van de deur klinkt vals in de oren. Ik sla mijn ogen op. Ze glimlacht breekbaar. In een flits zie ik de onvermijdelijke tweesprong.
Ik ben al te ver.

geen reacties
1 Poetry slam

Samen Slapen

Ben Oranje

0 Poetry slam

Ik ben net niet

Reinier Punt

0 Fictie

De dijk

Wendy Wierdsma

0 Non-fictie

Kwijt

ANJA KWARTEN

0 Fictie

Stromen

Sonja Coenen

0 Non-fictie

Als ik ga

Heidi Hulst

2 Poetry slam

kindje

Jacqueline Brouwers