Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Mascotte

Door Monique Cunnen

Samuel draait zich om en schuift zijn hand naar de linkerzijde van hun bed. Het koude laken schrikt hem niet af. In ieder geval niet als hij klaarwakker is. Hij denkt aan vannacht. Haar vingers beroerden zijn borstharen, terwijl ze zich tegen zijn rug aandrukte. Ze wond de haartjes in een speelse poging om haar wijsvinger. Hij schoof wat naar haar toe. En nog iets verder. Koude lakens. Tegelijkertijd een stroomstoot door zijn hele lijf. De plotselinge adrenaline bracht hem ertoe het dekbed van zich af te gooien. Waar kon ze zijn? Het volgende ogenblik vlamde een pijnscheut boven zijn oogleden. Zoeken had geen enkele zin. Hij kromde zijn lichaam en sloeg zijn armen rond zijn knieën. Hij incasseerde de klap. En nog een. Alles in hem schreeuwde om haar. Hij wiegde zichzelf stil. Aan zijn rug te voelen, moet hij op die manier in slaap gevallen zijn. Hij opent zijn ogen en kijkt naar de lege plek naast zich.

Het koffiezetapparaat sist en gorgelt. Uit de servieskast pakt hij een grote en een kleine mok. Alsof hij het gewicht van de mokken taxeert, houdt hij ze in zijn handen. Hij zet de grote mok terug. Drinkend uit die van Rosalie, bekijkt hij de regendruppels die bezit hebben genomen van het raam. Hij concentreert zich op een punt. Het is gestopt met regenen. ‘Wat een verschil met vannacht. Ik beeldde me in dat jij er was. Je spoorde me weer aan naast je te komen staan voor het slaapkamerraam. Ik heb het raam wijd opengezet, zodat onze kamer geurde naar aarde en gras. Het constante getik van de druppels op het dak maakte me zoals altijd tureluurs. Ja, lach me maar uit.’
Bij de eerste slag van de wandklok staakt hij zijn relaas. Een oorverdovende stilte volgt. Wat hield hij van de stilte. Vroeger. Hij herinnert zich nog goed hoe zijn gedachten niet langer in het rond buitelden, maar hun plaats feilloos wisten te vinden. Deze stilte is anders. Hij bedwingt zijn sneller gaande ademhaling door langzaam te tellen. Bij negen, rukt hij de deur naar de tuin open.

Met zijn vlakke hand wrijft hij over de rugleuning van de bank, die tegen de bielzen schutting staat. Vanaf het moment dat hij hem in de vakantie in elkaar getimmerd had, was dit hun meest geliefde plek. Zelfs de Nijlganzen in het weiland vlogen niet meer op bij hun aanwezigheid. Dik ingepakt, leunde Rosalie tegen hem aan en schoof haar koude handen onder zijn T-shirt. De laatste maanden wilde de kou maar niet uit haar lichaam verdwijnen.
Alles wat hij wenste, vond hij hier op de houten bank bij haar. En dan te bedenken dat hij weinig zin had gehad om zijn vrije uren te besteden aan het maken van de bank. Rosalies standvastigheid had hem er min of meer toe gedwongen. Gezeur was een betere omschrijving als hij eerlijk was. Ze wist donders goed dat hij het project voor zich uitschoof. Toch vroeg ze iedere dag opnieuw naar zijn vorderingen op dat speciale ik-houd-me-van-de-domme toontje van haar, waarmee ze anderen om de tuin kon leiden. Het maakte hem soms pisnijdig. Hij haalt het gevoel zo terug, maar het vermengt zich nu met tederheid.
Merels pikken de rode bessen onvervaard uit de stekelige vuurdoorn en vliegen ermee weg. De bessen zijn eerder rijp dan vorig jaar of vergist hij zich? Door de struiken is de schutting bijna aan het zicht onttrokken. Hij ademt diep in. De pijn op zijn borst vermindert.
Bij het horen van een auto, loopt hij naar de zijkant van het huis. Een uitgestoken arm steekt vanuit het geopende autoraampje de post in de brievenbus. Met het geluid van opspattende steentjes verdwijnt de postbezorger om de hoek. Het aantal kaarten neemt met de dag af. Vijf heeft hij er intussen gelezen. De rest wilde hij weggooien, maar hij heeft ze zolang in een doos gekieperd en in de garage gezet. Hij verdraagt het niet langer om enveloppen te openen waarop alleen zijn naam staat geschreven. De vijf kaarten bevatten trouwens toch identieke zinnen, holle frasen. Van de andere kaarten verwacht hij weinig nieuws. ‘Ze gaan niet over jou en ook niet over mij,’ mompelt hij voor zich uit. ‘Denken ze nou werkelijk dat ze ons leven samen kunnen wegstrepen?’
Terwijl hij naar binnenloopt, blaast hij warmte in de kom van zijn handen.

Hij kauwt op het brood dat hij, zelfs met een slok wijn, amper krijgt doorgeslikt. De telefoon rinkelt. Langer dan de laatste keer. Waarom laten ze hem niet met rust? Hij loopt de trap op en blijft in de deuropening staan, het wijnglas in de hand. Zijn blik glijdt over haar spullen. Een stilleven. Ja, dat is het. Stil. Niet doods. Daarvoor zijn er teveel herinneringen die zich aan hem opdringen terwijl hij de kamer inkijkt. Het bureaublad van de secretaire is uitgeklapt. De kring waar haar glas heeft gestaan, is duidelijk zichtbaar. Hoe vaak heeft hij haar gezegd dat ze er iets onder moest leggen? De rieten onderzetter die hij haar gaf, vond hij een paar weken later terug als boekenlegger. Hij gelooft niet dat ze dat opzettelijk deed, maar kennelijk was de behoefte aan een boekenlegger op dat moment groter. Papieren liggen in verschillende stapels verspreid over het bureau. Sommige laden staan open. Uit een van de vakjes steekt haar memorecorder. Ze droeg hem altijd als een mascotte bij zich. Technisch gezien kon ze hem missen. Hij ziet haar nog het interview uittypen zonder naar het ding om te kijken. Maar goed ook. Het ouderwetse apparaat van haar vader liet het meer dan eens afweten, had ze hem verteld. Hij weet niet wie er trotser had gekeken, Rosalie of haar vader, toen haar vader het haar gaf op de vooravond van haar eerste klus.
Zijn knieën raken de onderkant van het bureau als hij op haar stoel gaat zitten. Hij verpulvert de op de stapel papieren gevonden broodkruimels tussen zijn vingers. Zijn ergernis als hij haar achter het bureau zag eten, vergrootte juist haar hilariteit. Ze kon zich over zo’n futiliteit niet druk maken. ‘Je moet het zelf maar weten. Jij moet in deze zwijnenstal werken, niet ik,’ verkondigde hij om alsnog het laatste woord te hebben. Op het einde werd het een spel tussen hen. In dat stadium ergerde hij zich al lang niet meer. Hij hoopte op haar gulle lach.
Hij zet het wijnglas op de uitnodigende kring. In gedachten verzonken pakt hij het koude chroom vast, draait er wat mee in het rond en zet de memorecorder aan. Ruis vult de ruimte. Net voordat hij de stopknop wil indrukken, vangt hij haar stem op. Hij denkt aan haar lage lach die plotseling in zinnen doorbrak, waardoor haar stem zangerig werd. Dan klinkt zijn naam. Het apparaat schiet bijna onder zijn trillende hand vandaan. Met beide handen houdt hij het stevig vast.

Lieve Samuel,

Ik weet niet wanneer mijn einde komt. Het zal hoe dan ook niet lang meer duren. Mijn energie neemt af. Iedere dag lijkt er een dun laagje over mijn gevoel te worden gelegd. Intensiteit is blijkbaar een ongeoorloofde kracht daarboven. Of zou het bedoeld zijn om mijn afscheid gemakkelijker te maken? Dat ik vooral geen scène ga schoppen.
Je begreep me vaak beter dan ik mezelf begreep. Zelfs mijn pantser bracht je niet van de wijs. En weet je nog die weken dat ons verdriet te groot was om erover te praten? Twijfelde je weleens of we dit samen aankonden?
Ik zie voor me hoe je op ons bankje zit en over het weiland uitkijkt. Kon ik maar naast je zitten en je hand vastpakken. Deze laatste maanden hebben we alle vanzelfsprekendheden overboord gezet, het geluk binnenstebuiten gekeerd. Hoe kunnen we ooit nog blind zijn?
Ik denk dat je veel van de dingen blijft zien, zoals ik ze zag. Zelfs wanneer ik er niet meer ben, zit je met me opgescheept. Ik vind het een geruststellende gedachte dat we in elkaar verder leven. En ik was nog wel trots op mijn onafhankelijkheid.
Er komt een dag dat je het geluk herkent. Ik zou niets liever willen dan dat. Vind je het erg dat ik misschien een tikkeltje jaloers zal zijn? De tijd heeft geen haast. Leef van dag tot dag, maar zorg ervoor dat je niet verdrinkt in je verdriet. Beloof je me dat, Samuel?
Weet dat ik altijd van je blijf houden.

Hij knippert met zijn ogen om de beelden te laten verdwijnen. ‘Idioot. Je kan knipperen zo vaak je wilt. Het zal niets veranderen.’ Zijn kin raakt de koude, vochtige kraag van zijn overhemd. Langzaam staat hij op.

De keukenlamp verspreidt een warme gloed. Steunend met zijn ellebogen op tafel, staart hij naar buiten. Ze zit tegenover hem. Haar glimlach maakt de droefheid in hem draaglijk. Hij luistert naar de stilte en telt zachtjes voor zich uit.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch