Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

MASSIMO

Door Wilma Eekman

Massimo

Maximum vijftienhonderd woorden waard.

No, no, no. In mijn hoofd sprak ik klare taal, maar er kwam, zonder glimlach, een beleefd ‘dank u, ik ben niet geïnteresseerd’ uit. Of een andere holle frase, die ben ik vergeten. Netjes opgevoed. Met mijn reactie was ik, naar omstandigheden, tevreden. In zijn blik las ik iets anders.

Mijn hele leven heb ik eraan moeten wennen dat wildvreemden me plompverloren aanspraken. Waar ik me ook bevond, ongeacht mijn gezelschap – of de afwezigheid ervan – en soms in de meest exotische talen. Dat beviel me steeds beter, maar het was niet mijn gewoonte om ook maar één stap verder te zetten dan een gesprek. Mijn agenda was zo al vol genoeg.

Toen ik op het grootste plein van Firenze door een man werd benaderd, was ik allerminst verrast. Zijn mededeling, dat hij met mij een koffie wilde drinken, interesseerde me hoegenaamd niets.

Deze man, dat zag ik in één oogopslag, was het niet waard om bij stil te staan. De mogelijkheid dat hij zich zou ontpoppen tot een meesterlijke gesprekspartner, nihil. Beleefd en duidelijk bleef ik bij mijn afwijzende antwoord. Dat hielp niet. Als ik mijn pas versnelde, deed hij dat ook. Een kort sprintje zou voldoende zijn om de Duomo binnen te vluchten voor een schietgebedje. Geïrriteerd bleef ik echter volharden in mijn eigen tempo en mijn eigen weg.

‘Wat is er mis om samen iets te drinken?’ vroeg de man zelfverzekerd. Het ontbrak me aan een gevatte repliek waardoor ik me verplicht voelde toe te geven. Ik loog mezelf voor dat ik nog tijd genoeg had om me van hem te verlossen.

Al na een uurtje vroeg ik me af hoeveel loze woorden ik nog te verteren kreeg. Lag het aan de taal? Mijn Italiaans was matig. Zijn Engels abominabel. Zo werd ‘koffie drinken’ gaandeweg een uitgebreide rondleiding door het niet-toeristische deel van de stad. De beloofde cappuccino een wijntje. De wegenwerken een maffia-complot. Mijn gids ontbeerde elk talent om zich als een galante, attente gastheer te gedragen. Dacht hij nu werkelijk een vrouw te veroveren – al was het maar voor één nacht – door haar een glas wijn te betalen en dat te laten vergezellen van een lofzang, vol platitudes, op zijn woonplaats?

Het terras, waar we korte tijd zaten, was een drukke ontmoetingsplaats. Het leek alsof mijn gastheer al zijn vrienden had uitgenodigd om mij een goeiendag te komen wensen. Tijdens deze spoedcursus Italiaans liet hij me weten dat hij een rustig en prachtig gelegen restaurant kende. ‘Daar in de heuvels, het is maar een kort ritje.’

Te voet onderweg naar zijn auto sprak ik mezelf, in stilte, streng toe. Ik was niet onnozel en evenmin van plan om voor de eeuwigheid te verdwijnen in de prachtige rode aarde van Toscane. De man die naast me liep, kon ik fysiek onmogelijk de baas. Hij was een zeldzaam exemplaar van ruim tien cm groter dan ikzelf. Dat was geen toeval, de meeste Italiaanse mannen waren kleiner dan ik en keurden me dan ook geen blik waardig. Tijdens onze korte wandeling was ik me ervan bewust dat dit het moment was om voor mijn eigen veiligheid te kiezen. Maar die gedachte botste met mijn groeiende ergernis en, wellicht, overmoed. Wilde ik hem een lesje leren? Straffen? Nooit zou ik toelaten dat hij mijn vrijheid zou afpakken. Mijn speelruimte, gesprekken te voeren zonder verplichtingen en zonder onderscheid, met onbekende mannen én vrouwen. De Italiaan had geen flauw idee van mijn onderliggende drijfveer en was, zonder rekening te houden met mij, op weg naar zijn beloning. Met een galant gebaar hield hij de deur voor me open. Voorzichtig glimlachend stapte ik in.

‘We stoppen hier even voor een foto.’

Nog voor ik iets kon zeggen, was de man al uitgestapt. ‘Ecco.’ Hij wees me mijn plaats, aan de rand van de weg en trok zich niets aan van de afgrond die zich vlak daarnaast bevond. Terwijl hij vast in gedachten zijn trofeeënboek aanvulde, sloeg mijn fantasie enkele fases over. Had ik zojuist de kans laten liggen om mijn toekomstige moordenaar (dat leek een onafwendbaar toekomstbeeld) voor te zijn? Of kon ik ervoor zorgen dat deze foto zijn identiteit zou onthullen? Zodat hij zich, weliswaar te laat, toch zou moeten verantwoorden. Ik schoot in de lach bij die gedachte. Alsof er ook maar één carabiniere zou twijfelen aan de woorden van een collega-macho.

Het resultaat op de foto was magertjes; mijn ogen weigerden mee te werken met het zuinige glimlachje van mijn mond. Op de achtergrond, een eenzame kerk, naast het nagenoeg verlaten kerkpleintje. Daar stonden enkele goedkope auto’s op discrete afstand van elkaar geparkeerd. Voor alle ramen ervan een gordijntje. Om de scène compleet te maken vroeg hij me na de fotoshoot of ik wist wat er in die auto’s gebeurde. In mijn hoofd liet ik zijn opgeblazen ego met één welgemikte karatetrap het ravijn in storten. ‘Mooi uitzicht op de Duomo,’ zei ik droog.

Het restaurant was zorgvuldig gekozen. Ver van de bewoonde wereld, klein en authentiek.

‘Pizza’s hebben ze hier niet.’

Stiekem probeerde ik op mijn horloge te kijken.

‘De kaart zal ik straks voor je vertalen.’

For God sake, in welke taal?

‘De mooiste stad om in te wonen…Goed leven hier…De arrogantste vrouwen…Het beste restaurant, discreet… Probeer eens in Italiano .. Je uitspraak komt wel, met de tijd,…’ De slaapverwekkende melodie was op repeat blijven hangen. De man waarmee ik aan tafel zat, vervolgde in zijn onstuitbare staccatissimo-Italiaans het gesprek met enkele studenten naast ons. Ik wachtte op een adempauze. ‘Mijn vriend en ik hebben…’

‘Al een keuze gemaakt? Ik roep de ober.’

Onze conversatie, of wat daarvan over was, begon steeds meer te lijken op een duel waarbij ik me vrijwillig in de positie van verliezer manoeuvreerde. Dat gunde ik hem niet. Al zat God de Vader voor mijn neus te dineren, dan nog zou ik mijn aandeel in het gesprek opeisen. Moest ik werkelijk als een furie tekeer gaan om eindelijk een speld tussen zijn oeverloze woordenstroom te persen?

‘Ik ben hier eigenlijk voor de ondertekening van mijn contract.’

Een tel bleef het stil. ‘Cara.’ Zijn toon was veranderd, de weg terug afgesloten. ‘Ik werk niet op zaterdagavond. Dan hebben wij wel wat beters te doen.’ Onbeschaamd keek hij me recht aan. Ik zweeg en weigerde mijn ogen als eerste neer te slaan. Ons vertrek, inmiddels na middernacht, liet hij vergezellen van de opmerking, ‘Het is nog vroeg.’

De andere gasten waren vertrokken, het restaurant was gesloten en de omgeving leek uitgestorven. Op weg naar zijn auto, bleef ik staan bij het uitzicht op Firenze. De Duomo was in de verte nauwelijks zichtbaar.

Ik moest mezelf in veiligheid brengen. Een lift, terug naar de stad. Terug naar de bescherming van onbekenden in mijn nabijheid. Ik moest hem geruststellen en vooral laten doen wat ik wilde. Ongeschonden blijven, en daarna verdwijnen uit zijn leven. In mijn hoofd broedde een vaag plan, maar ik werd gestoord door zijn arrogante blik en zijn armen op mijn schouders. In een reflex draaide ik me om en stapte in zijn wagen.

‘Jouw hotel of bij mij?’ De dubbelzinnigheid in zijn taal was volledig verdwenen. Dit Engels klonk nog directer dan het nuchtere Hollands dat ik zelf zo graag hanteerde; scherp, brutaal en functioneel. Op mijn horloge zag ik dat het bijna 01:00 was. Mijn geduld was op, zijn kansen eveneens.

Een half etmaal had hij nodig gehad om de beste versie van zichzelf te tonen. Tegen beter weten in, had ik geprobeerd hem te bewegen zichzelf te overtreffen, te excelleren, zijn monoloog om te buigen naar een hoogstaande conversatie. Als hem dat niet was bevallen, had hij zonder gezichtsverlies kunnen vertrekken. Koppig bleef hij doof en blind voor mijn boodschap. Wat gaf hem het recht uitsluitend zijn spel te spelen? Alles wat daarin niet paste werd genegeerd of door middel van een vals complimentje overbluft.

De realiteit leek niet tot hem door te dringen. Wat als ik hem dwong? Zou hij beledigd zijn? Dat moment kwam onvermijdelijk dichterbij. In zijn ogen had ik me volledig naar verwachting gedragen, elke afwijking ervan werd niet geregistreerd. Het betekende dat mijn tegenaanval een verrassingsaanval zou worden. Zijn botte vraag, die geen echte vraag was, liet me weinig keuze. ‘Mijn hotel.’

Triomfantelijk startte hij de motor.

Op de parking naast mijn hotel bleef ik, met mijn rechtervoet buiten de deur, zitten.

‘Massimo?’ Zijn naam uitspreken kostte me moeite. Verwachtingsvol keek hij me aan.

‘Ik moet je nog iets vertellen over mijn vriend’. Doelbewust gebruikte ik het woord boyfriend. Hij staarde door de voorruit. Zoals ik wilde.

‘Mijn vriend heeft me aanvaard zoals ik ben.’

Het duurde even voordat mijn mededeling was verwerkt. De stilte werd pijnlijk. Zijn woede, ergernis en superioriteitsgevoel werden zonder schroom geëtaleerd. Met een binnensmondse vloek, vroeg hij me grommend wat ik daar in hemelsnaam mee bedoelde.

‘Ik ben geboren als jongen.’

Nog voordat het portier terug in het slot viel, was hij vertrokken.

Nu ben ik pas een echte vrouw, dacht ik tevreden.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch