Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Mevrouw Elmas

Door simone van dijken

‘Hallo,’ zeg ik voorzichtig terwijl ik me op de stoel laat zakken. Mevrouw Elmas knikt, haar ogen en vingertoppen op hetzelfde punt gericht: een paar regels tekst op een vel papier, A4, met een kleine vouw in de linkerbovenhoek. Ik beweeg langzaam totdat ik de rugleuning raak. Dan leg ik mijn handen plat naast mijn dijen, schuif mijn billen ietwat naar achteren en span mijn buikspieren aan. Zo krijg ik geen rugpijn. Mevrouw Elmas tikt met de vingertoppen van haar rechterwijsvinger en middelvinger op het papier. Tik-tik-TIK. Ze schudt haar hoofd in een minieme beweging, een spasme bijna. Haar mond vormt een woord. Ik probeer niet te raden welk woord, want het papier met de paar zinnen erop komt uit het dossier van iemand anders.

Mevrouw Elmas heeft puntig gevijlde nagels. Ze zijn glanzend gelakt in een kleur die me aan kort gebraden boulettenvlees doet denken, bruin en rood tegelijk. Haar lippenstift is ook roodbruin en lijkt op bloed.

Ik voel me een voyeur terwijl mevrouw Elmas het dossier van mijn voorganger leest. Liever kijk ik naar binnen, naar mijn borstkas en kloppend hart en gedachten die langzaam langs elkaar heen schuiven. Mijn innerlijke blik doorboort de donkerblauwe stof van mijn muts (100% polyacryl) en bereikt mijn platliggende haar. Daaronder een stukje hoofdhuid en dan… nog meer lagen huid? Opperhuid, lederhuid, onderhuids bindweefsel, leerde ik vroeger op school bij biologie. Mijn blik reist verder en penetreert mijn schedel, hier is het donker. Nu zijn we aanbeland bij m’n harses. Mijn breintje. Ik stuit op de hersenschors. Jammer dat ik niet even op Wikipedia kan om op te zoeken wat gedachten precies zijn, en of het al dan niet kwaad kan wanneer je je voorstelt dat je met je eigen blik je voorhoofd doorboort en je hersenen tegenkomt. Het is waarschijnlijk zoiets als ei en bloem tot pasta kneden, en dan de pasta koken. Ik verwerk iets van eigen makelij, bedoel ik. Denk ik. Ik ben niet zo goed in vergelijken.

Vroeger noemde ik alles ‘hond’ en tot ver in mijn tienerjaren was ik niet alleen zo ‘ziek als een hond’, maar ‘s zomers had ik het ‘warm als een hond’ en dronk ik cola ‘als een hond’. Kortom, mijn vergelijkingen zijn zo slecht als een hond. Ik denk nog even verder na over honden en honden-memes op internet en het geblaf van de teckel van mijn ex-bovenbuurman, die nu dood is. De hond bedoel ik, niet de ex-bovenbuurman: die is verhuisd naar een bejaardentehuis. Misschien is hij trouwens ook wel dood, mijmer ik, Andreas was tenslotte al achtenzeventig jaar toen hij een unit in Huize Morgenstern toegewezen kreeg. Goeie ouwe Andi hield van voetbal en bier, plain and simple. Ik drink vrij veel, maar behalve een verend, uitstulpend kussentje rondom mijn navel zie je dat niet. Dit is genetisch bepaald, mijn vader heeft geprononceerde buikspieren als was hij negentien jaar oud, en hij is negenenzestig. Geen grammetje buikvet. Mijn moeder – ‘Zo!’ zegt mevrouw Elmas kordaat, begroet mij en opent het dossier dat voor haar ligt: het mijne. Dat van mijn voorganger ligt nu bovenop een stapel papieren op een hoek van het bureau, naast de telefoon.

Ik vraag me af hoe iemand elke dertig minuten een nieuw persoon voor zich kan hebben en erin slaagt om iedere keer weer aardig en professioneel te zijn: een zweem van waardering trekt over mijn gezicht. Mevrouw Elmas negeert mijn blik en scant het dossier.

Het is mij een raadsel waarom mevrouw Elmas niet als manager bij een groot bedrijf werkt, of als leidinggevende bij een culturele instelling. Ik weet dat ze zich voor kunst en cultuur interesseert, want dat staat op haar Facebookprofiel. Een aantal maanden geleden, toen ik ‘mevrouw Elmas’ googlede, samen met de naam van haar werkgever en onze stad, leidde een link tussen de zoekresultaten me naar Facebook: drie mevrouwen Elmas met drie verschillende voornamen. Gelukkig herkende ik haar aan het profielfotootje. Ik weet nu dat de random kleurige letters op de ansichtkaart, die achter mevrouw Elmas op het prikbord aan de muur hangt, haar voornaam spellen.

Mevrouw Elmas, creatief directeur van de Nationale Galerie.
Mevrouw Elmas, documentairemaker. Misschien is dit kantoor de enige plek waar ze voorlopig terecht kon?

In mijn dossier staat dat ik me had moeten inschrijven voor een coaching, die na de jaarwisseling van start gaat. Mevrouw Elmas zegt dat ik dit verzaakt heb. Ze kijkt me aan. Ik word een beetje zenuwachtig van haar blik, zonder verwijten, zonder aanmoediging. Is dit ‘neutraal’ kijken? Het metallic-grijs op haar oogleden correspondeert met het lichtere grijs van haar hoofddoek.

Ik probeer mijn gezichtsspieren te ontspannen en al mijn vragen, weerwoorden, en vergoelijkingen in de juiste laden te schuiven, als bij een bestekbak of archiefkast. Een fluorescerend uitgelichte datum doemt op in mijn gedachten. ‘Deadline is toch gewoon eind deze maand…,’ en terwijl ik dit zeg hoop ik dat het waar is.

Mevrouw Elmas trekt haar wenkbrauwen op. Ze reikt naar de crèmekleurige telefoon op de hoek van het bureau en toetst een nummer in. Tik-tik-tik. Ik meen drie-drie-vijf te zien. In minder dan vier minuten is het telefoongesprek afgelopen. ‘Oh-kaay,’ zegt mevrouw Elmas en legt uit dat ik me tot dertig november kan aanmelden. Voortbordurend op deze opmerking snijdt ze nog een paar aanverwante topics aan. Het blijft een eenzijdig gesprek, want ik weet niet wat ik moet zeggen. Dan rondt mevrouw Elmas de interactie af. Mijn dossier wordt dichtgeslagen. Mevrouw Elmas schuift haar stoel naar achteren, staat op loopt naar de deur. Ik kom overeind. Met een helder uitgesproken ‘Succes!’ houdt mevrouw Elmas de deur voor me open. Ze voegt er nog aan toe dat ik altijd kan bellen of mailen, mocht er iets onduidelijk zijn. ‘Prima, prima,’ zeg ik.

Ik wrijf mijn droge handen tegen elkaar aan en loop houterig, als een vogelverschrikker, door de gang naar de lift. Veertig seconden later sta ik buiten. Ik vraag me af wat er met de rest van de dertig minuten durende afspraak gebeurt, en ik hoop dat mevrouw Elmas even kan chillen voordat de volgende persoon voor haar neus staat.

Ik wandel langs het rijtje leegstaande winkels dat aan het kerkhof grenst. De kiosk is beplakt met concertposters van twee maanden geleden. Het stoffige raam van de voormalige kringloopzaak vertelt me dat ik eruit zie als een spook. Het is november, mijn huid is grijswit door het gebrek aan zonlicht. Witte mensen lossen op in de winter, of nee, eigenlijk worden we genadeloos in de spotlights gezet: ieder spoortje, groefje en vlekje valt op nu alle brons en roze sinds september weggetrokken zijn.

Ik haal mijn telefoon tevoorschijn. Het is een oud model. Ik typ de ontgrendelingscode, 8888, en kies een nummer uit mijn contactenlijst. In de etalage van de verlaten kringloopwinkel staat een tafel met een paar kartonnen dozen erop, gevuld met boeken. De telefoon gaat over. Een paar keer. Negen keer, twaalf keer. Dan een krakende ruis. ‘Ja?’ Mijn moeder.

‘Ma, hoi, ik sta hier bij een verzameling boeken achter heel smerig glas. Allemaal ouwe meuk, maar –’ Ik steek een betoog af over die keer dat ik een serie thrillers vond met dramatische titels in druipende rode letters, die zij en mijn vader graag lezen. Lázen, corrigeert mijn moeder me. Hier sta ik, mijn mondhoeken bevroren in een opgewekte grijns, al poetsend en sleutelend aan een herinnering. Mijn moeder en ik praten tegelijk. ‘Jij!’ bied ik aan. Ava, mijn nichtje, was jarig. Een vreselijke vertraging met de trein. Pas om 01:00 uur thuis. Ava is een dotje. ‘Helemaal niet moeilijk, geen huilbuien, niks. Heb je al werk gevonden?’

Ik loop in de richting van het park met de kale beuken.

‘Ik moet een heel traject volgen, ma. Een cursus. Vandaag was ik bij mijn contactpersoon, mevrouw Elmas, en zij heeft me echt goed geholpen. Waarschijnlijk kan ik over een tijdje ergens terecht.’ Ik klink een beetje schor en hoop dat ik niet verkouden word. Volgens mijn moeder zou het een prachtig kado voor mijn vader z’n zeventigste verjaardag zijn: ik, bezig met een leuke baan. Aan haar stembuiging hoor ik dat ze het gesprek gaat beëindigen.

Het pad waarop ik loop is bedekt met een zachte deken van modderige bladeren. ‘Veel plezier met de boeken,’ klinkt mijn moeders stem in mijn oor, ‘en toi-toi-toi!’

Als ik de telefoon terug in mijn broekzak laat glijden, merk ik dat mijn andere hand in een harde vuist gebald is. Langzaam ontspan ik mijn vingers en schiet in een verraste grimas, wanneer ik de rij diepe nagelafdrukken in mijn handpalm zie. Alsof een knaagdier geprobeerd heeft zich een weg door mijn huid te banen, aangemoedigd door de kale beuken en modderige grond. Het is tenslotte november, koud en transparant.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch