Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Meer weten?

Sluiten

Mijn overleden inspiratie

Door Cliff de Rouw

‘Morgen wil ik jullie verhalen voor twaalf uur in mijn postvakje hebben,’ zegt de docent.
Shit, helemaal vergeten. Ik heb nog helemaal niets! ‘s Avonds hijs ik mezelf achter mijn bureau. Ik staar naar mijn laptop. Geen idee waar mijn verhaal over moet gaan. De social media wisselt zich af met een lege pagina. Ik word er maar moe van, van dat niks doen.

Vanuit het niets waan ik me in een kleine motelkamer. Alles is hier zwart wit. In een stoel zit een brede man met hoge schouders onderuitgezakt. Naast hem staat een fles goedkope whisky en op een gebarsten salontafel ligt een sigaar. Leeft hij nog wel? Ik zet een stap de kamer in.
‘Krrrk!’ Shit! Ik stap op een kapotte lamp. Terwijl ik schrik adem ik een walm van oud zweet, alcohol, nicotine en seks in. De man komt overeind, gunt mij een halve blik, pakt de fles naast hem en zet ‘m tegen zijn mond. Na een flinke klok zet hij de whisky met een klap op tafel.
‘Ben jij het maar. Ik dacht dat het de wouten waren,’ zegt hij met een zware stem en pakt de sigaar van tafel om een hijs te nemen.
‘Waarom verwacht je de politie?’
‘Een uur geleden is er een vrouw kwaad weggegaan.’
‘Wat is er dan gebeurd?’
‘Weet ik niet.’ Zijn schouders komen ongeveer tot in zijn nek wanneer hij ze ophaalt. ‘Ik begrijp sowieso niet waarom vrouwen hun boezem tegen me aan willen drukken. En weet je waarom niet?’
‘Nee.’
‘Ik ben lelijk, ontzettend lelijk.’
‘Weet u nog wat u gedaan heeft?’
‘Nee, maar de jutten kunnen me komen halen. Ik ga zo met ze mee. Die paar gratis nachten zijn mooi meegenomen en ik ben toch te lelijk om in mijn reet genomen te worden.’
‘Denkt u echt dat ze komen?’
‘Het kan me niks schelen. Ik ben een nietsnut, weet je? Een nietsnut in een nietige wereld.’
Weer zet hij de fles tegen zijn mond. Misschien kan ik hem helpen. Ik zet een stap verder de kamer in. Achter de salontafel zie ik een boekje en een pen op de grond liggen.
‘Schrijf je?’
De man maakt een grommend geluid wat ik vaag herken als grinniken.
‘Probeer het niet.’
‘Wat?’
In de verte hoor ik sirenes.
‘Probeer het niet!’ Met een schreeuw vliegt hij op. De sirenes worden luider en luider!
‘Hoe durf je het te proberen! Ik ram je helemaal in elkaar! ’ De gebonkte kerel komt stampvoetend op me af. Bij elke stap wordt hij groter. De blauwe zwaailichten, die door het raam naar binnen schijnen, onthullen de diepe littekens in zijn gezicht.
‘Probeer het niet!’ Schreeuwt hij nog eens. Mijn hart bonkt in mijn keel. Snel vlucht ik door de deur naar buiten.
‘Niet bewegen!’ Hoor ik een agent schreeuwen. Zonder om te kijken zet ik het op een rennen. Ik sprint zo hard als ik kan over een brede grijze weg. Het wordt donker om me heen. Toch blijf ik door hollen als een zwarte kat in de nacht. Ik zie een lichtje. Het licht wordt groter en groter totdat ik bij een open plek uitkom.

Voor me staat een grote tempel. Alles is hier van natuursteen. Een dunne man in een gouden pak met lang zwart haar komt van de trap af gesneld. Is hij het?! Als een gek ren ik op hem af en vlieg hem in de armen.
‘Pas op voor mijn rug,’ zegt hij met een glimlach.
‘Wow, ik had nooit gedacht je ooit eens in het echt te zien!’
‘Ik jou ook niet.’ Zijn stem klinkt zacht en hij houdt mijn hand even vast.
‘Heb je haast?’
‘Ja, ik word achtervolgt door de wachters van de farao.’
‘Waarom?’
‘Ik vermaak iedereen. Zo ook de vrouw van de farao… En dat werd niet gewaardeerd.’
‘Wat deed je dan?’
‘Ik zong en danste mijn nieuwe lied.’
‘Kun je me iets laten horen?’
‘Oké, ik doe een couplet en een refrein voor je.’
Om de maat aan te geven knipt hij met zijn vingers. Bij iedere knip schiet zijn hoofd naar zijn rechterschouder. Na twee maten begint hij te zingen. Als een gehypnotiseerde cobra staar ik hem aan terwijl mijn hoofd meedeint op de melodie. Wanneer het refrein komt trapt de magiër zijn been uit. Ook ik kan niet meer stil staan. Zijn zang, dans en muziek doen iedere vezel in mijn lichaam vibreren. Tot in de eeuwigheid wil ik verdwalen in zijn kunst, maar helaas is er een einde gekomen aan het refrein.
‘Dat was fantastisch! Dank je wel!’
‘Graag gedaan,’ zegt hij en maakt een buiging. Vervolgens slaakt de ster een diepe zucht en zijn gouden uitstraling stopt ineens met schitteren.
‘Mijn leven is niet altijd een pretje geweest, weet je. Als kind moest ik repeteren, repeteren, repeteren. Perfectie is een vereiste. Dat is er bij mij van jongs af aan ingeramd.’
‘Zit je daar nog mee?’
‘Ja.’
Plotseling horen we op een afstand klakkende voetstappen en luidkeels geschreeuw. De man kijkt schuw om zich heen. Ik ook, maar we zien niets.
‘Weet je waar ik het meeste mee zit?’ Zegt hij gehaast.
‘Nee?’
‘Ik treed op om mensen vreugde te brengen…, ik maak muziek om deze wereld een betere plek te maken…, en ik schreeuw de longen uit mijn lijf voor de aarde…, maar wanneer ik om me heen kijk weet ik niet of het allemaal wat uitmaakt.’
‘Voor mij wel. Ik heb altijd van je gehouden en dat doe ik nog steeds.’
Hij glimlacht. Zet twee stappen naar me toe en omhelst me.
‘Ik hou meer van jou.’
‘Daar is hij!’ Vanuit een steeg komt er plotseling een horde woedende wachters aangestormd. De wereldberoemdheid lacht nog een keer naar me en vlucht de trap op. De bewakers achtervolgen hem. Ik aanschouw het gebeuren totdat mijn koning helemaal verdwenen is.

Vanachter me hoor ik plotseling kraaien kraaien. Een zuchtje broodgeur bestuift mijn neus. Mijn gehele omgeving is veranderd. Ik sta in een korenveld dat tot in de verte reikt en zo weids is als de zee. Een rossige man komt op me afgelopen. Hij draagt een versleten werkjas en zijn jukbeenderen zijn duidelijk zichtbaar.
‘Dag,’ begroet de man me terwijl hij me schuin aankijkt, zodat ik enkel de rechterkant van zijn gezicht kan zien. Zijn ogen onderzoeken me.
‘Hallo.’
‘Wat een verrassing hier iemand te treffen. De laatste tijd ben ik altijd alleen.’
‘Vindt u dat erg?’
‘Nee, men leeft nooit in eenzaamheid wanneer hij Moeder Natuur als zijn beste vriendin beschouwt.’
‘Ja, het is mooi hier.’
Zo’n vijf meter achter de man staat een schildersezel met daarop een gekleurd doek. Het lijkt erop dat hij deze omgeving nagebootst heeft, maar toch voelt zijn schilderij anders. Misschien komt het door zijn patronen en zijn kleurgebruik. De gele koren steken bijvoorbeeld af tegen de zwarte wolken.
‘Bent u gelukkig, meneer?’
‘Jawel, ik geniet van de puurheid van het leven.’
‘Verkoopt u weleens een schilderij?’
‘Nee, maar daar gaat het ook niet om. Het leven in de prachtige natuur is mijn weelde, de kunst is mijn ware liefde en mijn werk is mijn passie.’
Terwijl ik de schilder aankijk hoor ik de wind suizen en voel ik een paar dikke regendruppels op mijn hoofd. Wanneer ik mijn blik van hem afwend zie ik dat de donkere wolken lager zijn gaan hangen en de kraaien verdwenen zijn. Ook de man kijkt om zich heen waardoor ik zie dat hij zijn linkeroor mist.
‘Mijn passie heeft me zoals je ziet tot waanzin geleid. Al was de waanzinnige waanzinnigheid waanzinnig.’ Hij grinnikt even. Ik grijns maar terug. ‘Ach…, ooit hoop ik dat de mensen zullen zien wat ik zie.’
Weer bekijk ik het doek. Het gevecht tussen kleur en donker overvalt me.
‘De dood opent de poorten naar de sterren.’
‘Wat bedoelt u?’
‘Het is beter als mijn broer zich enkel nog hoeft te bekommeren om zijn zoon.’
‘Wat?! U kunt toch…’ Mijn stem valt weg in de luide ruis van de wind. De regen wordt heviger en vanuit de hemel klinkt zwaar tromgeroffel. De schilder rent naar zijn ezel om zich te ontfermen over zijn werk.
‘Ik moet gaan! Het was me een waar genoegen!’ Hij pakt zijn spullen en schiet het veld in.
‘Nee! Wacht!’
Maar het is al te laat. De man is verdwenen tussen de bewegende koren.
Een bliksemschicht slaat in. ‘Knal!’ Inmiddels ben ik zeiknat geregend en ik heb geen idee waar ik kan schuilen. Weer hoor ik een grote trom slaan vlak boven mij. Waar moet ik heen?
‘Knal!’ Een elektrische schok schiet door mijn lichaam. Alles is pikzwart en al mijn spieren zijn aangespannen. Langzaam heldert een bekende omgeving zich op en na een poosje besef ik me dat ik rechtop in mijn bed zit. Meteen sla ik de dekens van me af, loop naar mijn bureau, klap mijn laptop open en begin te typen: ‘Mijn overleden inspiratie’.

geen reacties
0 Fictie

Absoluut

Tammo Ponte

0 Non-fictie

Miami

Stephan van Erp

2 Non-fictie

Migraine

Alexander Roessen