Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Moedertjelief

Door Diana Juijn

Eenzaam sjokte hij over straat. Het regende iets en het was goed te merken dat de herfst er aan zat te komen. Het waaide en de bomen deden al afstand van hun prachtig gekleurde bladeren. Niemand gunde hem een blik waardig. Hij had ook wel eens in de spiegel gekeken. Zijn moeder klaagde er altijd over. Hoe het toch kon dat ze zo´n lelijke zoon had gebaard. Hij wist het niet. Hij vond zijn moeder altijd even mooi. Zelfs nu ze ziek is. Als baby was hij al lelijk. Er was niemand geweest die hem vast wilde houden. Dat had hij zijn hele jeugd verschrikkelijk gevonden. Volgens zijn moeder kwam dat doordat hij zo afzichtelijk was. Tot die nieuwe lerares kwam op school.

Het was erg mooi weer geweest en zijn moeder was op dat moment nog niet ziek. Vaak had ze dan een minnaar waar ze mee wegging. Soms wist hij dat van te voren. Hij luisterde vaak boven aan de trap wat ze bespraken zodat hij wist of zijn moeder hem kon ophalen van school. ’s Middags loog hij dan altijd tegen de juf dat hij had afgesproken om haar tegemoet te lopen. Hij hield niet van liegen. Hij hield nog minder van de problemen die hij kreeg als hij het niet deed. Het idee alleen al dat de juf er wat over zou zeggen tegen zijn moeder deed hem huiveren. Die bewuste dag had hij echter van niets geweten. De avond ervoor sloop hij te laat naar de overloop. Zijn moeder en haar minnaar fluisterden en giechelden al. School ging al uit om kwart over drie en om vier uur zat hij nog steeds op de trap voor school. Hij schrok op toen hij de deur open hoorde gaan. Hij bereidde zich voor op de mededeling van die gemene schooldirecteur dat hij nu toch echt weg moest gaan. Hij kon toch niet eeuwig hier op de trap blijven zitten? Maar de nieuwe juf kwam naast hem zitten. “Waarom zit je hier nog? Ben je niet opgehaald?” vroeg ze vriendelijk. Het was te ver om naar huis te lopen. Geld voor een buskaart kreeg hij nog niet. “Mijn moeder zou me ophalen. Ze is het echt niet vergeten hoor!”. “Ach wat vervelend voor je. Waar woon je? Dan breng ik je toch even naar huis?” Ze sloeg een arm om hem heen. Hij kon het bijna niet geloven. Zachtjes huilde hij in haar armen.

“Waar bleef je verdomme zo lang? Ik kan je ook nooit eens om een simpele boodschap sturen!”. De moed zakte hem in de schoenen. Ze had waarschijnlijk zoals altijd gelijk. Hij zuchtte diep en liet zijn hoofd hangen. De voordeur draaide hij vast op het nachtslot. “Nou, waar blijf je nou? Ik heb je toch gezegd dat ik het nu nodig heb” schreeuwde zijn moeder nog eens. Hij kromp ineen. Hoe vaak hij het allemaal niet had gehoord. Het deed nog steeds pijn.

Zou het ooit makkelijker zou worden? Nee, dat kon hij zich niet voorstellen.

“Het spijt me. Ik kom er direct aan. Ik zal het theewater vast opzetten” riep hij naar boven. Zijn stem klonk altijd een beetje raar. Veel te hoog. Maar niet zoals een vrouwenstem. Mensen schrokken vaak als ze hem voor het eerst hoorden praten. Daarom deed hij dat ook niet graag. Voor de boodschappen had hij altijd briefjes die hij afgaf. Hij kocht altijd hetzelfde en had niets meer dan dat nodig.

“Schiet eens op dan” gilde ze.

Vlug liep hij door de smalle gang naar het kleine donkere keukentje. Ontweek een dode rat die daar al een tijdje lag. Hij trok zijn natte jas uit en gooide deze over de krakkemikkige houten stoel. Hij stak het fornuis aan en zette de ketel erop. De ketel wiegde tikkend als een klok heen en weer. Hij was al eerder die avond bezig geweest om thee te maken. Totdat zijn moeder hem riep dat haar medicijnen op waren. Hij stond al in de deuropening en wilde net de deur achter zich dichttrekken. Hij bedacht zich op het nippertje dat het water al bijna stond te koken. Hij was snel weer naar de keuken gegaan om het gas uit te draaien. Gelukkig heeft ze me niet horen terugkomen. In een ooghoek zag hij nog net op tijd het briefje waarop het medicijn geschreven stond. Stel je voor dat hij dat vergeten was. Dan had je de poppen helemaal aan het dansen. De naam was te ingewikkeld voor hem om te onthouden. Voor de tweede keer die avond begon het water in de ketel te borrelen. Hij was altijd erg gespitst op dat de ketel niet zou gaan fluiten. Dat zou nog eens wat zijn. Door de gedachte aan de stem van zijn moeder trok een koude rilling over zijn rug.

Hij schonk het theewater in een grote mok en liep met de medicijnen naar boven. Zorgvuldig zorgde hij ervoor dat hij niet te hard stampte op de toch al gehorige trap. Voorzichtig ontweek hij de achtste trede. Die kraakte zo hard dat hij bang was dat hij er nog eens doorheen zou vallen. Ik kan haar beter niet kwaad maken als ze in zo’n bui is. Hij klopte zachtjes op haar deur en opende hem. Ze was al in slaap gevallen. Ze sliep veel de laatste tijd. Hij pakte de grote witte fles met medicijnen en schudde wat rode korrels in het theewater. Als ze dat straks opdrinkt zal ze zich een stuk beter voelen dacht hij tevreden.

Hij dacht terug aan eerder in de supermarkt. Hij werd nageroepen door een stel jongens. Ze maakten hem belachelijk. Lachten om zijn verschijning. Zijn uitpuilende ogen leken wel wat op die van vissen. Daarbij keek zijn linkeroog ook nog eens naar linksonder. Hij had veel te hoge wenkbrauwen en zijn haar was volgens die jongens in een “bloempotkapsel” geknipt. Hij had nog nooit van iets dergelijks gehoord. Als zijn moeder goede dagen had knipte ze zijn haar. Volgens zijn moeder kon hij maar beter niet naar een kapper gaan. De vrouwen daar zouden niet bijkomen van het lachen om hem. Hij geloofde haar direct. Als zijn moeder klaar was grinnikte zijn moeder en grapte dan dat zijn kapsel goed bij de rest paste. Net zo lelijk. De rest van zijn groteske verschijning was niet anders. Zijn korte armen met kleine handen. Hij knipte de nagels van zijn dikke worstenvingers zo kort dat er al bijna geen nagel meer over was. Dat moest van zijn moeder. Als het haar niet beviel moest hij het overdoen. Na de knipbeurt moest hij zijn handen altijd weken in soda. Het prikte verschrikkelijk als hij zich per ongeluk in zijn vinger had geknipt. Maar klagen deed hij niet. Hij dacht dat het er bij hoorde. Net als zijn borsten. Zijn bolle buik. Het leek net alsof hij een grote ballon onder zijn overhemd had. De knopen van zijn overhemd sprongen er bijna af. Zijn broek hoog opgetrokken. Zijn overhemd diep ingestopt. In plaats van een riem droeg hij bretels. Met zijn buik kon dat niet anders. Zijn dunne X-benen leken wel wat op scheve takken. Zijn voeten stonden ver naar binnen. Soms deden zijn benen en voeten zo zeer dat alleen een warm bad hielp. Hij vroeg zich wel eens af waarom de wereld zich zo afkeerde tegen hem. Zijn bezwete handen frunnikten aan zijn broek.

Hij ging op de rand van het bed zitten en streek door het haar van zijn moeder. Ze zag er altijd zo vredig uit als ze sliep. Een lok liet los en hij legde deze weer keurig op zijn plaats. Hij vond het prettig om bij haar te zijn als ze sliep en deed dat vaak. Haar katoenen nachthemd was zo versleten dat het nog aan een paar draadjes aan elkaar hing. Hij mocht zijn moeder nooit helpen met omkleden. Hij haalde het niet in zijn hoofd om haar een schoon nachthemd aan te doen. Het laken trok hij iets verder omhoog tot net over haar buik. Door haar ribben heen zag hij wat rattenkeutels liggen. Hij pakte ze voorzichtig weg. Als hij slim was, en dat was hij, zou hij gelijk wat rattengif neerzetten in de kamer. Hij stond op en zette zijn bril met jampotglazen recht. In de gang haalde hij het doosje rattengif uit de kast. Het schoteltje stond nog in de hoek en hij drukte een paar witte pillen met het gif uit.

Tevreden liep hij weer naar beneden. Voorzichtig ontweek hij de troep die overal lag. De dode rat in de hal was niet de enige. Er lagen overal kranten. Bakjes éénpersoonsporties van het huismerk van de plaatselijke supermarkt lagen overal verspreid met soms nog wat onherkenbaar voedsel erin. Met een blik soep ging hij op de oude houten stoel zitten. Je kon het ook warm maken, maar koud vond hij het net zo lekker. Het kostte bovendien veel minder moeite.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch