Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Moedervlekken

Door Annemarie Kok-Pastoors

Moedervlekken

In mijn straat woont een donkerhuidige Nederlander. Iedere ochtend rond acht uur loopt hij langs mijn raam terwijl ik aan tafel mijn gebakken eieren met spek eet. Mijn kauwbewegingen vertragen elke keer weer wanneer ik de golvende bewegingen, die zijn heupen en schouders tezamen maken, langs me voorbij zie trekken. Het lijkt alsof hij door een oase loopt waarin zwoele warme luchtstromen van iedere beweging een vertraagde dans maken. Op zijn gezicht een vriendelijke en ontspannen glimlach. De verschijning valt op te midden van het altijd aanwezige verkeersgeluid en de voelbare haast in de benen van al die andere mensen die ergens heen gaan. De laatste weken is de winter het land ingetrokken. Een steeds koudere wind waait door de straten. Buiten ruik je verbrand kachelhout en de mensen pakken zich dik in met sjaals en wanten. Met opgetrokken schouders haasten ze zich verstijfd naar een auto of bushokje. Mijn donkerhuidige Nederlander niet. Zijn tred wordt aangezwengeld door een gelijkmoedige energie dat in zijn lichaam onvoorwaardelijk aanwezig is. Zijn bestemming lost op in iedere stap.

Vandaag moet ik jammer genoeg voor acht uur de deur uit. Ik hijs me zenuwachtig in mijn kleren, prop twee boterhammen met pindakaas in mijn mond en loop met korte stevige passen naar de dokter om als eerste plaats te kunnen nemen in de wachtruimte. Ik heb een hekel aan wachtruimtes, of eigenlijk mensen in wachtruimtes, daarom ga ik vroeg. De moedervlekken op mijn borst jeuken en dus moeten ze worden onderzocht. De dokter opent als een robot de deur. Hij heeft een stijve smetteloze witte jas aan en roept mijn naam. Mijn hart bonst in mijn lijf en ik geef de dokter een zweterige hand. Vrijwel gelijk gebaart hij naar het gordijn. ‘Kleed u zich daar maar even uit.’ Dikke zwarte stoppels komen dwingend door de huid van zijn kin naar buiten. Naast zijn neus zitten een stuk of tien mee-eters en in de bolling van zijn wangen lopen rode en blauwe adertjes. Uit zijn mond komt een onaangename geur van koffie en knoflook. Onopvallend probeer ik mijn adem in te houden. Met zijn bril op zijn voorhoofd tuurt de dokter door het vergrootglas naar de moedervlekken op mijn borst. Hij bestudeert de vlekken aandachtig. Het is vast vreselijk mis; ongeremd groeiende cellen voel ik in mijn borst opkomen. Ik zie mezelf onder de douche staan: lange plukken haren verdwijnen in het putje. Mijn lijf voelt leeg en is aanzienlijk vermagerd. Dat laatste intrigeert en benieuwd me meer dan dat ik het me levendig voor kan stellen. Een misselijk en destructief gevoel maakt zich van mij meester. De dokter mompelt onverstaanbare taal. Hij zet zijn bril weer op zijn neus. Zonder overleg bindt hij de bloeddrukmeter om mijn arm. Er verschijnen twee rode getallen. Daarna dirigeert hij me met een gebaar naar de weegschaal. Afwachtend kijk ik naar het plafond tot hij zegt dat ik er weer af mag. Hij trekt het gordijn dicht. ‘Kleedt u zich maar weer aan’ en hij loopt terug naar zijn bureau.
‘Hoge bloeddruk, overgewicht, heeft u er zelf al eens over na gedacht om daar iets aan te doen?’ De dokter duwt zichzelf achterover in zijn stoel en vouwt zijn handen voor zijn buik. Hij zucht. In zijn ogen verschijnt een alwetende uitdrukking die al mijn mogelijke antwoorden klem zet. Ik zucht ook. De moedervlekken zijn niet aan de orde. Moedeloos en vol zelfverwijt verlaat ik de spreekkamer. Het belerende vingertje van de dokter was duidelijk. Het zal een spartaanse aanpak moeten worden om er nog iets van te maken. Slenterend loop ik met een grote omweg terug naar huis. In de straten zijn sinterklaasliederen hoorbaar, “wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe”. Kinderen hollen met pietenpakken uitgelaten de school binnen. Zelden verkleden kinderen zich als Sinterklaas. Alle kinderen willen altijd Piet zijn. Een Sinterklaas mag niet speels door de straten rennen. Stel je voor dat hij onhandig struikelt over zijn meerlaagse en lange gewaad. Een komisch en pijnlijk tafereel zou hem vervreemden van zijn manifestatie als kindervriend die kinderen hooghartig wijst op wat goed is en wat fout. Sinterklaas valt niet. Sinterklaas rent en springt ook niet en maakt geen swingende onbevangen bewegingen. Sinterklaas zit op een troon en trek bange kinderen op zijn schoot. Hij mag luisteren naar valse of niet gezongen liedjes en met zijn witte stoffige dikke wijsvinger de kinderen zachtaardig aansporen goed hun best te blijven doen opdat ze dan cadeautjes kunnen verwachten.

Bijna vijftig jaar geleden was ik aan de beurt. Traag bewoog hij door de menigte in de richting van zijn koninklijke grote stoel. Met zijn hoofd knikte hij statig terwijl hij zijn blik over de hoofden van de kinderen liet gaan. Ik keek altijd weg, bang dat hij mij zou uitkiezen om op zijn schoot een lied te moeten zingen. Zes jaar was ik. Hij wist ook mijn naam. ‘Zo zo, als het goed is ben jij Trijntje’. Hij sprak Trijntje heel langzaam uit. Wat had ik een hekel aan die naam. De handen van Sinterklaas klemden zich vast rond mijn middel. Verstijfd zat ik daar op zijn schoot. De warmte van zijn benen drong door mijn pietenpak heen. Zijn baard rook muf en stoffig en tussen de haren door zag ik zijn natte rode lippen bewegen. ‘Zo, zo, zo, zeg eens, wil jij misschien een liedje voor de goede Sint zingen?’ Ik moest heel lang op de schoot van Sinterklaas zitten en alle kinderen keken mijn kant op. Het was voorbij toen Sinterklaas zijn handen nog steviger rond mijn middel klemde en me met een ferme beweging op de grond zette. De Piet naast de troon gaf me een knipoog en ik haalde adem. Piet bracht me met een zachte hand op mijn schouders terug naar mijn plek en stopte me een extra hand pepernoten toe. Ik at ze allemaal achter elkaar op.

Ik slenter verder. Onderweg kom ik langs een oliebollenkraam. ‘Zij is nog dikker dan ik ben’ denk ik bij mezelf en bestel vier, voor de prijs van drie, oliebollen. Voordat ik een hap neem knijp ik langzaam in de bruine zompige bal. De gelige olie komt pruttelend naar buiten. Dan zet ik mijn tanden in het kleverige deeg. De stemmen in mijn hoofd maken ruzie en terwijl mijn hart sneller gaat kloppen, hoor ik in mijn lijf een bescheiden ‘dank je wel.’ Thuis is de kachel nog aan. Ik schenk een glas wijn in en plof op de bank. Nog bijna een maand heb ik om goede voornemens te maken. Geen spek meer, meer bewegen, rennen, springen, vallen, opstaan en nooit meer terug gaan. Snel eet ik de rest van de oliebollen op.

De spek sist in de pan. Ik leg er een paar extra plakjes bij. Ook een ei extra. Nu kan het nog. Dan gooi ik alles op een bord, loop naar de tafel, veeg de condens van het raam en neem plaats. Het is bijna acht uur. De tijd vertraagt. Nieuwsgierig duw ik mijn neus tegen het glas om zo ver mogelijk in de straat te kunnen kijken. En dan verschijnt hij. Ik besluit hem in zijn ogen aan te kijken als hij passeert. Ondanks de kou hangt zijn sportjack open. Alles beweegt in zijn lijf. Het is net een elastisch mechaniek waarvan alle elementjes met vloeibaar ijzer aan elkaar zit. Zijn tevreden blik zuigt de hele omgeving op en zijn glimlach draagt breed uit. Als hij nog enkele meters van mijn huis verwijderd is, treffen onze ogen elkaar. In een film zou ik nu naar buiten rennen en leefden we nog lang en gelukkig. Maar dit is geen film, bovendien ben ik dik en onaantrekkelijk. Toch lijkt zijn blik daar dwars doorheen te gaan. Morgen wil ik weten waar hij heen gaat.

De volgende ochtend sla ik mijn ontbijt over. Ik trek de deur achter me dicht, zet een muts op mijn hoofd en loop achter mijn donkerhuidige straatgenoot aan. Honderden meters loop ik dezelfde kant op, verblind door zijn gelijkmoedige tred en nieuwsgierig naar zijn bestemming. Het is de sportschool. En daar sta ik dan. Ik blijf staan, heel lang. De koude wind trekt door mijn kleding. Mijn buik knort ongekend. Pijn en kou is het enige wat er is. Maar ik blijf staan. Op het moment dat ik volledig verstijfd ben en van binnen niets meer voel kom ik in beweging en loop ik richting de sportschool.
‘Ja, inderdaad een personal coach lijkt me geschikt. Kunt u me indelen bij die meneer daar?’ Ik wijs door het raam van de bokszaal. De baliemedewerkster vult iets in op een formulier en schuift het vervolgens onder mijn neus. ‘Hier even al uw gegevens invullen, en dan kunt u volgende week beginnen.’ Ik loop naar buiten. Mijn lijf is even zwaar maar vult zich met lichtheid en hoop. Voor het eerst in mijn leven heb ik het gevoel dat iemand mij op een onvoorwaardelijke en speelse manier in beweging kan zetten. Proost!

geen reacties
2 Poetry slam

Samen Slapen

Ben Oranje

0 Poetry slam

Ik ben net niet

Reinier Punt

0 Fictie

De dijk

Wendy Wierdsma

0 Non-fictie

Kwijt

ANJA KWARTEN

0 Fictie

Stromen

Sonja Coenen

0 Non-fictie

Als ik ga

Heidi Hulst

2 Poetry slam

kindje

Jacqueline Brouwers