Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Moederziel

Door Aisha Dutrieux

Godelieve heet ze. Een onuitspreekbare naam, dus sommigen noemen haar Godje, anderen Lief. Alhoewel, de laatste jaren is er eigenlijk niemand meer die haar naam tegen haar uitspreekt, op wat voor manier dan ook. Ze heeft wel eens overwogen zich voor te stellen aan het kassameisje bij de Spar, die met die blinkende glimlach, twee kaarsrechte rijen jonge, witte tanden. Onberispelijk rood tandvlees. Verder is ze niet heel erg mooi, lelijk misschien zelfs, maar die glimlach. Myrthe heet ze, dat staat op het naamkaartje op haar linkerborst. ‘Wilt u nog zegeltjes?’, zegt het meisje altijd en vervolgens: ‘tot morgen, mevrouw.’

Dat is het moment. Ze heeft het thuis geoefend: ‘Zeg maar Godelieve hoor.’ Maar ze doet het niet, telkens weer doet ze het niet. Er valt een stilte, het kassameisje wendt haar hoofd af, op naar de volgende klant, alsof ze haar alweer vergeten is.

Dus pakt Godelieve haar krentenbollen en loopt de winkel uit. Elke dag eet ze krentenbollen, met dik roomboter en volvette kaas. Als kind al vond ze dit heerlijk, maar van Moeder kreeg ze het maar eens per week, op zondag. Dus nu eet ze het lekker iedere dag. Soms eet ze wel een hele zak leeg. En anders voert ze het restant aan de vogels buiten, hebben die ook een feestmaal.

De rest van haar dagen, na de boodschappen en het eten van de krentenbollen, wandelt ze door de stad. Ze heeft een vaste route, al jaren. Langs de slager loopt ze, voorbij de schoenmaker en soms gaat ze een winkel in van een grote keten, om zich te vergapen aan het aanbod. Zoveel keuze was er vroeger niet, denkt ze dan, en zeker niet voor die prijzen!

Op de dag dat haar leven voorgoed verandert, loopt ze ook zo’n goedkope kledingwinkel in. Ze kuiert langs de rekken, voelt aan de stoffen. In de buurt van de paskamers hoort ze gehuil. Een baby, onmiskenbaar. Ze gaat erop af. Het is rustig in de winkel, er is maar één pashokje bezet. Ze ziet de armen van een vrouw omhoogsteken, de handen vanaf de polsen zichtbaar boven het gordijn. De vrouw lijkt gewoon door te gaan met passen. Godelieve kijkt in de wandelwagen die naast het pashokje staat. De baby is nog maar net geboren zo te zien. Ze duwt zachtjes tegen de wagen, trekt hem dan weer naar zich toe. Het kind wordt langzaam rustig. Zo staat ze daar even, de baby van een ander in slaap wiegend, terwijl de moeder het te druk heeft met zichzelf, in haar eigen wereld, achter het gordijn. Ze besluit een rondje door de winkel te wandelen met de kleine en terwijl ze daar zo loopt, stelt ze zich voor dat mensen denken dat ze de oma is van het kind. Dat zou toch kunnen?

In een opwelling loopt ze naar buiten. Eerst aarzelend, ze kijkt achterom, maar er ontstaat geen tumult in de winkel, niemand komt achter haar aan. Ze draait zich om en loopt. Ze loopt en loopt, niet haar vaste rondje want zomaar ineens is deze dag anders geworden dan anders. Voor het eerst in jaren is ze niet alleen.

Wat zou de baby willen zien? Ze besluit richting het water te gaan; baby’s vinden het geluid van water rustgevend. Ze koopt een kaartje voor de pont en loopt het dek op. Vrijwel meteen vertrekken ze. Ze geniet van het gevoel van de wind in haar haren, het brommende geluid van de motor. Ze geniet van het simpele gegeven dat er een wandelwagen naast haar staat. Er zijn niet veel mensen op de pont en toch stoort hun aanwezigheid haar, in dit zeldzame samenzijn met een baby, een onschuldige, kwetsbare ziel. Ze duwt de wandelwagen richting de achtersteven. Daar, aan het zicht onttrokken van de mensen, die indringers in dit intieme moment, neemt ze voor het eerst de baby uit de wagen. Het roze vestje verraadt dat het een meisje is, het gezicht nog wat in de plooi door de reis uit de baarmoeder. De huid haast doorschijnend. Ze snuift de zoete geur op van huidsmeer, een zweem van moedermelk. Het doet haar terugdenken aan de laatste keer dat ze een pasgeboren baby in haar armen hield.

Na jaren van mislukking, bloedverlies, knokkels wit van spierspanning en ogen rood van tranen, had ze eindelijk een zwangerschap voldragen. Haar dochter, Lizzy, was klein geweest, maar volmaakt. Of althans, bijna volmaakt, want ze ademde niet. Wat de artsen ook probeerden, ze ademde niet. Ze hadden het opgegeven, het lijfje in een dekentje gewikkeld en aan haar teruggegeven. Urenlang had ze het vastgehouden, geknuffeld, geliefkoosd. Uiteindelijk hadden ze het vaalbleke lijkje, hier en daar zacht-paars gevlekt, van haar afgenomen en in een doos gedaan. Deze laatste klap zou haar huwelijk niet overleven. Daags na de begrafenis gingen ze elk hun eigen weg.

Nu, op de pont, met haar armen gevouwen om een meisjeslijfje dat niet van Lizzy is, een lijfje waar voelbaar zuurstof doorheen vloeit, voelt ze een steek van boosheid, om de oneerlijkheid van het leven. Zo graag had ze een kind gewild, het was haar niet gegeven. Terwijl deze baby een moeder heeft die het veel te druk heeft met zichzelf om zich om haar kind te bekommeren. Ze houdt het hoofdje tegen haar borst, aait over de kleine donshaartjes. Wat moet ze met deze baby aan? Het is nu te laat, ze is al te oud om nog een kind groot te brengen en trouwens hoe dan ook niet van plan nog heel lang in dit leven te blijven. Ze aarzelt, buigt dan haar hoofd naar voren en neemt een besluit. Zachtjes fluistert ze in het kleine oorschelpje: ‘Dag lief kind, daarboven zal veel beter voor je gezorgd worden.’

Ze legt het meisje terug in de wagen, dekt het voorzichtig toe met het roze gehaakte dekentje, aait over een warme wang, en geeft de wagen een lichte duw. De pont ligt zo laag dat de zachte plons nauwelijks hoorbaar is boven het geluid van de motor. Het water slokt de baby op, omvat haar, totdat alleen een kleine rimpeling nog aan haar bestaan herinnert.

Godelieve loopt terug naar de voorkant van de pont, waar niemand lijkt op te merken dat ze met een kinderwagen vertrok en nu terugkomt zonder. Mensen letten niet echt op elkaar, dat heeft ze al vaker geconstateerd.

Ze kijkt naar de horizon, waar alweer land in zicht komt. Ze is nog nooit naar de overkant geweest en is benieuwd wat het haar zal brengen.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch