Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Meer weten?

Sluiten

MOES

Door Yvo Nafzger

Moes draait zich nog maar eens om. Hij heeft zelfs op zijn buik gelegen, maar ook daarvan viel hij niet in slaap. Het is ook zo stil. Moes vraagt zich af of hij ooit zo weinig geluid heeft gehoord. Vorig jaar , toen hij ook met school op kamp was, kon je in de verte nog de snelweg horen ruisen. Het klonk een beetje zoals de zee. Hij denkt aan thuis. Aan de tram die hij altijd hoort vlak voor hij in slaap valt. Aan de buurjongen die elke avond met zijn scooter door de straat rijdt. Aan de buurman die dan vanaf het balkon naar beneden schreeuwt: ‘Niet te laat thuiskomen, hè!’

Moes zucht diep en springt dan uit bed. Niemand hoort hem. In het zaaltje is iedereen diep in slaap. Plotseling snurkt Bram heel hard. Moes schrikt en houdt zijn adem in. Gelukkig: Bram wordt niet wakker. Hij sluipt het zaaltje uit en stapt de lange gang in. In de verte komt er een streepje licht onder de deur vandaan. Hij hoort Meester Hans heel hard praten. Juf Maartje en juf Olga lachen om alles wat hij vertelt. Moes sluipt verder op zijn tenen naar het tweede slaapzaaltje. Hij weet dat hij de sigaar is als meester Hans hem hier betrapt. De deur van het zaaltje staat op een kier, Moes kijkt er voorzichtig doorheen. Hij kijkt of hij Sarah kan zien, maar het is te donker in het zaaltje. Moes durft niet naar binnen te gaan, maar terug naar zijn eigen bed wil hij ook niet. Hij besluit Sarah dan maar wakker te fluisteren: ‘Sarah! Ben je wakker?’ Sarah antwoordt niet. Hij probeert het harder: ‘Saar! Sarah! Ik kan niet slapen!’. Het blijft muisstil.

Moes wil net naar binnen gaan om Sarah wakker te maken, maar dan hoort hij in de verte een vreemd soort gebulder. Het komt van buiten en het is nog heel erg ver, maar het lijkt sneller dichterbij te komen. Zal hij terug naar bed gaan? Of toch Sarah proberen wakker te maken? Opeens stopt meester Hans met praten en juf Maartje en Olga lachen niet meer. ‘Wat is dat voor geluid?’ hoort Moes meester Hans zeggen. Het gebulder wordt steeds harder. ‘Ga eens kijken Hans!’, juf Maartje klinkt bezorgd. Moes beseft zich plotseling dat hij ergens staat waar hij helemaal niet mag staan, op de gang! Raar geluid of niet, meester Hans is heel erg goed in tussendoor straf geven. Hij weet niet hoe snel hij terug naar zijn bed moet rennen. In de haast stoot hij zijn kleine teentje tegen de deurpost. Auw! Moes hinkelt terug, gaat in zijn bed liggen en trekt de lakens over zijn hoofd. Zijn hart bonkt in zijn keel.

Moes hoort meester Hans door de gang lopen. Bonk, bonk, bonk klinkt het, net als in het klaslokaal. Het gebulder wordt luider en luider. Dan hoort Moes wat het is: het zijn vliegtuigen die steeds dichterbij komen. In de zaal worden steeds meer kinderen wakker. Ook Bram. ‘Cool! Vliegtuigen!’, roept hij enthousiast. ‘Moes? Zullen we gaan kijken?’ Maar Moes weet het nog niet. Waarom vliegen er zoveel straaljagers midden in de nacht over? Er is geen tijd om daarover na te denken want de muren beginnen te trillen. De eerste straaljager vliegt over en het doet pijn aan iedereens oren. Zelfs Bram, die kampioen straatvoetbal is en laatst nog een bal in zijn gezicht kreeg en gewoon doorspeelde, legt zijn handpalmen over zijn oren. Dan vliegt er nog een over. Daarna nog een en nog een. Er vliegen wel tien vliegtuigen heel laag over. Als ze allemaal voorbij zijn sterft het oorverdovende geluid van de straalmotoren langzaam in de verte. Iedereen kijkt elkaar aan. Robbie, die in het bed naast Moes ligt, haalt zijn schouders op en gaat weer op zijn rug liggen.

Plots wordt de slaapzaal verlicht door een heldere lichtflits. Moes knijpt met zijn ogen. Er volgt een enorme knal. Boem! De ramen, de muren, de stalen bedden en zelfs de grond: alles trilt. Bonk, bonk, bonk. Meester Hans komt binnengestormd. ‘Pak allemaal je jas.’ Iedereen houdt zijn adem is. ‘Nu meteen!’, schreeuwt de meester. Waarom weet Moes niet, maar hij moet denken aan de verhalen van zijn vader: aan het altijd maar verplaatsen, weg moeten en op de vlucht zijn. ‘We waren bang voor iets dat we niet kenden’, hoort Moes zijn vader vertellen. Hij trekt de dekens nog verder op zijn hoofd. Het liefste wil hij hier blijven liggen tot alles weer rustig is. Bonk, bonk, bonk, voetstappen naderen Moes’ bed. Voorzichtig trekt meester Hans aan de dekens:
‘Kom op. Ook jij moet opstaan. Je moet je jas aantrekken. We moeten vertrekken.’
‘Ik wil niet’, Moes draait zich om en trekt de dekens weer over zijn hoofd.
‘Het is heel erg belangrijk dat we bij elkaar blijven.’
‘Is ‘ie bang?’ de stem van Bram klinkt door de zaal.
‘Ik ben helemaal niet bang, ik heb alleen geen zin om op te staan.’ Moes gaat rechtop in zijn bed zitten.
‘Echt wel, je bent bang. Ik zie het aan je.’
Moes gooit de dekens van zijn bed. Meester Hans schrikt en staat verbaasd met de dekens in zijn handen. Voordat de meester de dekens weer op het bed heeft gelegd staat Moes al in de deuropening met zijn jas aan.
‘Ik ben klaar hoor!’ zegt hij triomfantelijk.

Meester Hans verzamelt alle kinderen bij de deuropening. Als iedereen zijn jas aan heeft en er klaar voor is gebaart de meester dat ze moeten lopen. Alle kinderen zijn stil en doen precies wat de meester zegt. Moes loopt langs de deur van de slaapzaal waar Sarah hoort te liggen. Juf Olga helpt iemand zijn jas aan te trekken en in de hoek staat een jongetje, waarvan Moes niet kan zien wie het is, heel hard te huilen. Moes denkt dat hij Sarah ziet staan. Hij wil de slaapzaal inlopen. ‘Doorlopen’, meester Hans’ bonkende voetstappen geven het tempo aan.

geen reacties
0 Fictie

Absoluut

Tammo Ponte

0 Non-fictie

Miami

Stephan van Erp

2 Non-fictie

Migraine

Alexander Roessen