Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Montaigne

Door Ewa Maria Wagner

Montaigne

Door Ewa Maria Wagner

De geur van de sneeuw en de modder op de stoep van het stadsconservatorium in Krakau herinnerde me aan de Kerstfeest met mijn ouders en mijn geboortedorp, die ik net achter de rug had. Maar hier, in de stad, waren de laatste dagen van het jaar 1984 net zo grijs als het communistische systeem. Geen enkele versierde boom, geen lichtjes, de ramen met dikke overgordijnen verduistert. Kerst vierde je hier thuis, niet op straat. De winkels hadden niets te bieden, de boodschappen kreeg je nog steeds op de bon. Twee ons vlees per maand. Als studente leefde ik toentertijd van zoete broodjes, aardappelen en af en toe tien centimeter worst. Nu dacht ik even aan de feestelijke hennepsoep en in echte boter gebakken karper die mijn moeder traditiegetrouw op de Kerstavond voor mijn vader, mijn zus en mij kookte. Dat was twee dagen geleden.

Terug in mijn Krakauer studentenkamer, honderd kilometer van mijn ouderlijk huis vandaan, had ik zoals altijd na de hele dag altviool te studeren honger. En zoals altijd als ik niet genoeg geld had, ging ik in plaats van naar de supermarkt, de bibliotheek opzoeken, mijn ander domicilie. Boeken waren mijn tweede voeding, ik kon van woorden net zo goed leven als van brood.

In de verstilde tijd tussen de feestdagen en oud-en-nieuw gunde ik me een langere bezoek aan de bieb. Ik weet het nog zo goed, het begon te stormen, de weg naar de van de Nationaal Bibliotheek was glad en steeds meer wit. De ijzige wind plakte de sneeuwvlokken op mijn gezicht. Zodra ik de zware deur van de bibliotheek achter me dichtdrukte, voelde ik een behaaglijke warmte. Ik trok mijn jas uit en hing hem op de kapstok. De leeszaal was met kleine leeslampjes verlicht, die op de vele houten tafels stonden, ik legde mijn tas op een plek bij het raam.

Voordat ik een boek uitgezocht heb, keek ik naar buiten. De wind speelde een danse macabre met de zielige boomtakken Eentje bewoog heftiger dan de andere. Ik bleef kijken totdat hij van de boomstam afbrak. Maar hij viel niet op de grond, hij hield zich ondanks de storm met de iele vertakkingen helemaal vast. De ruimte tussen de stam en de gebroken hout trok mijn aandacht, iets ging in mij verloren, iets wat nooit goed zou komen. Pas daarna liep ik naar de boekenkast.

In de stilte las ik de brieven van Gustave Flaubert en dompelde me in het Parijs van ergens tussen de jaren 1857 en 1863. Ik ging in zijn woorden op:

“ (…) Lees Montaigne, lees hem langzaam, en rustig!’ schreef Flaubert aan zijn vriendin deschrijfster Leroyer de Chantepie, ‘(…) Maar lees hem niet zoals kinderen lezen, om u te amuseren, en niet zoals ambitieuze lieden lezen, om u te ontwikkelen. Nee, lees om te leven. Schep voor uw geest een intellectuele atmosfeer die uit de emanatie van alle grote geesten zal bestaan. (…) En wanneer u iets verveelt, moet u zich erin vastbijten.”

Hij correspondeerde negentien jaar lang met deze vrouw. Waren ze een koppel? Flauberts gedachten raakten me. Ik las ze opnieuw en opnieuw. Vooral de laatste zin: en als u iets niet begrijpt, moet u zich erin vastbijten.

Ineens voelde ik een immense behoefte om het boek van de Franse filosoofaan te raken, zijn woorden te zien, mij met hem door een onzichtbare spinrag te verbinden. Ik rende naar de balie om Montaigne te lenen.

‘Die hebben we slechts in het Frans,’ glimlachte de vrouw achter de infobalie en schudde “nee” met haar hoofd.

‘Maakt niet uit,’ zei ik. Ook al zou ik niets begrijpen, dan kon ik met mijn vingertoppen langs de zinnen gaan, zijn gedachten onder mijn vingers tot een fysieke, grijpbarebelevenis maken.

‘Het boek mag je niet meenemen,’ de glimlach op de lippen van de vrouw kwam nu triomfantelijk over.

‘Maar ik kan het toch hier lezen?’

‘Lezen gaat je niet lukken …begrijp je dan Frans?’ De vrouw trok nu haar wenkbrauwen omhoog en onderzocht me van top tot teen met grote ogen, ‘hoe heet je?’

‘Eveline Müller.’

‘Müller?’ ze hapte naar adem alsof ze een kat betrapte die haar boterham opat, ‘Müller, Duits dus?’

‘Nee Pools,’ zei ik zacht, ik wist zelf niet of ik nu gelogen had of niet.

‘Dat kan niet, niemand in Polen heet Müller met u – umlaut ,’ ze pakte nu een groot formulier en begon te schrijven. ‘Geboortedatum, de namen van je ouders en adres.’

Met stomheid geslagen stond ik haar bewegingsloos aan te staren.

‘Waarom?’ eindelijk had ik mijn stem weer terug, ‘om hier een boekte lezen? En u hebt trouwens mijn studentenlegitimatie, is dat niet voldoende?’

‘Het is nog steeds aan mij om te zeggen of dat voldoende is jongedame, als je gaat discuteren bel ik de politie.’

Politie, dacht ik, alsof ik iets gestolen heb, ik besloot niets meer te vragen. Ik gaf haar wat ze vroeg. Toen ze na een paar minuten klaar was, stuurde ze me naar de leestafel.

‘En het boek?’ vroeg ik, nu al helemaal verlangend naar Montaignes geschriften.

‘Welk boek?’

‘De Franse essays.’

‘Zoals gezegd, heb ik alleen één exemplaar en dat is in het Frans. Als je in het genre geïnteresseerd bent, heb ik ook prachtige essays van Lenin en Marx en Engels.’

‘Montaigne,’ onderbrak ik haar, ‘ik wil graag het boek zien.’

‘Wat heeft het voor nut als je de taal niet kent?’

Ik wou schreeuwen dat het haar niets aanging maar ik zei slechts, ‘alstublieft.’

‘Ga maar zitten, ik kom zo bij je.’

Ze maakte nog meer notities, stond op en verliet de zaal. Die komt nooit meer terug was mijn eerste gedachte toen ik haar achter de hoge deur zag verdwijnen, ik word voor straf opgesloten . De leeszaal was helemaal leeg, ik keek weer naar de afgebroken boomscheut, hij was er nog. De nu dik besneeuwde branche wiebelde een stukje lager maar hield nog steeds stand. Ik glimlachte, in afwachting van het door de vrouw beloofde boek en ook een beetje om het ongemak te verdrijven, las ik verder in Flauberts brieven. Ik was ongeveer tien pagina’s verder toen dezelfde deur openging en twee mannen in grijze winterjassen naar me toe liepen. De vrouw bleef bij de deur staan.

‘Eveline Müller?’

Ik knikte.

‘Waarom bent u hier?’

‘Ik begrijp niet …’

‘Wat doet u hier?’

‘Ik lees …’

‘Als dat zo is, dan kom je even met ons mee,’ zei de man links van me. Hij droeg een klein hoedje dat zijn ogen bijna bedekte. Van de rand druppelde gesmolten sneeuw.

Nu kwam de vrouw op hen toe.

‘Het kan hier, er is niemand, de andere ruimtes zijn gesloten, het is kersttijd.’

We gingen aan een andere tafel zitten. De mannen wilden weten waarom ik in buitenlandse literatuur geïnteresseerd was en wat ik met Frankrijk had. Ik vertelde over Flaubert en mijn altviool. Ze zagen geen verband tussen mij en de Franse taal.

‘Je liegt,’ constateerde dezelfde man, ‘niemand wil een boek lezen in een taal die hij niet begrijpt.’

Ik kon hun niet uitleggen waarom ik het wilde. Ze besloten me naar het politiebureau mee te nemen.

‘Waarom?’ vroeg ik, iets groeide in mijn keel..

‘Omdat je de medewerkster beledigd hebt en weigert de werken van Lenin te lezen.’

Ik bleef zitten en kon niets meer zeggen. Ineens stonden de mannen links en rechts van me en grepen me onder mijn armen. Iets kraakte in mijn nek, ik wierp een laatste blik op de afgebroken boomscheut, hij was er niet meer. Ik werd afgevoerd als een crimineel, buiten sneeuwde het zo heftig dat ze de politiebus moesten zoeken. Ik dribbelde tussen hun zo snel dat ik de wolkjes die uit mijn mond kwamen weer inademde, samen met de sneeuw. Ze duwden de busdeur opzij en gooiden me met alle kracht erin. Ik maakte een smak op en metalen zit.

In plaats van Montaigne kreeg ik een strafblad. En een verbod om in de toekomst uit deze bibliotheek boeken te lenen. Toen ik een week later uit de gevangenis vrijkwam, zocht ik andere bibliotheken op. Vele jaren later ook in het buitenland. En de essays van Montagne heb ik alsnog allemaal gelezen. Nee, niet op zijn Frans maar in de Nederlandse vertaling.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch