Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Moordenaar

Door Lieke Muyris

Edward Teach zag het voor het eerst toen hij zich na een ziekbed van drie dagen stond te scheren. Dat vereiste de hoogste concentratie. Hij had zo’n sterke baardgroei, dat hij zich vaak zelfs twee maal per dag moest scheren. Zeker als hij ‘s avonds naar de opera of het toneel ging, kon hij niet zonder een tweede scheerbeurt. Het zat in de familie, voor zover hij wist waren ook zijn vader en grootvader gezegend – of geplaagd, het was maar hoe je het bekeek – met een zeer welige baardgroei.

Hij was bijna klaar zich van zijn drie-dagen-baard te ontdoen, toen hij het ontwaarde. Het was meer vanuit zijn ooghoeken dat hij het in een flits in de scheerspiegel zag, dan dat hij het duidelijk aanschouwde. Maar toch was het een zo afzichtelijk, bloedstollend, afschrikwekkend iets, dat zijn hartslag terstond naar de hoogste hoogten schoot en hij over zijn hele lijf begon te trillen. Gedreven door de adrenaline tolde hij om zijn as, maar achter hem was niets verontrustends te zien. Alleen zijn sobere kamer met het bureau, de halfvolle boekenkast, zijn makkelijke leesstoel en zijn bed, dat aan verschoning toe was. Steunend tegen de wastafel kwam hij langzaam tot rust. Hij moest het zich hebben verbeeld. Het was vast niet meer dan een hersenschim, een flard van een nachtmerrie die misschien het gevolg was van de klap tegen zijn hoofd.

Die klap was ook de reden dat hij drie dagen het bed had gehouden. Het gebeurde op kantoor, toen hij iets van een hoog schap had willen pakken. Op zijn tenen balancerend, had hij zijn evenwicht verloren, was gestruikeld en met zijn slaap tegen de punt van een bureau gevallen. Aanvankelijk was hij alleen maar verbaasd, maar toen hij opstond schoot een zó felle pijnscheut door zijn hoofd, dat hij ter plekke flauwviel. De inderhaast geroepen geneesheer had hem drie dagen bedrust en een koud kompres op de pijnlijke plek voorgeschreven.

De eerste twee dagen bracht hij in bed door, slapend en doezelend. Slechts af en toe gewekt door zijn hospita die hem van een verse pot thee kwam voorzien en vroeg of hij ‘echt niets te eten beliefde’. Gisteren had hij toegelaten dat mevrouw Scales hem moederlijk op krachten liet komen met een licht ontbijt, een iets steviger lunch en tenslotte een gastronomisch avondmaal.

Hij had die laatste dag niet zoals voorgeschreven in bed, maar in zijn comfortabele leesstoel doorgebracht, bladerend en soms stukken lezend in een dik filosofisch werk. Hij had het boek aangeschaft omdat in de kringen waarin hij graag verkeerde soms filosofen werden geciteerd en hij ook eens graag een duit in het zakje wilde doen. Maar hij bleek weinig op te hebben met filosofie en de stelling van een hem verder onbekende schrijver: ‘Angst is de moordenaar van het verstand’, had hem zelfs ronduit lachwekkend geschenen.

Nee, Edward Teach de derde was geen man die door angsten werd gekweld. Hij was het voorval tijdens het scheren alweer vergeten, toen hij tijdens het ontbijt in zijn blinkend gepoetste mes opnieuw een schim zag. Zijn adem stokte. Snel wierp hij een blik achter zich, maar in de ontbijtkamer was niets te zien behalve de gebruikelijke zaken en niemand behalve mevrouw Scales die bij het buffet stond te rommelen.

Edward gunde zichzelf die ochtend de luxe van een taxi naar het werk. Dat zou langzamer gaan dan met de ondergrondse, maar de drukke ochtendspits durfde hij met zijn gekwetste hoofd nog niet aan. Aan het einde van de middag, op weg naar huis, nam hij zijn vertrouwde trein. Zijn baas had hem de hele dag ontzien met eenvoudige opdrachten en hem wat vroeger naar huis gestuurd, omdat hij er in diens ogen nog moe uitzag.

In de trein was het rustig en Edward verdiepte zich in de avondcourant. Pas vlak voor zijn station wierp hij een blik in het donkere, spiegelende glas. En daar was het opnieuw. Nee, niet achter hem. Was het dan misschien buiten de trein? Achtervolgde het monster hem soms?

Nog lijkbleek haastte Edward zich het pension binnen. Mevrouw Scales, die schrok van het ziekelijke uiterlijk van de jongeman, het grijsgrauw van zijn huid werd versterkt door de zwarte zeem van zijn baardstoppels, bood aan een bad en daarna een stevige maaltijd klaar te maken. Het aanbod van het bad nam Edward dankbaar aan, maar het avondmaal wimpelde hij af, omdat hij zich herinnerde dat hij die avond met zijn chique vrienden naar de opera zou gaan en met aansluitend een souper.

Na het verkwikkende bad en een scheerbeurt, kleedde Edward zich in zijn uitgaanskostuum, dat eigenlijk boven zijn budget was geweest. Maar, zo hadden de verkopers drie man sterk hem verzekerd, het was de investering meer dan waard. De jongeheer kreeg er een adellijk voorkomen door. Om voor de zekerheid een confrontatie met de spiegel te vermijden, vroeg Edward aan mevrouw Scales om zijn vlinderdas goed te schikken.

Zijn vrienden, die hem met de limousine van één der vaders afhaalden, toonden zich onder de indruk. Helaas niet van zijn nieuwe kennis van de grote filosofen, maar van zijn ongeluk, waarvan een forse buil en omringende blauwe plek de nadrukkelijke getuigen waren. Ze lieten hem uitgebreid vertellen over zijn val, de daarop volgende flauwte en de weg naar zijn herstel. Edward genoot van de belangstelling en vertelde in geuren en kleuren. Alleen zijn ervaringen met de spiegels verzweeg hij angstvallig.

‘Je hebt nog geluk gehad’, meende één van de vrienden. ‘Is je vader niet gestorven na een val?’

‘Dat was na een ernstige val van een paard,’ beaamde Edward, die de herinnering pijnlijk vond. Zijn vader was na die val nooit meer de oude geworden. De voorheen joviale man en liefhebbende vader en echtgenoot, was erna prikkelbaar en lichtgeraakt, met verontrustende woedeaanvallen als gevolg. Bij zijn laatste woedeaanval was Edward senior in razernij de straat opgelopen en had onder de wielen van een vrachtwagen de dood gevonden. Edward junior was toen pas tien jaar oud.

‘En hoe zat het ook alweer met je grootvader? Is die niet ook ellendig aan zijn einde gekomen?’ vroeg een ander.

Zijn grootvader was om het leven gekomen toen zijn vader nog niet was geboren. En zijn grootmoeder was in het kraambed gestorven. Zijn vader was als wees opgegroeid in de Caraïben en daar deden de meest wilde verhalen over zijn grootvader de ronde. Hij zou piraat zijn geweest en op de vlucht voor de Britse marine met zijn schip zijn vergaan.

‘Mijn vader heeft nooit geloof gehecht aan die verhalen en ik doe dat ook niet. En ik ben niet van plan voortijdig aan mijn einde te komen’.

Tijdens de voorstelling, een schitterende eerste uitvoering van de Pirates of Penzance van Gilbert&Sullivan, liet de gedachte aan zijn vader en grootvader Edward niet los. Zijn moeder was na een gepaste rouwperiode hertrouwd met opnieuw een liefhebbende man en goede stiefvader en in het gelukkige gezin was de herinnering aan zijn echte vader op de achtergrond geraakt. Edward had nooit de behoefte gevoeld zich in zijn familiegeschiedenis te verdiepen. Opeens ervoer hij dat als een gemis.

Bedrukt door zijn herinneringen besloot Edward na afloop van de voorstelling niet meer met zijn vrienden mee te gaan. Onder het excuus erg moe te zijn als gevolg van zijn ongeval, verliet hij de groep en wandelde naar huis.

Mijmerend liep hij door de haast verlaten straten, glimmend van de regenbui die blijkbaar tijdens de operavoorstelling was gevallen. Hoe zou het werkelijk hebben gezeten met zijn grootvader? Stel dat de verhalen een kern van waarheid bevatten en dat zijn opa werkelijk een zeerover was geweest? Een misdadiger dus en nog wel één van de gewelddadige soort. En wat was er met zijn vader aan de hand geweest? Hoe had het gekund dat zo’n zachtaardige man was veranderd in een boosaardig, ruziezoekend mens met duivelse trekken? De gedachten deden hem huiveren. Stel dat hij iets van deze kant had geërfd?

Toen hij op Waterloo Bridge bijna in een grote plas stapte, schrok Edward op uit zijn gedachten. Vanuit de plas grijnsde een kwaadaardig creatuur hem toe. In paniek sprong Edward achteruit. Hij struikelde over een loszittende klinker en verloor zijn evenwicht. De borstwering van de brug bleek te laag om hem te kunnen opvangen. Vlak voor hij het ijskoude water van de Theems raakte, dacht Edward: ‘Angst is de moordenaar…’

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch