Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Morgen begin ik

Door Jornert Glimmerveen

Ik reed met mijn PostNL fietstassen weer verder. Hoewel ik pas anderhalf uur bezig was, zat mijn werkdag er al bijna weer op. Ach ja, het stelt ook niet zoveel voor bedacht ik, dat hele postlopen. Het was alleen maar even voor nu, zodat ik even wat geld had. Ik zou dit niet altijd blijven doen, welnee. Ik heb grootse plannen, weet ik, terwijl de auto’s achter mij beginnen te toeteren. Altijd vervelend, mensen die zich druk maken om niks. Grootse plannen heb ik, voor mezelf dan. “Waarom ben je dan nog steeds postbode?” Ach, dat stomme stemmetje in mijn hoofd weer. Dat gaat je niks aan, denk ik terug. Ik doe wat ik wil, op mijn eigen tempo, terwijl ik oversteek. De auto’s achter mij toeteren nog harder. Niet goed uitgekeken zeker. En inderdaad, even later voel ik dat ik moet zijn omgevallen met fiets en al. Toeterende auto’s, schreeuwende mensen. Nou nou, wat een drukte zeg, het valt allemaal wel mee hoor, denk ik. Ik sta snel op, en loop met mijn fiets aan de hand weer verder.

Onder het postlopen denk ik weer verder aan mijn plannen. “Wat wil je dan gaan doen?” Het stemmetje weer. Stil jij! Ik weet wel wat ik wil, dat hoef ik niet verder uit te leggen. Ik weet het. “Nou, doe er wat mee dan”. Straks, ik ben nu toch post aan het lopen denk ik, terwijl ik de vriendelijke buurman groet. Plots word ik staande gehouden door een man. Hij is helemaal gekleed in het zwart. Zelfs zijn paraplu is zwart. “Goedemiddag meneer”, groet hij. “Hallo” antwoord ik aarzelend. Wat zou hij van me willen? “Ben je al lang postbode?” “Ja een paar jaar al wel”. “Wil je dat altijd blijven doen?” Hij lijkt het stemmetje in mijn hoofd wel, ook al zo vervelend. “Nou, dat weet ik niet zo goed”, zeg ik, terwijl ik verder loop, hopend dat die rare man niet meekomt. Dat doet hij wel natuurlijk. “Ach ja, de toekomst is ook zo onzeker hè”. “Ja dat zal wel inderdaad”. Wat moet je daar nou op zeggen? “Wat zou je zeggen als ik je een baan aanbood?” Ik blijf staan. Dit is wel wat gek bedenk ik bij mezelf. “Een baan?” vraag ik, met een sceptische blik. “Meer een mogelijkheid eigenlijk.” “Oké…” “Daar is wel een voorwaarde aan verbonden natuurlijk”. “Wat voor voorwaarde” vraag ik, terwijl ik niet zo goed weet waarom ik überhaupt nog met deze rare man in gesprek ben. “Je moet alles achter je laten. Alles. Je hele leven, je baan, je vrienden en familie. Alles.” Dus toch een gek. “Dat moet dan wel een hele bijzondere baan zijn” zeg ik, terwijl ik niet probeer te laten merken wat ik over de man denk. Je moet je toch een beetje fatsoenlijk gedragen hè. “Dat klopt, de meest bijzondere baan die je je ooit kunt voorstellen. Ik kan alleen niet zeggen wat voor baan.” Mijn verbazing moet van mijn gezicht af te lezen zijn, maar toch vraag ik “Dat kunt u toch niet menen? Wie zou dat nu doen? Alles achter laten voor iets waarvan je niet eens weet wat het is?” “Heb jij zoveel dat je zou missen dan?” “Dat gaat u volgens mij niks aan meneer. En trouwens, waarom spreekt u mij eigenlijk aan? Met dit rare aanbod nota bene!” “Ooh, maar je moet niet denken dat je speciaal bent hoor. Iedereen krijgt deze kans eens in zijn leven.” “Niet zo’n goede verkoper, of wel meneer?” Hij glimlacht. “Beter dan je zou denken.” Ik begin me ondertussen een beetje zorgen te maken. Deze man is zonder twijfel niet goed bij zijn hoofd, en er is helaas niemand anders in de wijk waarin we staan te praten. Wat als hij me opeens aanvalt en berooft? “Nou hoe dan ook, ik kan me moeilijk voorstellen dat er iemand is die zijn hele leven zou willen achterlaten voor het onbekende.” Toch maar met ratio proberen tijd te winnen. Ooit zou hij wel weggaan, toch? “Is elke nieuwe stap in je leven niet een sprong in het onbekende?” Goh wat uitgekauwd zeg, de man lijkt wel een lopende Happinez. “Tja, dat zou wel kunnen ja”, zeg ik maar. Moet ik hier echt serieus op in gaan? Nou vooruit maar. “Dan laat je toch niet je hele leven achter? Je vrienden en familie neem je eigenlijk overal mee naartoe toch?” De man glimlacht weer. Stomme glimlach; hij lijkt me wel uit te lachen. “Dat klopt, die neem je overal mee naartoe.” “Nou dan heeft u daarmee uw antwoord denk ik. Ik ga niet een onbekende baan aannemen van de eerste de beste gek die ik tegenkom!” Oeps, nu heb ik hem per ongeluk een gek genoemd. Nou ja, hij was ook wel erg raar aan het doen, en ik moet nog post bezorgen. De man glimlacht weer. “Dat had ik ook niet gedacht eigenlijk. Jij durft nooit die stap te nemen hè? Altijd hoop je dat dingen vanzelf gaan, dat je nergens iets voor hoeft te doen. Ik moest het toch aanbieden.” Ik krijg een angstig gevoel. Kende deze man mij soms? En waarom lijkt het alsof hij langzaam verdwijnt? “Je mag nu weer terug, voor eventjes dan. Ik zal je niet weer zien, dus ik zal niet tot ziens zeggen. Goede reis dan maar.” En inderdaad, de man verdwijnt langzaam. Of verdwijn ik langzaam? Ik open mijn ogen. Er zijn allerlei mensen die om mij heen gebogen staan. Ik lig volgens mij op de grond. Alweer gevallen? Ik probeer op te staan, maar dat lukt niet. Ik wil om hulp vragen, maar mijn stem lijkt te zijn verdwenen. “Zal hij het redden?”, vraagt een van de mensen. “Nee, het is een wonder dat hij de klap overleefde”, hoor ik iemand anders zeggen. Klap? Overleven? Waar hebben ze het in hemelsnaam over? “Ik toeterde nog wel, ik toeterde heel vaak!” hoor ik een vrouw hysterisch schreeuwen. Weer zo’n persoon die zich druk maakt om niks. Er is toch niks gebeurd? “Het is niet jouw schuld schat, hij keek zelf niet uit”, hoor ik haar man zeggen. Nou sorry hoor, ik was gewoon druk bezig, denk ik terug. Waarom kan ik nou niet praten? En waarom kan ik me niet bewegen? Ik ben toch niet…? Kwam daarom die man naar mij toe? Het aanbod kwam mij opeens ook een stuk minder vreemd voor. Maar dat zou betekenen! Ooh God nee… Ik wist het niet! Dat is niet eerlijk! Ik vecht, probeer overeind te komen, probeer om hulp te vragen. Nee nee nee! Ik wil niet! Zo kan het niet eindigen! Een enkele traan loopt over mijn wang. Mijn plannen, denk ik nog, ik had nog… Wilde nog… Kon nog… Zoveel meer… Dan wordt alles zwart.

Ik word met een schok wakker. Wat een vreselijk droom! Ik zit rechtop in bed. Naast me zie ik mijn vriendin die gelukkig niet wakker is geworden. Ik ga weer liggen. Ik probeer niet de denken aan de droom, en focus me in plaats daarvan op de sollicitatie die ik wil versturen vandaag. Of nou ja vandaag, misschien kan dat beter morgen. Vandaag maar even bijkomen van die vreemde droom. Ja, morgen is vroeg genoeg denk ik nog, terwijl ik weer in slaap sukkel. Vanuit mijn ooghoek zie ik een zwarte paraplu op onze slaapkamer. “Dat is gek, stond die daar altijd al?”, is het laatste wat ik denk voordat ik weer in slaap val.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch