Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Nachtmasker

Door Laurens van den Broek

De schroeiende droogte van de afgelopen weken maakt dat ik de regen met open armen verwelkom. Lauwe druppels kussen mijn voorhoofd, verkoelend, verdovend. Het ritmisch patroon van vallend water dat boombladeren raakt stemt me kalm; met de ogen gesloten snuif ik de drukkende avondlucht op.

Nog even en de zon gaat onder achter het dansende silhouet van het in de verte gelegen Yamoussoukro, stad van ambtenaren. Het mag dan de administratieve hoofdstad zijn, Abidjan is waar het hart van Ivoorkust klopt.

Achter me wordt een tent zacht ritselend geopend. Aan zijn onregelmatige tred is te horen dat mijn gids nog niet helemaal wakker is. Ik open mijn ogen. Hij komt naast me staan, het hoofd gebogen, gemelijk in zijn ogen wrijvend. Dan slaat hij haastig een kruisje en kust de gouden hanger om zijn nek.

‘God zit in de regen,’ zegt hij het hoofd opheffend. Plukken kroeshaar op zijn hoofd veren heen en weer. Zijn tanden lijken okergeel in het dovende daglicht, evenals het wit in zijn bloeddoorlopen ogen.

‘Dan hoop ik dat Hij zich gedeisd houdt vannacht.’ Zijn gebit verdwijnt achter een glimlach. De taal van zijn stam ken ik niet, maar we spreken beide een aardig woordje Frans.

‘Het zal niet al te hard gaan regenen, de wolken zijn niet donker genoeg.’ Een lichte teleurstelling klinkt door in zijn stem.

‘Dat is gunstig, denk je niet?’ Achteloos knik ik richting de schemering en pas daarna besef ik waarom hij dat zei.

‘Voor de vangst allicht. Voor de gemoedsrust iets minder.’

Ondanks de bewolking lijkt de regen niet in hevigheid toe te nemen. Mijn gids heeft gelijk, deze bui zal niet lang duren. Hij kijkt beteuterd omhoog. Ik werp een blik naar beneden. De droge grond wekt de indruk te ademen door het opspringende stof.

‘Zolang ik je ken ben je de rust zelve, Kouassi.’

Een stilte. De ritmiek van de regen laat zich erdoor onderbreken.

‘Als je zoveel hebt meegemaakt als ik, dan is elke nacht dolen er een teveel.’

Langzamerhand is de glimlach veranderd in een grimas. Zijn gekerfde ziel laat zich soms hardop gelden. Dat zijn momenten waarop ik liever niet met Kouassi in discussie treedt. In het kielzog van talloze burgeroorlogen is het al moeilijk zat om je hoofd boven water te houden. Deze nachten brengen hem terug naar die gruweldagen vol gruweldaden, maar ik weet dat Kouassi zich sterk zal houden. Hij heeft geen keus.

De sporadisch vallende regendruppels smelten samen en vormen trage stroompjes op zijn blote bovenarmen, kleurloze wichelende wormpjes die hun weg de aarde in zoeken. Die machtige armen van hem. Mijn hand zoekt zijn bonkige schouder.

‘Kom, eerst een sterke kop koffie vooraleer we onze kunsten weer mogen vertonen.’

‘Mogen? Paljas. Enfin, ik zal het vuur aanslingeren. Er is genoeg sprokkelhout om het weer op te stoken.’

Een aantal minuten later, wanneer het kampvuur aangewakkerd is en de regen gestopt, giet ik het kokende water bedachtzaam door een lap stof waarin de koffie gevangen zit. Terwijl de donkerbruine vloeistof de aluminium beker vult, reikt Kouassi zijn mok aan.

Een omgevallen boomstam doet dienst als zitting. Ik neem naast Kouassi plaats en geef hem zijn koffie. De mok verdwijnt in zijn enorme hand. Met gesloten ogen ruikt hij aan de warme wasem die boven de mok uitstijgt.

‘Ah, de penetrante geur van dwang in de ochtend.’

‘Toe, Kouassi, waar is die glimlach van zojuist gebleven?’

‘De harde realiteit heeft hem in slaap gesust in de tent. Iemand moet het bed bezetten.’

‘Jouw ochtendhumeur heeft meestal wat vertraging.’

‘Ochtendhumeur, gewetenswroeging, het is maar welke naam je het beestje geeft.’

Het is ook geen gemakkelijke tak van werk waar we ons in hebben gestort. Ik besluit er niet op in te gaan en tuur voor mij uit. Kouassi neemt een slok van zijn koffie.

‘Hoe smaakt het?’

‘Te sterk, zoals altijd.’

Om ons heen komen de insecten tot leven. Overdag laten ze zich niet zien door de hitte, maar ’s avonds barst het jacht-, neuk- en vreetfestijn der geleedpotigen los. De jungle is één grote darkroom voor dieren.

Ik blaas en neem voorzichtig een slok. Kouassi ziet mijn gezicht verschieten en schiet in de lach.

‘Elke keer weer.’ Ik sis van de pijn, maar Kouassi fleurt ervan op. Elke keer weer.

‘Daar. Hou die lach vast, oké?’ zeg ik, en lach met hem mee.

‘Vooruit, genoeg… Ik mag de Heer op mijn blote knieën bedanken dat ik mijn familie nog kan zien.’

‘Ik heb liever dat je mij gewoon Hugo noemt.’ Een seconde later golft de doffe dreun door mijn ruggengraat, gevolgd door een liefkozend ‘Imbecile.’ Ik voel de zoete wraak van de Heer in mijn schouder branden. Hoewel Kouassi een uitstekend verkondiger van boodschappen is, spreken zijn vuisten pas echt boekdelen. Waarover gesproken…

‘Vertel nog eens een tribaal verhaal, partner.’ Een vast ritueel bij de eerste kop koffie van onze werkdag. Zijn verhalen stemmen mij rustig en hij geniet ervan ze met mij te delen.

‘Een korte dan. Zoals je weet waren er in het begin geen verhalen in onze wereld, en moest de schurkachtige spin, Anansi de Onrustzaaier, ze lospeuteren bij Nyame de Almachtige Hemelvader. Daarvoor moest hij Onini de Python, Osebo de Luipaard en de Mmoboro Horzels vangen en afleveren bij Nyame, pas dan zou de wereld gevuld worden met verhalen.’

‘Nyame, ja, dat verhaal heb je al eens verteld.’

‘Maar ik heb je nog nooit over Osebo de Luipaard zelf verteld, of wel? Over hoe hij werd gevangen door Anansi?’ Ik denk na.

‘Er gaat geen belletje rinkelen.’

‘Voilà, Osebo liet zich gemakkelijk in de luren leggen. Elke nacht liep Osebo hetzelfde pad door het oerwoud. Anansi groef ergens op dat pad een diepe kuil. Daar legde hij een stuk vers vlees in dat hij in één van zijn vele webben gevangen had.’ Kouassi’s diepe stem stokt, hij kucht en hervat het verhaal.

‘Osebo, die te boek stond als een woesteling, kon de hemelse geur van het vlees niet weerstaan en zocht een manier om zonder al te veel moeite bij het vlees te komen. Het had geregend en de grond was zo glad als nat gras. Je kunt wel raden wat er toen gebeurde toen hij rond de kuil cirkelde.’

‘Een muil vol modder in plaats van vlees?’ Een mug landt op mijn arm en ik sla hem dood.

‘Precies. Nu had Anansi waar hij Osebo wilde hebben. Om zijn vertrouwen te winnen, riep Anansi dat hij Osebo wilde helpen. Als blijk van hulp liet hij een stok, gewikkeld in zijn plakkerige spinrag, naar beneden zakken. Osebo, te goed van vertrouwen, greep de stok en klauterde langzaam omhoog. Eén probleem.’

‘Zijn klauwen zaten vastgeplakt.’

‘Heel scherp. Toen besefte Osebo dat hij de grootste en tevens zijn laatste fout had gemaakt.’ Kouassi gebruikt zijn duim als een denkbeeldig mes en haalt hem langs zijn nek.

‘Geen slechte tactiek van Anansi,’ jok ik. Luipaarden zijn namelijk uitermate kundige klimmers. Een paar uitstekende boomwortels had al een uitweg kunnen zijn voor een slimmer exemplaar, maar het is niettemin een vermakelijk verhaal.

‘Osebo was een majestueuze luipaard, maar een kuil met vers vlees erin? Zijn verstand was bij de eerste blik al de diepte in gevallen,’ grijnst Kouassi. We lachen en drinken onze bodempjes koffie op. De straffe smaak doet mijn keel samentrekken.

‘Tijd om te gaan, partner. Laten we de Osebo’s van het hier en nu in de val lokken.’

‘Oui, Hugo.’

Zwijgend loopt Kouassi naar onze tenten en begint ze af te breken. Ik spoel de bekers om. Het kampvuur dooft vanzelf, maar om het proces te bevorderen giet ik het overige water over de resten en schuif er aarde op. Morgen staan we elders; de dag dat we gesnapt worden is de dag waar ik voor vrees.

De oude karabijn laat ik van mijn schouder afglijden. Mijn handen doen zonder nadenken een routinecheck van het geweer. Het magazijn is vol, de kamer leeg. Ik doe de veiligheidspal er weer op, de verweerde lederen riem leg ik terug over mijn schouder. Een karabijn is niet ideaal voor de klus, maar een luipaard krijg je er wel plat mee. Eén panter voor tijdelijke vrijheid, een dozijn vellen voor een zorgeloos jaar, een gros voor een vrij leven.

Voor Kouassi is het de enige manier om zijn familie te onderhouden. Systematische uitroeiing als pleister op een opengereten bestaan. Hij meldt zich naast me, maar laat de stilte aan het woord. Mijn blik valt op zijn voeten, die bezaaid zijn met littekens. Dwarrelend stof tussen zijn tenen doet denken aan het magnesium van een turner die zich opmaakt voor de wedstrijd.

Het moment is aangebroken. Ik kijk Kouassi aan, hij knikt. Aan zijn gezicht zie ik hoe hij de spanning als een nachtmasker draagt. Synchroon waren we de ontluikende duisternis in, de dekens van muggen tegemoet. Onder de groene gewelven van het woud gaan we op zoek naar vachten van knisperend papier.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam