Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Meer weten?

Sluiten

Naspel

Door Roeland Bol

Geloven is een zinvolle invulling van het zinloze bestaan. Ik geloof niet. Het past niet bij de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van de natuurlijke loop van dingen die ik in mijn leven heb ondervonden. Je wordt geboren, ondergaat enige scholing en daarna vangt het werk aan. Het is deze arbeid die adelt en zin geeft aan de lange ademteug tussen wieg en graf. Dat is tenminste het geval wanneer je, net als ik, in de gelukkige omstandigheid bent dat je niet dom bent geboren of suf gewiegd. Er zijn er velen die het minder goed getroffen hebben. Zij hebben van de meest simpele handelingen hun professie gemaakt en werken aan lands loketten en lopende banden. Goed, ze stimuleren de economie maar wel door producten te verpakken die zij zich zelf niet kunnen veroorloven en door auto’s in elkaar te zetten waarin zij zelf nooit zullen rijden. Stakkers zijn het, deze werkende armen van geest. Hen wens ik een geloof toe. Een geloof dat zij na dit leven alsnog ontvangen al wat zij hier op aarde zijn misgelopen.

Mijn vrouw Jeannette geloofde ook. Zij geloofde meteen in mij toen ze mij bij de bridgeclub zag. Ook wist ze meteen dat ik de man was waarmee zij de rest van haar leven zou delen. Hoe zij dit zo zeker wist zal voor mij altijd wel een mysterie blijven. Mijn geloof in haar en in ons als koppel kwam bij mij pas maanden later en zeker niet zo plotseling. Pas na verloop van tijd is bij mij het besef gekomen dat wanneer ik nu zo nodig moest trouwen het maar het beste met haar kon zijn.
Door plicht sterft de liefde en in die tijd was ik voornamelijk druk met alle verplichtingen die bij mijn werk hoorden. De beste jaren van mijn leven heb ik in kantoorgebouwen doorgebracht. Veertig jaar ploeteren in de loopgraven van de ambtelijke dienst en slechts een gouden horloge als zichtbaar wapenfeit. Ik draag dat prul al jaren niet meer. Ik weet zelfs niet eens meer waar ik het heb opgeborgen. Ooit zal het kleinood wel een mooie vondst worden voor een van mijn kinderen die dan opgetogen zal prevelen dat zijn vader toch wel een eerzaam leven heeft geleefd voordat alles zo vreselijk misging.

Zo vlak na mijn pensioen kon ik mij nog wel vermaken. Ik bezocht oude kameraden van vroeger, ik las dagelijks twee of drie kranten, ik puzzelde wat. Mijn vrouw vond dit allemaal prachtig. Ze hield van het feit dat ik nu dagelijks samen met haar thuis was. Ze verzorgde het ontbijt, bracht mij om een paar uur een kop koffie en liet geen moment onbenut om te zeggen hoe fijn ze het vond om mij nu hele dagen voor zichzelf te hebben. Na enkele maanden had ik er een gewoonte van gemaakt om van tijd tot tijd zacht iets door de kamer te brommen. Niet dat ik echt iets zei maar zo leek het nog alsof ik nog iets te zeggen had. Mijn vrouw stak dan steevast even haar hoofd om de keukendeur en bazelde iets terug, voornamelijk dat ik zo onverstaanbaar was.

Na twee jaar vond ik het wel welletjes en besloot ik om mij niet meer aan te kleden. Ik kwam toch nauwelijks meer buiten. Mijn vrouw deed eerst of dit de normaalste zaak van de wereld was. Ze bleef mij ontbijt en koffie brengen en sprak over het nieuws in de wereld alsof wij hier het middelpunt van waren. Toen ik na enkele weken ook de moeite niet meer nam om uit bed op te staan belde ze met de huisarts. Deze beste man had waarschijnlijk een doodziek persoon verwacht want de verbazing was van zijn gezicht af te lezen toen ik hem bij aankomst groetend mijn hand toestak. Geen woord heb ik echter met hem gewisseld. Ik heb mijn lippen stijf op elkaar gehouden ook toen de kinderen beurtelings aan mijn bed kwamen. Mijn vrouw werd er radeloos van.

Nu woon ik al enkele maanden in een verpleeghuis. Ik heb een nette diagnose gehad, iets met spieren die uitvallen en bij mij zijn dit dan net toevallig de spieren die je nodig hebt om te spreken. Voor enkele medebewoners draai ik op woensdag een plaatje, op donderdag help ik in de bibliotheek en twee avonden in de week help ik met het schillen van aardappels in de keuken, waarna alle verzorgers dan weer hun verbazing uitspreken over mijn nog steeds feilloze motoriek. Afgezien van mijn vrouw die mij om de dag komt bezoeken heb ik hier prachtig leven. Ik geloof dat ik hier wel honderd kan worden.

geen reacties
0 Fictie

Absoluut

Tammo Ponte

0 Non-fictie

Miami

Stephan van Erp

2 Non-fictie

Migraine

Alexander Roessen