Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Nieuwe schoenen

Door Lianne Damen

Al mijn hele leven loop ik op blote voeten. Het heetste zand of het scherpste grind kan me niet deren. Ik ben eraan gewend geraakt, zoals ik aan bijna alles in het leven gewend ben geraakt. Aan de eeltige rand aan de binnenkant van mijn handen van het werken op het land, de gammele muren van mijn huis, de brandende pepers in de rendang van mijn vrouw, aan de splinters in het houten bruggetje over de kali, de muggen die ’s nachts rond mijn klamboe zoemen, de Hollandse woorden die ik voor het gemeentehuis bewaar, aan de te korte bezoekjes aan mijn kleindochter voorbij de Puncak. Gewoontes houden me op de been, ze zijn mijn vrienden die me de dag door helpen, die me de oorlog door hebben geholpen en die me bijstaan als ik in aanvaring kom met om het even de Hollandse baas of het dessahoofd. Ik ben inmiddels zeventig jaar oud en wil niets liever dan op die gewoontes blind varen. Voor mij hoeft er niets meer te veranderen. Ik weet wat ik kan verwachten, veel meer zal het nooit worden. Ik heb er vrede mee. Iedereen die me ervan probeert te overtuigen verandering na te streven wijs ik de deur. Alleen mijn kleindochter in het dal verderop kunnen blijven zien, verder telt niets.

Ik moet hoesten van de rook die al dagenlang blijft hangen. De jongeren die de onafhankelijkheid nastreven hebben de theefabriek in brand gestoken. Ik weet niet wat ik daarvan moet denken. Zijn we niet veel te onmachtig het op te nemen tegen de Hollanders? De Japanners hebben ons doen geloven dat de vrijheid binnen handbereik was, maar ik merk daar niks van. De Japanners brachten hem in ieder geval niet voor ons mee, integendeel. Ik kijk naar de handen van de soldaat tegenover me die zijn geweer met kracht omklemt. Hij is niet lang geleden vanuit Den Haag ingevlogen. De Klein staat er op zijn jas. Ook dat nog. Ik vraag me af of de jongen wel weet waaraan hij begint. Al heeft hij wapens, de tegenstander is vastberaden, dat weet ik wel. De man lijkt zelfingenomen met zijn mooie leren schoenen. Misprijzend kijkt hij naar mijn blote, eeltige voeten, die kaal onder mijn broek uitsteken. Ik schaam me, maar snap eigenlijk niet goed waarom.

Ik mag met Koesno en zijn maten in de auto’s meerijden, verdeeld over de verschillende voertuigen, om de weg te wijzen. Een paar dorpen verderop houden zich vrijheidsstrijders schuil die onze wedono hebben vermoord. Dat verstoort het evenwicht. Van de opvolger is niet meteen wat goeds te verwachten en met ons oude dessahoofd kon ik aardig overweg. Van hem mocht ik met enige regelmaat naar de Puncak voor mijn kleindochter. Als hij niet was vermoord, was ik niet eens meegegaan op deze expeditie. Ook nu heb ik overwogen thuis te blijven, maar de druk van de jongens was te groot. Ik moet aan mijn familie denken.

De auto’s botsen en stuiteren over de weg. Plotseling houden ze halt. Er is een wegversperring van bomen, behoorlijk diep, zo lijkt. De bomen en takken zijn te zwaar om aan de kant te kunnen schuiven. Er wordt bevolen uit te stappen. Ik ben blij dat we de auto uit mogen. Zelf loop ik deze route normaal gesproken, ik ken de weg. Maar nu realiseer me dat ik behalve op de obstakels mijn ogen ook op de bomen boven me gericht moet houden. Apen die me mijn spullen kunnen afnemen zijn nu mijn zorg niet. Er is voldoende ruimte tussen de omgevallen stammen om tussendoor en overeen te kruipen. Af en toe moet ik inhouden om de Hollanders bij te laten blijven. Brullende apen schieten in de boomtoppen boven me van tak naar tak. Ze zijn onrustig. Nu hoor ik ook het geritsel dat zij horen. Ik sein voorzichtig met mijn hand. De majoor let goed op. In mijn ooghoek zie ik een jongen naar beneden suizen en in de diepte van het ravijn verdwijnen. De soldaat met de mooie schoenen zie ik verkrampen. Hij probeert naar me te lachen, maar dat mislukt jammerlijk.

Na een kort moment van twijfel besluit de majoor weer door te lopen. Geregeld kijk ik achterom of de manschappen me kunnen volgen. Aandoenlijk hoe de jongens hun best doen ferm over te komen. Een van de mannen – ze klagen allemaal over de warmte – was zo onverstandig een korte broek aan te doen. Zijn benen zitten vol bulten en schrammen. Ze worden onrustig als in de verte schoten te horen zijn. We naderen ons doel nog niet. Ik hoor de tong-tong van ons buurdorp. De regelmatige slagen vermengen zich met mijn hartslag. Vrouwen en kinderen schieten de bossen in. Ik herken de zus van mijn vrouw, ik weet dat er nog meer familie moet vluchten. Ik bid dat de soldaten hun hoofd koel houden en onze aanwijzingen zullen volgen. Doorlopen moeten ze, niet schieten, door naar het volgende dorp. Daar houden de onruststokers zich nu op. Tenminste, een deel van hen. Het steilste stuk volgt nu. Met mijn blote voeten voel ik waar ik moet gaan. De gladde modder golft tussen mijn tenen door en laat een ingedroogd randje zand op mijn wreef achter. Achter me hoor ik het steunen van de Hollanders. Ze zweten bovenmatig, wat ze iets onwaardigs geeft. Ze bewegen zich voort als pasgeboren biggen, zwalkend en stuntelig. Als we bij de brug over de kali aankomen, die het begin van de kampong markeert, stuiten we op wachtlopers, die volkomen overvallen lijken door hun belagers en halsoverkop het dorp in rennen. Een van hen valt, in zijn hoofd geraakt, dood neer. Er volgt een bizar vuurgevecht. Granaten worden ingezet. Mijn hele lijf verstijft. Wie zijn er nog in het dorp? Ik kijk om me heen, voel me ongemakkelijk; alsof ik er niet echt ben. Overal gevaar. Wie moet je vertrouwen? Vreemd dat er in het dorp zelf niemand meer lijkt te zijn. Ze moeten toch voortijdig gewaarschuwd zijn. De Hollanders rennen langs me heen en steken alles wat op hun pad komt in de fik. Het lukt me me bij het bruggetje op te stellen als wachter; ik sta met mijn rug naar het dorp en tuur naar de bergen. Ik wil de huizen niet zien branden. Al het werk van al die mensen, al hun spullen, al hun herinneringen. Al hun onschuld. Al hun toekomstdromen. Ik hoop en bid dat er echt niemand is achtergebleven.

Koesno tikt me op de rug. Hij is mee geweest het dorp in. Het peloton volgt hem terug. Zijn ogen staan dof. Te klein, gebaart hij en hij reikt me een paar leren schoenen aan. Zwijgend passeert hij me. Ik zie dat de Hollanders een krijgsgevangene onder schot houden. Ook hebben ze een kleine brancard mee. Het meisje dat erop ligt, gewond aan haar benen, ken ik gelukkig niet. Nooit eerder gezien. Maar ze doet me denken aan mijn kleindochter en ik vloek binnensmonds. Leunend tegen de brug trek ik de schoenen aan en sluit de rij.

Glibberend de berg op lukt slecht met mijn gekooide voeten; ik heb nauwelijks grip op het grijze slib. Achter ons klinkt het knallen van de hete bamboestokken angstaanjagend als een salvo geweerschoten. Soldaat De Klein, die me eerder beschimpte om mijn blote voeten, lacht me toe. Of lacht hij me uit? Nu is hij het die me voor is. Als we bij de auto’s terug zijn ben ik blij dat we een stukje mogen rijden. Ik durf mijn schoenen niet open te maken of uit te doen, maar vermoed blaren en misschien wel bloed aan te treffen.

Onderweg stoppen we bij het huis van ons dessahoofd. Nog voor ik ben uitgestapt hebben ze zijn moordenaar als een zak rijst de jeep uitgesleept. Hij ligt al op de grond, bloed sijpelt over het rulle zand. Hebben we het opgelost? Was dit de wraak. Van wie? Van de Hollanders of van ons? Is dit het dan geweest? Ik trek langzaam mijn schoenen uit. Mijn voeten zijn kapot; blaren, bloed vermengd met misplaatste schaamte. Of is mijn schaamte gegrond? Te klein? Ik zal mijn vrouw vragen mijn voeten te verbinden. Ik slinger de schoenen over mijn schouder, ze blijven aan hun veters hangen. Koesno weet er wel iemand anders voor. De auto’s van het peloton verdwijnen langzaam uit het zicht. Voorlopig. Uit het zicht. Ik neem me voor de schoenen nooit meer te dragen. Ik neem me voor nooit meer mee op patrouille te gaan. Ik neem me voor niet te verlangen naar vrijheid. Alleen mijn kleindochter blijven zien. Verder neem ik me niks meer voor.

2 reacties

Lianne

woensdag, 14:51

Dank je wel, Hendrina!

Hendrina

woensdag, 08:58

Heel indringend geschreven, goed hoor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch