Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Oliebollen in de zomer

Door Gerardus J. Visch

Als Adriaan had geweten hoe hij zich zou voelen aan het eind van de middag was hij nooit de straat opgegaan. Hoewel hij het lichtknopje blindelings kon vinden liep hij in het schemerduister van het trappenhuis naar beneden en trok de buitendeur behoedzaam achter zich dicht. De scooterklootzakjes van de overkant hadden hun glimmende vehikels weer dwars op de stoep geparkeerd, hij wierp een snelle blik achter zich en stak het fietspad over. Sinds de wijk de naam van een minister als handelsmerk mocht voeren was het plein omgetoverd tot een voetgangersvriendelijk gebied met hip straatmeubilair. De oorspronkelijke middenstanders waren bijna allemaal verdreven door handige horecaondernemers, die vrijwel alle beschikbare ruimte hadden omgetoverd tot caféterras. Daarmee werd ook een nieuw publiek aangeboord, hipsters die vaak met hun MacBooks in de weer waren. Adriaan had de verandering van de buurt met een zekere onverschilligheid gadegeslagen, maar toen leefde Margot nog.

Hij liep verder en slalomde tussen mensen door die turend op hun telefoon plompverloren stil bleven staan. De zon scheen, het plein gonsde van opgetogen geroezemoes; gelukzalige blikken trokken zijn aandacht, hij dwaalde met zijn ogen langs de tafeltjes, moest gewoon kijken of hij wilde of niet. Het werkte aanstekelijk, Adriaan zag vingertoppen over een wang strijken, een mond die woorden vormde die een lach om andere monden toverde, een sigaret die aangereikt en met een verliefde glimlach overgenomen werd. Hij voelde de energie, want al had hij de ietwat aarzelende gang van een man die al tijden vermeed iemand te spreken, nu zette hij er doelbewust de pas in: op naar de bakker! Naar het winkelmeisje van de bakker…

Plotseling hoorde hij zijn naam roepen, en meteen zag hij zijn overbuurvrouw. Ontwijken was onmogelijk zonder bot te zijn, ze stond haast met gespreide armen op hem te wachten. Eén massief blok Amsterdamse hartelijkheid. Ze was meer een vriendin van Margot geweest, vooral in die hoedanigheid kende Adriaan haar. Al zijn buren waren meelevend toen zijn vrouw plotseling overleed. En dat overlijden was onverwacht, zij was tenslotte een half leven jonger dan hij. Het reduceerde hem tot een man waarvan je meewarig in de gaten hield of hij niet beetje bij beetje vervuilde, op weg naar een leven als dakloze. Dat voelde hij als hij bij zijn buurtcafé de kranten ging lezen, als hij sigaretten ging halen en dat ging vooral op als hij van de slijter kwam. Was het onzin dat hij elke keer als hij de straat op ging de ogen van de buren in zijn rug voelde prikken?

“Goed je weer eens te zien Aad, en wat een lekker weer is het geworden hè? Hoe gaat het met je?”

De futiliteit van het bestaan wordt zelden beter geïllustreerd dan door de ontijdige dood van een partner. Het voortkabbelende leven wordt verstoord, vaste waarden blijken helemaal niet in beton gegoten, bekenden informeren op meewarige toon hoe het gaat, maar proberen meestal ook snel de hoek om te slaan, en ook het lijdend voorwerp maakt een ongemakkelijk moment door: de vraag hoe het gaat kan alleen gesteld worden omdat er een standaard antwoord verwacht wordt. Goed. Vriendelijk en bemoedigend glimlachen en gauw wegwezen. Goed…

Hij deelde in de uitwisseling van onbenulligheden, wist zich geen raad met de woorden die als vanzelf uit zijn mond rolden. “Misschien kunnen we eens samen koffie drinken, of…” bijna had hij samen eten gezegd, maar een onderdeel van een seconde aarzeling zette hij om in: “een wijntje, ’s avonds, bij jullie, of bij mij.” Waar je zin in hebt. Nu snel afsluiten en wegwezen, ik moet er vandoor, sorry…

De bakker had zich aan het andere eind van het plein gevestigd. Het was zo’n moderne zaak die zich weinig gelegen liet liggen aan de presentatie, de inrichting van de vorige winkel (de echte Volendammer vishandel) was weliswaar verwijderd, maar opgeknapt werd er niet veel. De muren waren bedekt met een soort zeil waarop modieuze prints de wachtende klant iets vertelden over de eenvoud en kwaliteit van de productlijn (het stond er echt!), waarin omschrijvingen als puur, eerlijk, en uiteraard zonder kunstmatige toevoegingen moeiteloos aaneengeregen werden. Het was het jargon dat van brood een moderne smaakbeleving maakte. En je kon er oliebollen kopen, het hele jaar door beloofde de tegenoverliggende muur monter. Daar stond ook een foto van de bakkers (het bleken bakkerszonen te zijn, het vak was ze met de paplepel ingegoten): recht afgeknipte baard, haar in een slordig knotje op het achterhoofd, armen over elkaar, zelfverzekerde blik. Die mannen gingen een relatie aan met hun klanten.

De eerste keer werd Adriaan aangesproken toen hij langs de winkel liep, een meisje in tuinbroek vroeg hem of hij een stukje ambachtelijk gebakken cake wilde proeven. Hij schudde automatisch van nee, hij ging nooit in op vragen die hem op straat gesteld werden en wilde doorlopen. Maar ze deed een stap opzij en versperde hem de weg. “Echt niet? De bakkerszonen zijn anders hoor, dit is echt lekker. We willen u graag kennis laten maken met…” Op dat moment keek ze hem recht aan, Adriaan voelde dat hij bloosde. Haar naambordje met het logo van de bakker hing scheef aan de band die haar broek ophield. Hansje. Ze legde haar vrije hand op zijn arm en maakte met het schaaltje cake een uitnodigend gebaar naar de winkel. “Kom, dan stel ik u even voor.” Binnen stond nog meer winkelpersoneel te praten met klanten, de sfeer deed eerder denken aan een gezellig café dan aan een bakkerswinkel. Er werd gelachen en er stond een blad met glazen pro secco.

Kun je het geheugen zo vertrouwen dat je een letterlijke gedachte weer kunt oproepen? Adriaan wist dat wat hij ‘als in zijn geheugen gegrift’ aanmerkte onzinnig moest zijn. Een guitig meisje. En: ze windt me om haar vinger. Feit is dat ze het voor elkaar had gekregen dat hij er vanaf dat moment vaste klant was. De dagelijkse gang naar de bakker werd een ritueel, en zoveel brood had hij helemaal niet nodig. Goed beschouwd wist hij niet eens waarom hij zo onder de indruk van Hansje was, het was zeker geen verliefdheid, hij maakte zich geen illusie. Ze had gewoon wat, hij keek graag naar haar. Bijvoorbeeld hoe ze geduldig en omzichtig de steeds weer brutaal binnendringende duiven de winkel uit werkte, voorzichtig wapperend met een theedoek of een opgevouwen kartonnen doos. “Ksst, naar buiten jullie!” Hij werd blij van haar, zijn bezigheden leken weer inhoud te krijgen, de dagen weer zin. Hansje was iemand waaraan mensen zich konden laven.

Als hij de winkel in kwam begroette ze hem als een oude vriend, joviaal, hij was meer dan een gewaardeerde klant. Dacht hij. Zo kwam het dan ook dat hij nogal eens met een raar modern baksel naar huis ging, of het brood van de vorige dag aan de eenden in het park voerde alvorens weer een volgend halfje meergranen te halen.

Die zomermiddag was het druk in de winkel, een moeder had haar bakfiets pal voor de ingang geparkeerd en verdeelde haar aandacht tussen een meisje dat in de bakfiets was blijven zitten en haar broertje die op zijn knieën onder de toonbank door probeerde te kruipen. “Wat wil jij, een oliebol of een mueslikoek?” snerpte ze over haar schouder terwijl ze het jongetje met haar ogen volgde. “Kom op! Nu kiezen, we hebben niet de hele middag!” Het jochie joeg de duiven op die verschrikt wegfladderden, waarbij een klodder poep op de vloertegels kletste. In het nauw gebracht vluchtte een de verkeerde kant op, verder de winkel in.

“Hè verdomme, smerige kutbeesten! Donder op, eruit, wegwezen.” Met een welgemikte trap vloog de duif in een wolk verengefladder met een boog de winkel uit, tegen de punt van de bakfiets om vervolgens op zijn rug op de straatstenen terecht te komen. Een vleugel hing er geknakt bij. Hansje hield haar pas in en sloeg beide handen voor haar mond. Het werd doodstil in de winkel. Adriaan voelde een zenuwtrekking door zijn ledematen gaan, hij draaide zich om en spurtte de winkel uit, richting het park. De vlammen sloegen hem uit.

1 reactie

Wilma Wever

zaterdag, 21:19

Buitengewoon goed geschreven verhaal. Visch weet de lezer te boeien met een aaneenrijging van pracht zinnen.

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch