Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Onomkeerbaar verlangen

Door Petra Zegveld

Niets. Helemaal niets herinnert me meer aan hem. Aan dat prachtige mens met zijn onverwoestbare uitstraling en goddelijke lichaam.

De eerste keer dat ik hem zag was ik meteen overdonderd. Het was op de jaarlijkse kermis in ons dorp. In het niets leek hij op de veelal blonde boerenzonen die, met hun, met veel brillantine opgekamde kuiven en een fluitje bier in de hand, de meisjes op gepaste afstand gadesloegen.

Hij was een opvallende verschijning. Boomlang, getinte huid en donkere manen die tot op zijn schouders reikten, wat in die tijd zeer ongebruikelijk was. Dankzij het razendsnelle roddelcircuit hoorde ik dat hij achttien jaar was en sinds kort met zijn ouders in ons dorp was neergestreken.

Mensen roddelden. Hij leek niet op zijn ouders, die blank en klein van stuk waren. Geadopteerd of van de melkboer, smoesden de dorpsbewoners. Net als alle andere meisjes was ik op slag verliefd op die nieuwe aantrekkelijke jongen met zijn indiaanse uiterlijk. Ook Lisa, het mooiste meisje van het dorp met haar weelderige blonde krullen en groene katachtige ogen.

Lisa zat nooit om aandacht verlegen. Op de wekelijkse dansavonden in het dorpshuis koketteerde ze met haar wulpse heupen en danste ze uitdagend op Teddy Bear van Elvis, terwijl de jongens smachtend vanaf de zijlijn toekeken.

Zo ook die avond in december 1957. Hij was met een klein groepje jongens en leunde nonchalant tegen de muur toen Lisa, die oogverblindend was in haar lichtblauwe jurk, hem met een plagerig vingertje uitnodigde op de dansvloer. Ik beet op mijn lip en besloot naar huis te gaan. Bij de garderobe voelde ik een hand op mijn schouder en hoorde zijn stem.

‘Wil je met me dansen?’

Stomverbaasd was ik. Wat moest hij nou met mij? Een klein en tenger meisje, dat met haar rossige korte kapsel het evenbeeld was van haar jongere broertje en het tegenbeeld van sensuele Lisa. Maar hij wilde mij en vanaf dat moment hoorden we bij elkaar.

Een bezienswaardig koppel waren we, de onwrikbare reus en het frêle poppetje.

Nu lig je hier in een vreemd bed en raken onbekende handen je aan. Vreselijk vind ik het. Daarom doe ik het nu zelf.

Het water in de bak is precies goed. Niet te warm en niet te koud. Met een washand maak ik je gezicht schoon. Je eens zo volle lippen zijn dun en korsterig, en zijn niet meer die zalige lippen die ieder plekje op mijn lichaam hebben geliefkoosd. Kussend en strelend tot ik sidderde van genot.

Zacht dep ik je schouders en borst, bang om je huid te beschadigen. Die tere huid. In en in wit met zwerende doorligplekken. Zielsveel hield ik van je lichaam. De kleine sproetjes op je sleutelbeen, de springerige haartjes rondom je tepels en de zoete houtachtige geur van je huid die nu naar bloed en zweet ruikt.

Ik knijp mijn neus dicht, pers mijn lippen stevig op elkaar en sla het dekbed open. Kokhalzend verwijder ik je volle luier en poets je achterwerk schoon. Die eens zo heerlijke ronde billen zijn nu slappe vellen. Voorzichtig draai ik je weer op je rug. Een zachte zucht rolt over je lippen. Als een baby trek je je armen naar je graatmagere borst. Je penis rust treurig in je lies.

Ik schaam me dat ik walg van zijn lichaam. Dat heeft niets met hem te maken. Mijn eigen lijf verafschuw ik ook. Het is het normale proces van het ouder worden. Het lichaam verliest zijn frisheid en kracht. Er is geen enkel spoor meer van mijn eens zo ranke, goed geproportioneerde figuur. Mijn zachte roze huid is ruw en schilferig. Mijn ruggengraat is krom, ledematen zijn stijf, ik heb last van staar en mijn gehoor wordt geplaagd door suizingen en een hoge fluit.

Toch mag ik niet klagen. In vergelijking met hem stelt het bij mij niets voor. Bij hem heeft het verval genadeloos toegeslagen. Zijn prachtige lijf. Vermorzeld door dat monster. Eerst stiekem en geniepig. Hij werd vergeetachtig. Ik ergerde me mateloos. Dacht dat hij niet naar me luisterde. Zijn ooit zo sprekende ogen waren mat en leeg. Hij ging dwalen. Eerst overdag. Later ook ’s nachts. Gelukkig keerde hij uit zichzelf weer terug. Tot de dag kwam dat hij de weg naar huis niet meer kon terugvinden. Daarna ging het zo snel. Hij herkende me niet meer. Herkende zichzelf niet meer. Lichamelijk holde hij achteruit. Het monster transformeerde hem van een goddelijke adonis in een verlepte kastplant.

Waarom doet hij dat met ons? Waarom is de tijd zo meedogenloos? Waarom zijn we langer oud dan we jong zijn? De jaren waarin we volop in bloei staan zijn korter dan de jaren van teloorgang. We mogen maar even genieten. Even proeven van het leven. Een klein hapje. Meer is het niet. En als je te gulzig bent, gaat het nog sneller.

En smulpapen waren we. We hielden van het leven en hebben ten volle geleefd. We reisden de hele wereld over, we dansten, vreeën en praatten. Urenlang, liggend op onze rug in het gras of in het zand. Door onze gretigheid gingen de jaren nog sneller.

Ineens zijn we oud en krakkemikkig. Wellicht had Herman Hesse gelijk en moet ik mijn leeftijd en alles wat daarbij komt kijken omarmen. Ik kan het niet! Ik ben geen waardige vertegenwoordiger van deze levensfase. Ik haat het. Oud zijn is niet leuk. Je kunt niet meer de dingen doen die je zo leuk vond. Jonge mensen lachen je uit, vinden je sneu en praten tegen je alsof je debiel bent.

Natuurlijk zijn er talrijke activiteiten voor vrouwen van mijn leeftijd. Met de andere dames in het huis kan ik een kikker of ander geinig dier punniken of een narcis uitprikken met prikpen op een prikvilt. Net als vroeger op de kleuterschool. Maar dat wil ik niet. Ik wil boeken lezen en gesprekken voeren. Over filosofie, kunst en politiek. De dialogen van Plato lezen, onder het genot van een glas port en een stukje oude brokkelkaas. Ik wil keihard muziek draaien en dansen op de tafel. Uit mijn dak gaan op You really got me van The Kinks. Ik wil niet worden weggedrukt als een verpieterd plantje, verplicht luisterend naar deprimerende koormuziek en lepelend aan een glaasje advocaat met slagroom. Dit lichaam is misschien verdord, maar van binnen voel ik me nog jong en levenslustig. Ik wil beminnen en bemind worden. Ik wil dat iemand naar me verlangt. Ik wil dat híj naar me verlangt. Net als vroeger.

De schat aan beelden die ik nog heb zijn me dierbaar, maar ze vervagen en doen teniet aan mijn verlangen naar zijn fysieke aanwezigheid. Zijn warme vertrouwde armen om mijn middel. Zijn krachtige robuuste hand op mijn dij. Zijn ondeugende lach met de over elkaar geschoven voortanden die nu recht zijn en me toelachen vanuit een glas op het nachtkastje.

De geur van kokos en amandel vult de kamer en verdrijft de metaal en zure geur van bloed en zweet. Het is een eenvoudige kamer met gele gordijnen en een troosteloze aquarel aan de muur waarvan de afbeelding me niet helemaal duidelijk is.

Ik ben bijna klaar. Alleen je voeten nog. Je eens zo vlezige bruine wreven zijn paars en voelen ijzig koud. Zacht was ik de huid tussen je tenen. In huis droeg je nooit schoeisel of sokken. Het beperkte je creativiteit, zei je. Contact met de aarde gaf je de juiste inspiratie.

Ik sluit mijn ogen sluit en zie je weer staan in je zonnige atelier. Het palet in je linkerhand, het penseel waarmee je werkt in je andere hand en een kleiner penseel tussen je lippen geklemd. Onweerstaanbaar aantrekkelijk in je jeans, witte T-shirt en verf spettertjes ultramarijn en vermiljoen op je tenen.

Je ruikt weer lekker fris. Ik kijk naar je gezicht. Je mond staat open, je ademhaling is rustig en gorgelend. Je oogleden trillen, onafhankelijk van elkaar. Zacht druk ik mijn lippen op je voorhoofd.

Nog een uur en dan komen ze voor je.

De woorden van de arts gonzen weer door mijn hoofd. ‘Uw man komt zeker in aanmerking. U niet. Uw lijden is niet ondraaglijk en uitzichtloos.’

Uit mijn tas pak ik het zakje waar het in zit en vermeng het met wat water. Volgens Gerrit is het zeer betrouwbaar. Het lag al maanden in zijn la voor als zijn dag zou komen.

‘En jij dan?’ vroeg ik nog.

Het is goed zo, had hij geknikt.

Ik trek mijn schoenen uit, sla het laken opzij en stap bij je in bed. Met trillende handen zet ik het glas met inhoud aan mijn lippen en drink het in één teug leeg.

Voorzichtig kruip ik tegen je aan en leg mijn hoofd op je knokige schouder. Je lichaam voelt als een behaaglijke kruik die langzaam op en neer gaat. Op de cadans van je ademhaling voel ik me langzaam wegglijden.

Ergens ver weg hoor ik een deur opengaan.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch